Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-15
ECLI:NL:RBROT:2026:5039
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,082 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5039 text/xml public 2026-05-19T10:59:10 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-15 C/10/699856 / HA ZA 25-418 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5039 text/html public 2026-05-19T10:58:20 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5039 Rechtbank Rotterdam , 15-04-2026 / C/10/699856 / HA ZA 25-418 Geen bestuurdersaansprakelijkheid, omdat er geen sprake is van een voldoende persoonlijk ernstig verwijt (onbetaald laten facturen). Vordering afgewezen. Ook de inzagevordering wordt afgewezen. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/699856 / HA ZA 25-418 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eiser] B.V , te Raamsdonksveer, eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. P.J.E.M. Nuiten, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M.W. Huijzer. 1 De zaak in het kort De inmiddels failliete [bedrijf 1] B.V., waarvan [gedaagde] bestuurder was, heeft een aantal facturen van [eiser] onbetaald gelaten. [eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde] (i) beveelt om inzage te geven in de financiële situatie van [bedrijf 1] B.V over november en december 2024 en (ii) veroordeelt tot betaling van de onbetaalde facturen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. De rechtbank oordeelt dat [eiser] onvoldoende belang heeft bij de inzagevordering en dat er geen sprake is van een voldoende persoonlijk ernstig verwijt van [gedaagde] , zodat er geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. [eiser] ’s vorderingen worden afgewezen. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 7 mei 2025 met producties 1 tot en met 11; - de antwoordconclusie in het incident ex artikel 194 Rv; - het incidenteel vonnis van 17 september 2025; - de conclusie van antwoord met producties 1 en 2; - de brief van de rechtbank van 12 november 2025, met een oproep voor een mondelinge behandeling; - de email van de rechtbank van 2 februari 2026 met een zittingsagenda; - de aanvullende producties 3 en 4 van [gedaagde] ; - de akte houdende producties 13 en 14 van [eiser] ; - de mondelinge behandeling van 9 maart 2026; - de spreekaantekeningen van de advocaat van [eiser] ; en - de spreekaantekeningen van de advocaat van [gedaagde] . 2.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat er vonnis wordt gewezen. 3 De feiten 3.1. [eiser] is een bedrijf dat zich onder andere bezig houdt met de handel en het bewerken van grondstoffen en eindproducten voor consumptie. De heer [bestuurder eiser] (hierna: [bestuurder eiser] ) is bestuurder van [eiser] . 3.2. [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) hield zich bezig met de groothandel in aardappelen, groenten en fruit. 3.3. [gedaagde] is bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 2] B.V. Deze entiteit is op haar beurt bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] . [gedaagde] is dus indirect de bestuurder van [bedrijf 1] . 3.4. Tussen [eiser] en [bedrijf 1] bestond een zakelijke relatie, waarbij [eiser] onder andere groente en fruit leverde aan [bedrijf 1] . De eerste order van [bedrijf 1] bij [eiser] was in augustus 2024. 3.5. De heer [commissionair] (hierna: [commissionair] ) was de commissionair van [eiser] en [gedaagde] . 3.6. Op 15 november 2024 hebben [gedaagde] en [commissionair] een gesprek met elkaar gehad op het kantoor van [gedaagde] . Naar aanleiding van dit gesprek is de betalingstermijn die bij [eiser] voor [bedrijf 1] gold gewijzigd van 30 dagen naar 45 dagen. 3.7. Op 26 november 2024 heeft een levering van limoenen plaatsgevonden. De factuur voor deze levering is door [bedrijf 1] voldaan op 10 januari 2025 met inachtneming van de nieuwe betalingstermijn van 45 dagen. 3.8. Hierna is tussen 2 december 2024 en 10 januari 2025 nog voor € 47.832,20 aan producten geleverd door [eiser] aan [bedrijf 1] . Voor deze leveringen heeft [eiser] geen betalingen meer ontvangen van [bedrijf 1] . 3.9. Op 26 februari 2025 laat [gedaagde] per spraakbericht op WhatsApp het volgende weten aan [commissionair] : “ [bedrijf 1] staat op het punt om om te vallen, daarom zijn we ook gestopt met handelen en heb ik een probleem op dit moment dat ik mijn leveranciers niet meer kan betalen en ik weet niet hoe ik het moet oplossen na wat ik je beloofd heb. Het ging allemaal zo snel in januari dat ik niet weet hoe ik het op moet lossen. Dus ik zal je daar vandaag over terugbellen om te kijken hoe we hiermee om moeten gaan en dan kan ik je ook het hele verhaal vertellen maar laat me eerst even bijkomen dan probeer ik je vanmiddag even te bellen.” 3.10. Op 3 maart 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] , [bestuurder eiser] en [commissionair] . Tijdens dit gesprek heeft [gedaagde] aangegeven dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] zijn gestaakt en dat de financiële situatie zorgwekkend is. 3.11. Op 7 maart 2025 heeft [eiser] ’s advocaat [bedrijf 1] gesommeerd tot betaling. Op deze brief heeft geen betaling gevolgd. 3.12. Op 11 maart 2025 is [bedrijf 1] failliet verklaard. 4 Het geschil In het incident 4.1. [eiser] vordert – samengevat - in het incident dat de rechtbank [gedaagde] beveelt om aan [eiser] inzage te geven in de financiële situatie van [bedrijf 1] in de maanden november en december 2024 door middel van het overleggen van verkorte overzichten van de winst- en verliesrekening en de balans, alsmede liquiditeitsoverzichten over deze maanden. Daartoe voert [eiser] aan dat uit deze informatie naar verwachting zal blijken dat voorzienbaar was dat [bedrijf 1] niet zou kunnen voldoen aan betaling van de verstrekte opdrachten tot levering van producten, waarmee vast komt te staan dat [gedaagde] op dat moment wist althans had kunnen weten dat de na 15 november 2024 verstrekte opdrachten niet, althans niet volledig, zouden kunnen worden betaald. 4.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van deze vordering. [gedaagde] voert aan dat hij niet beschikt over de gevraagde informatie en hij niet op eenvoudige wijze toegang tot deze informatie kan verkrijgen. Ook heeft [eiser] geen (voldoende) rechtmatig belang bij de verlangde informatie en is [eiser] bezig met een fishing expedition. In de hoofdzaak 4.3. [eiser] vordert - samengevat – in de hoofdzaak dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 52.797,52, vermeerderd met rente en kosten. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] als (middellijk) bestuurder van [bedrijf 1] verplichtingen is aangegaan waarvan hij wist dan wel behoorde te weten dat de vennootschap deze niet zou kunnen nakomen en dat zij voor het overige ook geen verhaal zou bieden. Daardoor kan aan [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. 4.4. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . Daartoe voert [gedaagde] aan dat hij op het moment van het aangaan van de verplichtingen niet wist dat [bedrijf 1] niet zou kunnen betalen en dat hij pas in de loop van januari 2025 wist dat [bedrijf 1] een desastreus vierde kwartaal van 2024 heeft gedraaid. In de hoofdzaak en in het incident 4.5. [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over deze (na)kosten. 4.6. [gedaagde] concludeert (voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad) tot afwijzing hiervan en veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 4.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling [eiser] heeft onvoldoende belang bij de incidentele vordering ex art. 194 Rv 5.1. De rechtbank wijst de incidentele vordering - waar inhoudelijk nog niet op is beslist in het incidentele vonnis - af, omdat [eiser] onvoldoende belang heeft bij deze vordering. 5.2. Op grond van artikel 3:303 BW komt zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toe. Dit betekent dat een vordering slechts voor toewijzing in aanmerking komt als de eiser een concreet belang heeft. 5.3.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5039 text/xml public 2026-05-19T10:59:10 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-15 C/10/699856 / HA ZA 25-418 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5039 text/html public 2026-05-19T10:58:20 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5039 Rechtbank Rotterdam , 15-04-2026 / C/10/699856 / HA ZA 25-418 Geen bestuurdersaansprakelijkheid, omdat er geen sprake is van een voldoende persoonlijk ernstig verwijt (onbetaald laten facturen). Vordering afgewezen. Ook de inzagevordering wordt afgewezen. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/699856 / HA ZA 25-418 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eiser] B.V , te Raamsdonksveer, eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. P.J.E.M. Nuiten, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M.W. Huijzer. 1 De zaak in het kort De inmiddels failliete [bedrijf 1] B.V., waarvan [gedaagde] bestuurder was, heeft een aantal facturen van [eiser] onbetaald gelaten. [eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde] (i) beveelt om inzage te geven in de financiële situatie van [bedrijf 1] B.V over november en december 2024 en (ii) veroordeelt tot betaling van de onbetaalde facturen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. De rechtbank oordeelt dat [eiser] onvoldoende belang heeft bij de inzagevordering en dat er geen sprake is van een voldoende persoonlijk ernstig verwijt van [gedaagde] , zodat er geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. [eiser] ’s vorderingen worden afgewezen. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 7 mei 2025 met producties 1 tot en met 11; - de antwoordconclusie in het incident ex artikel 194 Rv; - het incidenteel vonnis van 17 september 2025; - de conclusie van antwoord met producties 1 en 2; - de brief van de rechtbank van 12 november 2025, met een oproep voor een mondelinge behandeling; - de email van de rechtbank van 2 februari 2026 met een zittingsagenda; - de aanvullende producties 3 en 4 van [gedaagde] ; - de akte houdende producties 13 en 14 van [eiser] ; - de mondelinge behandeling van 9 maart 2026; - de spreekaantekeningen van de advocaat van [eiser] ; en - de spreekaantekeningen van de advocaat van [gedaagde] . 2.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat er vonnis wordt gewezen. 3 De feiten 3.1. [eiser] is een bedrijf dat zich onder andere bezig houdt met de handel en het bewerken van grondstoffen en eindproducten voor consumptie. De heer [bestuurder eiser] (hierna: [bestuurder eiser] ) is bestuurder van [eiser] . 3.2. [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) hield zich bezig met de groothandel in aardappelen, groenten en fruit. 3.3. [gedaagde] is bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 2] B.V. Deze entiteit is op haar beurt bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] . [gedaagde] is dus indirect de bestuurder van [bedrijf 1] . 3.4. Tussen [eiser] en [bedrijf 1] bestond een zakelijke relatie, waarbij [eiser] onder andere groente en fruit leverde aan [bedrijf 1] . De eerste order van [bedrijf 1] bij [eiser] was in augustus 2024. 3.5. De heer [commissionair] (hierna: [commissionair] ) was de commissionair van [eiser] en [gedaagde] . 3.6. Op 15 november 2024 hebben [gedaagde] en [commissionair] een gesprek met elkaar gehad op het kantoor van [gedaagde] . Naar aanleiding van dit gesprek is de betalingstermijn die bij [eiser] voor [bedrijf 1] gold gewijzigd van 30 dagen naar 45 dagen. 3.7. Op 26 november 2024 heeft een levering van limoenen plaatsgevonden. De factuur voor deze levering is door [bedrijf 1] voldaan op 10 januari 2025 met inachtneming van de nieuwe betalingstermijn van 45 dagen. 3.8. Hierna is tussen 2 december 2024 en 10 januari 2025 nog voor € 47.832,20 aan producten geleverd door [eiser] aan [bedrijf 1] . Voor deze leveringen heeft [eiser] geen betalingen meer ontvangen van [bedrijf 1] . 3.9. Op 26 februari 2025 laat [gedaagde] per spraakbericht op WhatsApp het volgende weten aan [commissionair] : “ [bedrijf 1] staat op het punt om om te vallen, daarom zijn we ook gestopt met handelen en heb ik een probleem op dit moment dat ik mijn leveranciers niet meer kan betalen en ik weet niet hoe ik het moet oplossen na wat ik je beloofd heb. Het ging allemaal zo snel in januari dat ik niet weet hoe ik het op moet lossen. Dus ik zal je daar vandaag over terugbellen om te kijken hoe we hiermee om moeten gaan en dan kan ik je ook het hele verhaal vertellen maar laat me eerst even bijkomen dan probeer ik je vanmiddag even te bellen.” 3.10. Op 3 maart 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] , [bestuurder eiser] en [commissionair] . Tijdens dit gesprek heeft [gedaagde] aangegeven dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] zijn gestaakt en dat de financiële situatie zorgwekkend is. 3.11. Op 7 maart 2025 heeft [eiser] ’s advocaat [bedrijf 1] gesommeerd tot betaling. Op deze brief heeft geen betaling gevolgd. 3.12. Op 11 maart 2025 is [bedrijf 1] failliet verklaard. 4 Het geschil In het incident 4.1. [eiser] vordert – samengevat - in het incident dat de rechtbank [gedaagde] beveelt om aan [eiser] inzage te geven in de financiële situatie van [bedrijf 1] in de maanden november en december 2024 door middel van het overleggen van verkorte overzichten van de winst- en verliesrekening en de balans, alsmede liquiditeitsoverzichten over deze maanden. Daartoe voert [eiser] aan dat uit deze informatie naar verwachting zal blijken dat voorzienbaar was dat [bedrijf 1] niet zou kunnen voldoen aan betaling van de verstrekte opdrachten tot levering van producten, waarmee vast komt te staan dat [gedaagde] op dat moment wist althans had kunnen weten dat de na 15 november 2024 verstrekte opdrachten niet, althans niet volledig, zouden kunnen worden betaald. 4.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van deze vordering. [gedaagde] voert aan dat hij niet beschikt over de gevraagde informatie en hij niet op eenvoudige wijze toegang tot deze informatie kan verkrijgen. Ook heeft [eiser] geen (voldoende) rechtmatig belang bij de verlangde informatie en is [eiser] bezig met een fishing expedition. In de hoofdzaak 4.3. [eiser] vordert - samengevat – in de hoofdzaak dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 52.797,52, vermeerderd met rente en kosten. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] als (middellijk) bestuurder van [bedrijf 1] verplichtingen is aangegaan waarvan hij wist dan wel behoorde te weten dat de vennootschap deze niet zou kunnen nakomen en dat zij voor het overige ook geen verhaal zou bieden. Daardoor kan aan [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. 4.4. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . Daartoe voert [gedaagde] aan dat hij op het moment van het aangaan van de verplichtingen niet wist dat [bedrijf 1] niet zou kunnen betalen en dat hij pas in de loop van januari 2025 wist dat [bedrijf 1] een desastreus vierde kwartaal van 2024 heeft gedraaid. In de hoofdzaak en in het incident 4.5. [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over deze (na)kosten. 4.6. [gedaagde] concludeert (voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad) tot afwijzing hiervan en veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 4.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling [eiser] heeft onvoldoende belang bij de incidentele vordering ex art. 194 Rv 5.1. De rechtbank wijst de incidentele vordering - waar inhoudelijk nog niet op is beslist in het incidentele vonnis - af, omdat [eiser] onvoldoende belang heeft bij deze vordering. 5.2. Op grond van artikel 3:303 BW komt zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toe. Dit betekent dat een vordering slechts voor toewijzing in aanmerking komt als de eiser een concreet belang heeft. 5.3.
Volledig
Vast staat dat [gedaagde] de gevorderde winst- en verliesoverzichten en balansoverzichten van november en december 2024 inmiddels heeft overgelegd. [gedaagde] heeft verklaard dat de opgevraagde liquiditeitsoverzichten niet bestaan. Ook heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat, als dergelijke overzichten al zouden bestaan, deze zich bij de curator van [bedrijf 1] bevinden en aldaar moeten worden opgevraagd. In reactie hierop heeft [eiser] verklaard dat hij de liquiditeitsoverzichten al bij de curator heeft opgevraagd, maar dat de curator deze niet heeft verstrekt. 5.4. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat een bevel tot overlegging van de gevorderde stukken daadwerkelijk tot enig resultaat kan leiden. Aan een groot deel van de incidentele vordering is al voldaan. Van de resterende stukken (de liquiditeitsoverzichten) staat niet vast dat deze bestaan en dat deze zich überhaupt onder [gedaagde] bevinden. De incidentele vordering wordt daarom bij gebrek aan voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW afgewezen. De rechtbank zal de proceskosten in het incident compenseren en wel zo dat iedere partij de eigen kosten draagt. De incidentele vordering van [eiser] wordt weliswaar afgewezen, maar [gedaagde] heeft de gevraagde stukken (voor zover in zijn bezit) pas verstrekt nadat de vordering daartoe door [eiser] was ingesteld. Samenloop van de vordering van de curator en de vordering van [eiser] 5.5. De rechtbank merkt vanuit processueel oogpunt allereerst op dat een curator volgens vaste rechtspraak bevoegd is ten behoeve van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers op te komen, door het geldend maken van een vordering tegen een derde tot schadevergoeding uit hoofde van artikel 6:162 BW. Dit wordt ook wel een Peeters/Gatzen-vordering genoemd. Deze bevoegdheid van de curator is geen exclusieve bevoegdheid. Een door de curator ingestelde Peeters/Gatzen-vordering staat er niet aan in de weg dat een individuele schuldeiser zelf een haar toekomende vordering in rechte geldend kan maken. Hieruit valt dus af te leiden dat [eiser] haar vordering in deze procedure heeft kunnen instellen, ongeacht de vraag of de curator een Peeters/Gatzen-vordering zal instellen of niet. 5.6. Over de samenloop van vorderingen van enerzijds de curator en anderzijds een individuele schuldeiser zoals hiervoor onder 5.5 genoemd, heeft de Hoge Raad in het arrest Lunderstädt/De Kok in rechtsoverweging 3.4.5. het volgende overwogen: “Het belang van een behoorlijke afwikkeling van het faillissement kan meebrengen dat indien (…) ook de curator, op grond van hetzelfde feitencomplex, uit hoofde van zijn hiervoor in 3.4.3. omschreven bevoegdheid een vordering uit onrechtmatige daad geldend maakt jegens de derde, eerst op deze vordering en vervolgens op die van de individuele schuldeisers wordt beslist.” 5.7. In deze zaak staat, zoals ter zitting door [gedaagde] is verklaard, vast dat de curator van [bedrijf 1] op 6 maart 2026 een dagvaarding aan [gedaagde] heeft uitgebracht. Naast de procedure van [eiser] als individuele schuldeiser is dus ook een procedure van de curator van [bedrijf 1] tegen [gedaagde] aanhangig. Uit het door [eiser] in het geding gebrachte laatste faillissementsverslag in het faillissement van [bedrijf 1] en uit de verklaring van [gedaagde] over de verwijten die de curator hem maakt, leidt de rechtbank af dat beide procedures voor een belangrijk deel dezelfde feitelijke grondslag hebben. Dit betekent dat, als in deze zaak zou worden geoordeeld dat [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is, eerst de uitkomst van de procedure van de curator moet worden afgewacht. De rechtbank komt echter niet toe aan een dergelijk oordeel. Zoals hierna zal worden toegelicht, is onvoldoende gebleken dat [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade. Daarom hoeft de procedure van de curator van [bedrijf 1] niet eerst te worden afgewacht. Toetsingskader bestuurdersaansprakelijkheid: is er sprake van een persoonlijk ernstig verwijt? 5.8. Deze zaak gaat in de kern om de vraag of [gedaagde] , als middellijk bestuurder, op het moment van het plaatsen van de relevante bestellingen wist of had moeten weten dat [bedrijf 1] niet in staat zou zijn om de facturen van deze bestellingen te voldoen en dus of [gedaagde] op basis van bestuurdersaansprakelijkheid persoonlijk aansprakelijk is voor de onbetaalde facturen. 5.9. Het is vaste rechtspraak dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de schade die ontstaat wanneer zij niet aan haar verplichtingen voldoet. Onder bijzondere omstandigheden kan de bestuurder echter naast de vennootschap aansprakelijk zijn. Daarvoor is nodig dat aan die bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van de door de schuldeiser van de vennootschap geleden schade. Daarbij is de drempel hoog. Als ratio voor deze hoge drempel wordt in de rechtspraak van de Hoge Raad genoemd dat bestuurders de ruimte moeten hebben om in het belang van de rechtspersoon beslissingen te nemen waaraan risico’s voor de rechtspersoon zijn verbonden, zonder dat zij hoeven te vrezen voor aansprakelijkheid. Bestuurders zijn niet aansprakelijk voor iedere gemaakte fout of vergissing. 5.10. In de rechtspraak is dit nader uitgewerkt. Een bestuurder is, voor zover nu relevant, in principe aansprakelijk indien: - hij namens de vennootschap een verplichting is aangegaan, terwijl hij bij het aangaan wist of behoorde te weten dat de vennootschap niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade van een onbetaald gebleven schuldeiser (de zogeheten Beklamel -norm); - hij een handelswijze van de vennootschap heeft bewerkstelligd of toegelaten, waarvan hij wist of behoorde te begrijpen dat dit tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet na zou komen en ook geen verhaal zou bieden voor de schade (de zogeheten Ontvanger/Roelofsen -norm); of - hem op andere wijze een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden van de schade van de schuldeiser van de vennootschap. 5.11. Een ander relevant aspect is of niet alleen de bestuurder, maar ook de schuldeiser van de vennootschap bij het aangaan van een overeenkomst of het laten oplopen van een betalingsverplichting wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de vennootschap niet zou betalen. Het gaat er daarbij niet om dat de bestuurder en de schuldeiser precies dezelfde informatie hadden, maar wel dat zij ongeveer over dezelfde gegevens met betrekking tot de kredietwaardigheid van de vennootschap beschikten. In dat geval heeft de bestuurder immers geen kennisvoorsprong en wekt hij ook geen valse indruk van kredietwaardigheid bij het aangaan van de overeenkomst namens de vennootschap met de schuldeiser. 5.12. Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv moet [eiser] , als degene die zich beroept op de rechtsgevolgen van het door haar gestelde onrechtmatig handelen, voldoende feiten en omstandigheden stellen en zo nodig bewijzen die tot de conclusie kunnen leiden dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt Niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de belofte heeft gemaakt dat [eiser] geen enkel financieel risico zou lopen 5.13. Tussen partijen staat vast dat tijdens de bespreking op 15 november 2024 de betalingstermijn voor de facturen die [bedrijf 1] moet voldoen aan [eiser] is verlengd van 30 dagen naar 45 dagen. [eiser] stelt dat [gedaagde] tijdens deze bespreking heeft verklaard dat als [eiser] de betalingstermijn wijzigt en door blijft leveren aan [bedrijf 1] dat zij “geen enkel financieel risico zou lopen”. Ter onderbouwing verwijst [eiser] naar een spraakbericht via WhatsApp van [gedaagde] op 26 februari 2025 waarin [gedaagde] heeft gezegd dat zijn bedrijf op het punt staat van omvallen staat en dat hij niet weet hoe hij het moet oplossen “na wat hij beloofd heeft” (zie 3.9).
Volledig
Vast staat dat [gedaagde] de gevorderde winst- en verliesoverzichten en balansoverzichten van november en december 2024 inmiddels heeft overgelegd. [gedaagde] heeft verklaard dat de opgevraagde liquiditeitsoverzichten niet bestaan. Ook heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat, als dergelijke overzichten al zouden bestaan, deze zich bij de curator van [bedrijf 1] bevinden en aldaar moeten worden opgevraagd. In reactie hierop heeft [eiser] verklaard dat hij de liquiditeitsoverzichten al bij de curator heeft opgevraagd, maar dat de curator deze niet heeft verstrekt. 5.4. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat een bevel tot overlegging van de gevorderde stukken daadwerkelijk tot enig resultaat kan leiden. Aan een groot deel van de incidentele vordering is al voldaan. Van de resterende stukken (de liquiditeitsoverzichten) staat niet vast dat deze bestaan en dat deze zich überhaupt onder [gedaagde] bevinden. De incidentele vordering wordt daarom bij gebrek aan voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW afgewezen. De rechtbank zal de proceskosten in het incident compenseren en wel zo dat iedere partij de eigen kosten draagt. De incidentele vordering van [eiser] wordt weliswaar afgewezen, maar [gedaagde] heeft de gevraagde stukken (voor zover in zijn bezit) pas verstrekt nadat de vordering daartoe door [eiser] was ingesteld. Samenloop van de vordering van de curator en de vordering van [eiser] 5.5. De rechtbank merkt vanuit processueel oogpunt allereerst op dat een curator volgens vaste rechtspraak bevoegd is ten behoeve van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers op te komen, door het geldend maken van een vordering tegen een derde tot schadevergoeding uit hoofde van artikel 6:162 BW. Dit wordt ook wel een Peeters/Gatzen-vordering genoemd. Deze bevoegdheid van de curator is geen exclusieve bevoegdheid. Een door de curator ingestelde Peeters/Gatzen-vordering staat er niet aan in de weg dat een individuele schuldeiser zelf een haar toekomende vordering in rechte geldend kan maken. Hieruit valt dus af te leiden dat [eiser] haar vordering in deze procedure heeft kunnen instellen, ongeacht de vraag of de curator een Peeters/Gatzen-vordering zal instellen of niet. 5.6. Over de samenloop van vorderingen van enerzijds de curator en anderzijds een individuele schuldeiser zoals hiervoor onder 5.5 genoemd, heeft de Hoge Raad in het arrest Lunderstädt/De Kok in rechtsoverweging 3.4.5. het volgende overwogen: “Het belang van een behoorlijke afwikkeling van het faillissement kan meebrengen dat indien (…) ook de curator, op grond van hetzelfde feitencomplex, uit hoofde van zijn hiervoor in 3.4.3. omschreven bevoegdheid een vordering uit onrechtmatige daad geldend maakt jegens de derde, eerst op deze vordering en vervolgens op die van de individuele schuldeisers wordt beslist.” 5.7. In deze zaak staat, zoals ter zitting door [gedaagde] is verklaard, vast dat de curator van [bedrijf 1] op 6 maart 2026 een dagvaarding aan [gedaagde] heeft uitgebracht. Naast de procedure van [eiser] als individuele schuldeiser is dus ook een procedure van de curator van [bedrijf 1] tegen [gedaagde] aanhangig. Uit het door [eiser] in het geding gebrachte laatste faillissementsverslag in het faillissement van [bedrijf 1] en uit de verklaring van [gedaagde] over de verwijten die de curator hem maakt, leidt de rechtbank af dat beide procedures voor een belangrijk deel dezelfde feitelijke grondslag hebben. Dit betekent dat, als in deze zaak zou worden geoordeeld dat [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is, eerst de uitkomst van de procedure van de curator moet worden afgewacht. De rechtbank komt echter niet toe aan een dergelijk oordeel. Zoals hierna zal worden toegelicht, is onvoldoende gebleken dat [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade. Daarom hoeft de procedure van de curator van [bedrijf 1] niet eerst te worden afgewacht. Toetsingskader bestuurdersaansprakelijkheid: is er sprake van een persoonlijk ernstig verwijt? 5.8. Deze zaak gaat in de kern om de vraag of [gedaagde] , als middellijk bestuurder, op het moment van het plaatsen van de relevante bestellingen wist of had moeten weten dat [bedrijf 1] niet in staat zou zijn om de facturen van deze bestellingen te voldoen en dus of [gedaagde] op basis van bestuurdersaansprakelijkheid persoonlijk aansprakelijk is voor de onbetaalde facturen. 5.9. Het is vaste rechtspraak dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de schade die ontstaat wanneer zij niet aan haar verplichtingen voldoet. Onder bijzondere omstandigheden kan de bestuurder echter naast de vennootschap aansprakelijk zijn. Daarvoor is nodig dat aan die bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van de door de schuldeiser van de vennootschap geleden schade. Daarbij is de drempel hoog. Als ratio voor deze hoge drempel wordt in de rechtspraak van de Hoge Raad genoemd dat bestuurders de ruimte moeten hebben om in het belang van de rechtspersoon beslissingen te nemen waaraan risico’s voor de rechtspersoon zijn verbonden, zonder dat zij hoeven te vrezen voor aansprakelijkheid. Bestuurders zijn niet aansprakelijk voor iedere gemaakte fout of vergissing. 5.10. In de rechtspraak is dit nader uitgewerkt. Een bestuurder is, voor zover nu relevant, in principe aansprakelijk indien: - hij namens de vennootschap een verplichting is aangegaan, terwijl hij bij het aangaan wist of behoorde te weten dat de vennootschap niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade van een onbetaald gebleven schuldeiser (de zogeheten Beklamel -norm); - hij een handelswijze van de vennootschap heeft bewerkstelligd of toegelaten, waarvan hij wist of behoorde te begrijpen dat dit tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet na zou komen en ook geen verhaal zou bieden voor de schade (de zogeheten Ontvanger/Roelofsen -norm); of - hem op andere wijze een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden van de schade van de schuldeiser van de vennootschap. 5.11. Een ander relevant aspect is of niet alleen de bestuurder, maar ook de schuldeiser van de vennootschap bij het aangaan van een overeenkomst of het laten oplopen van een betalingsverplichting wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de vennootschap niet zou betalen. Het gaat er daarbij niet om dat de bestuurder en de schuldeiser precies dezelfde informatie hadden, maar wel dat zij ongeveer over dezelfde gegevens met betrekking tot de kredietwaardigheid van de vennootschap beschikten. In dat geval heeft de bestuurder immers geen kennisvoorsprong en wekt hij ook geen valse indruk van kredietwaardigheid bij het aangaan van de overeenkomst namens de vennootschap met de schuldeiser. 5.12. Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv moet [eiser] , als degene die zich beroept op de rechtsgevolgen van het door haar gestelde onrechtmatig handelen, voldoende feiten en omstandigheden stellen en zo nodig bewijzen die tot de conclusie kunnen leiden dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt Niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de belofte heeft gemaakt dat [eiser] geen enkel financieel risico zou lopen 5.13. Tussen partijen staat vast dat tijdens de bespreking op 15 november 2024 de betalingstermijn voor de facturen die [bedrijf 1] moet voldoen aan [eiser] is verlengd van 30 dagen naar 45 dagen. [eiser] stelt dat [gedaagde] tijdens deze bespreking heeft verklaard dat als [eiser] de betalingstermijn wijzigt en door blijft leveren aan [bedrijf 1] dat zij “geen enkel financieel risico zou lopen”. Ter onderbouwing verwijst [eiser] naar een spraakbericht via WhatsApp van [gedaagde] op 26 februari 2025 waarin [gedaagde] heeft gezegd dat zijn bedrijf op het punt staat van omvallen staat en dat hij niet weet hoe hij het moet oplossen “na wat hij beloofd heeft” (zie 3.9).
Volledig
[eiser] stelt dat zij op basis van deze belofte op 15 november 2024 nog leveringen heeft verricht in december 2024 en januari 2025 en dat [gedaagde] als middellijk bestuurder wist of behoorde te weten dat [bedrijf 1] de overeenkomsten niet zou kunnen nakomen, waardoor aan hem een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt op grond van de Beklamel-norm. 5.14. [gedaagde] betwist deze stelling van [eiser] en voert aan dat hij nooit heeft beloofd dat [eiser] geen enkel financieel risico zou lopen. Een dergelijke uitspraak zou ook niet passen binnen de aard of context van het gesprek, noch binnen de rol van een bestuurder in een informeel overleg. Volgens [gedaagde] heeft hij slechts toegezegd zich in te spannen om toekomstige facturen binnen de afgesproken termijn van 45 dagen te voldoen. 5.15. De rechtbank overweegt dat uit het spraakbericht van [gedaagde] op 26 februari 2025 niet ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat [gedaagde] eerder een belofte of persoonlijke garantie heeft gegeven dat [eiser] geen enkel financieel risico zou lopen. Het bericht kan, zoals door [gedaagde] aangevoerd, eveneens worden begrepen als een verwijzing naar een toezegging om zich in te spannen om te betalen binnen de verlengde betalingstermijn van 45 dagen. Daarmee staat de door [eiser] gestelde belofte van [gedaagde] niet vast. 5.16. Zelfs als de rechtbank voor de gedachtenvorming ervan uit zou gaan dat [gedaagde] wel de vermeende belofte heeft gedaan, volgt daaruit nog niet dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid in de specifieke omstandigheden van dit geval. Het enkele feit dat een onderneming in financieel zwaar weer verkeert brengt immers niet mee dat een bestuurder geen nieuwe verplichtingen meer mag aangaan of de bedrijfsactiviteiten gelijk moet staken. Immers, slechts als de bestuurder wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden, kan sprake zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder. Zoals hierna verder zal worden gemotiveerd was dit niet het geval. De onbetaalde bestellingen zijn geplaatst voordat [gedaagde] kennis had van de slechte financiële cijfers van het vierde kwartaal van 2024 5.17. Uit het door [eiser] ingebrachte facturenoverzicht blijkt dat de handelsactiviteiten na de bespreking van 15 november 2024 tussen partijen zijn voortgezet en dat de facturen tot en met 26 november 2024 door [bedrijf 1] zijn betaald. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat per 26 november 2024 de balans tussen hen op nul stond. De facturen van [eiser] aan [bedrijf 1] van 2 december 2024 tot en met 10 januari 2025 zijn onbetaald gebleven en bedragen gezamenlijk € 47.823,20. 5.18. [gedaagde] heeft ter zitting onweersproken verklaard dat hij pas in de derde of vierde week van januari 2025 beschikte over de financiële cijfers van [bedrijf 1] van het vierde kwartaal van 2024, waaruit bleek dat het een desastreus kwartaal was geweest. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] vanaf dat moment geen nieuwe verplichtingen namens [bedrijf 1] meer mocht aangaan. De laatste bestelling van [bedrijf 1] bij [eiser] heeft betrekking op een factuur van 10 januari 2025. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat tussen het plaatsen van een bestelling en de factuurdatum meestal drie à vier dagen zit. [gedaagde] vermoedt dat de laatste bestelling op 6 januari 2025 is geplaatst, maar sluit niet uit dat deze – zoals door [eiser] is gesteld – al op 16 december 2024 was geplaatst. Uitgaande van de door partijen genoemde data stelt de rechtbank vast dat de onbetaalde orders in ieder geval zijn geplaatst vóór het moment waarop [gedaagde] kennis had van de desastreuze financiële cijfers van het vierde kwartaal. 5.19. Hieruit volgt dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] ten tijde van het plaatsen van de onbetaalde bestellingen wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat [bedrijf 1] haar betalingsverplichtingen tegenover [eiser] niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden. Dat [bedrijf 1] gesprekken had over factoring betekent evenmin dat zij haar bedrijfsactiviteiten had moeten neerleggen 5.20. [eiser] stelt zich daarnaast op het standpunt dat [gedaagde] tijdens de bespreking van 15 november 2024 niet heeft gemeld dat [bedrijf 1] in gesprek was met de Rabobank over factoring en dat als zij dat had geweten dat zij dan geen verdere leveringen meer zou hebben verricht aan [bedrijf 1] . [gedaagde] betwist dit en meent dat er wel degelijk is medegedeeld dat er gesprekken over factoring plaatsvonden. 5.21. De rechtbank overweegt dat de vraag of de factoring al dan niet is besproken tijdens de bespreking in het midden kan blijven. Uit door [gedaagde] overgelegde e-mails blijkt dat [bedrijf 1] in december 2024 daadwerkelijk contact had met de Rabobank over factoring. Dit duidt erop dat [bedrijf 1] in die periode nog actief mogelijkheden onderzocht om haar liquiditeitspositie te verbeteren. Als gezegd, het enkele feit dat een onderneming in financieel zwaar weer verkeert, betekent niet dat een bestuurder verplicht is om de bedrijfsactiviteiten onmiddellijk te staken of dat geen nieuwe verplichtingen meer mag aangaan. Dat geldt ook wanneer een onderneming met een bank in gesprek is over aanvullende financiering of kredietruimte. 5.22. Bovendien heeft [gedaagde] onweersproken verklaard dat het binnen de AGF-branche gebruikelijk is dat het vierde kwartaal financieel minder sterk is, waardoor een tijdelijk minder gunstige financiële situatie in die periode niet ongebruikelijk is en niet meebrengt dat [bedrijf 1] geen bestellingen meer mocht plaatsen. Daarnaast heeft [gedaagde] ter zitting onweersproken verklaard dat hij tijdens het gesprek van 15 november 2024 transparant is geweest over de financiële situatie van [bedrijf 1] en dat hij kenbaar heeft gemaakt dat [bedrijf 1] het financieel moeilijk heeft gehad, onder meer als gevolg van de COVID-crisis en de Brexit. In dat kader heeft [bedrijf 1] ook verzocht om verruiming van de betalingstermijn, teneinde meer financiële ruimte te creëren. Vaststaat bovendien dat [eiser] met deze wijziging van de betalingstermijn heeft ingestemd, waarmee zij zich in zekere mate bewust heeft blootgesteld aan het daarmee samenhangende risico dat [bedrijf 1] mogelijk in financieel slechter weer zou verkeren. [bedrijf 3] B.V. heeft andere bedrijfsactiviteiten dan [bedrijf 1] had 5.23. [eiser] heeft verder aangevoerd dat [gedaagde] voorafgaand aan het faillissement van [bedrijf 1] een nieuw bedrijf, genaamd [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ), heeft opgericht met dezelfde bedrijfsactiviteiten als [bedrijf 1] had. Hiermee zou er volgens [eiser] feitelijk sprake zijn van een parallelle onderneming, waarbij het bedoeld is om via [bedrijf 3] omzet om te leiden in het zicht van het faillissement van [bedrijf 1] . Ter zitting heeft [gedaagde] dit gemotiveerd betwist en verklaard dat [bedrijf 3] geheel andere bedrijfsactiviteiten heeft en zich uitsluitend focust op vruchtensappen. [eiser] heeft haar verwijt na deze gemotiveerde betwisting van [gedaagde] niet nader onderbouwd, terwijl dat wel op haar weg lag. Daarmee is niet komen vast te staan dat [gedaagde] met de oprichting van [bedrijf 3] heeft bedoeld om omzet van [bedrijf 1] om te leiden. Er is geen sprake van een persoonlijk ernstig verwijt, zodat er geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid 5.24. De conclusie is dat [bedrijf 1] ’s bestellingen die hebben geleid tot de facturen van 2 december 2024 tot en met 10 januari 2025 geen onrechtmatig handelen van [gedaagde] tegenover [eiser] opleveren. Op die momenten wist [gedaagde] niet of behoorde hij ook niet redelijkerwijs te weten dat [bedrijf 1] haar verplichtingen tegenover [eiser] niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden. [eiser] heeft daarnaast geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden van de schade van [eiser] . [gedaagde] is daarom niet aansprakelijk. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Proceskosten 5.25. [eiser] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Volledig
[eiser] stelt dat zij op basis van deze belofte op 15 november 2024 nog leveringen heeft verricht in december 2024 en januari 2025 en dat [gedaagde] als middellijk bestuurder wist of behoorde te weten dat [bedrijf 1] de overeenkomsten niet zou kunnen nakomen, waardoor aan hem een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt op grond van de Beklamel-norm. 5.14. [gedaagde] betwist deze stelling van [eiser] en voert aan dat hij nooit heeft beloofd dat [eiser] geen enkel financieel risico zou lopen. Een dergelijke uitspraak zou ook niet passen binnen de aard of context van het gesprek, noch binnen de rol van een bestuurder in een informeel overleg. Volgens [gedaagde] heeft hij slechts toegezegd zich in te spannen om toekomstige facturen binnen de afgesproken termijn van 45 dagen te voldoen. 5.15. De rechtbank overweegt dat uit het spraakbericht van [gedaagde] op 26 februari 2025 niet ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat [gedaagde] eerder een belofte of persoonlijke garantie heeft gegeven dat [eiser] geen enkel financieel risico zou lopen. Het bericht kan, zoals door [gedaagde] aangevoerd, eveneens worden begrepen als een verwijzing naar een toezegging om zich in te spannen om te betalen binnen de verlengde betalingstermijn van 45 dagen. Daarmee staat de door [eiser] gestelde belofte van [gedaagde] niet vast. 5.16. Zelfs als de rechtbank voor de gedachtenvorming ervan uit zou gaan dat [gedaagde] wel de vermeende belofte heeft gedaan, volgt daaruit nog niet dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid in de specifieke omstandigheden van dit geval. Het enkele feit dat een onderneming in financieel zwaar weer verkeert brengt immers niet mee dat een bestuurder geen nieuwe verplichtingen meer mag aangaan of de bedrijfsactiviteiten gelijk moet staken. Immers, slechts als de bestuurder wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden, kan sprake zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder. Zoals hierna verder zal worden gemotiveerd was dit niet het geval. De onbetaalde bestellingen zijn geplaatst voordat [gedaagde] kennis had van de slechte financiële cijfers van het vierde kwartaal van 2024 5.17. Uit het door [eiser] ingebrachte facturenoverzicht blijkt dat de handelsactiviteiten na de bespreking van 15 november 2024 tussen partijen zijn voortgezet en dat de facturen tot en met 26 november 2024 door [bedrijf 1] zijn betaald. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat per 26 november 2024 de balans tussen hen op nul stond. De facturen van [eiser] aan [bedrijf 1] van 2 december 2024 tot en met 10 januari 2025 zijn onbetaald gebleven en bedragen gezamenlijk € 47.823,20. 5.18. [gedaagde] heeft ter zitting onweersproken verklaard dat hij pas in de derde of vierde week van januari 2025 beschikte over de financiële cijfers van [bedrijf 1] van het vierde kwartaal van 2024, waaruit bleek dat het een desastreus kwartaal was geweest. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] vanaf dat moment geen nieuwe verplichtingen namens [bedrijf 1] meer mocht aangaan. De laatste bestelling van [bedrijf 1] bij [eiser] heeft betrekking op een factuur van 10 januari 2025. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat tussen het plaatsen van een bestelling en de factuurdatum meestal drie à vier dagen zit. [gedaagde] vermoedt dat de laatste bestelling op 6 januari 2025 is geplaatst, maar sluit niet uit dat deze – zoals door [eiser] is gesteld – al op 16 december 2024 was geplaatst. Uitgaande van de door partijen genoemde data stelt de rechtbank vast dat de onbetaalde orders in ieder geval zijn geplaatst vóór het moment waarop [gedaagde] kennis had van de desastreuze financiële cijfers van het vierde kwartaal. 5.19. Hieruit volgt dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] ten tijde van het plaatsen van de onbetaalde bestellingen wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat [bedrijf 1] haar betalingsverplichtingen tegenover [eiser] niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden. Dat [bedrijf 1] gesprekken had over factoring betekent evenmin dat zij haar bedrijfsactiviteiten had moeten neerleggen 5.20. [eiser] stelt zich daarnaast op het standpunt dat [gedaagde] tijdens de bespreking van 15 november 2024 niet heeft gemeld dat [bedrijf 1] in gesprek was met de Rabobank over factoring en dat als zij dat had geweten dat zij dan geen verdere leveringen meer zou hebben verricht aan [bedrijf 1] . [gedaagde] betwist dit en meent dat er wel degelijk is medegedeeld dat er gesprekken over factoring plaatsvonden. 5.21. De rechtbank overweegt dat de vraag of de factoring al dan niet is besproken tijdens de bespreking in het midden kan blijven. Uit door [gedaagde] overgelegde e-mails blijkt dat [bedrijf 1] in december 2024 daadwerkelijk contact had met de Rabobank over factoring. Dit duidt erop dat [bedrijf 1] in die periode nog actief mogelijkheden onderzocht om haar liquiditeitspositie te verbeteren. Als gezegd, het enkele feit dat een onderneming in financieel zwaar weer verkeert, betekent niet dat een bestuurder verplicht is om de bedrijfsactiviteiten onmiddellijk te staken of dat geen nieuwe verplichtingen meer mag aangaan. Dat geldt ook wanneer een onderneming met een bank in gesprek is over aanvullende financiering of kredietruimte. 5.22. Bovendien heeft [gedaagde] onweersproken verklaard dat het binnen de AGF-branche gebruikelijk is dat het vierde kwartaal financieel minder sterk is, waardoor een tijdelijk minder gunstige financiële situatie in die periode niet ongebruikelijk is en niet meebrengt dat [bedrijf 1] geen bestellingen meer mocht plaatsen. Daarnaast heeft [gedaagde] ter zitting onweersproken verklaard dat hij tijdens het gesprek van 15 november 2024 transparant is geweest over de financiële situatie van [bedrijf 1] en dat hij kenbaar heeft gemaakt dat [bedrijf 1] het financieel moeilijk heeft gehad, onder meer als gevolg van de COVID-crisis en de Brexit. In dat kader heeft [bedrijf 1] ook verzocht om verruiming van de betalingstermijn, teneinde meer financiële ruimte te creëren. Vaststaat bovendien dat [eiser] met deze wijziging van de betalingstermijn heeft ingestemd, waarmee zij zich in zekere mate bewust heeft blootgesteld aan het daarmee samenhangende risico dat [bedrijf 1] mogelijk in financieel slechter weer zou verkeren. [bedrijf 3] B.V. heeft andere bedrijfsactiviteiten dan [bedrijf 1] had 5.23. [eiser] heeft verder aangevoerd dat [gedaagde] voorafgaand aan het faillissement van [bedrijf 1] een nieuw bedrijf, genaamd [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ), heeft opgericht met dezelfde bedrijfsactiviteiten als [bedrijf 1] had. Hiermee zou er volgens [eiser] feitelijk sprake zijn van een parallelle onderneming, waarbij het bedoeld is om via [bedrijf 3] omzet om te leiden in het zicht van het faillissement van [bedrijf 1] . Ter zitting heeft [gedaagde] dit gemotiveerd betwist en verklaard dat [bedrijf 3] geheel andere bedrijfsactiviteiten heeft en zich uitsluitend focust op vruchtensappen. [eiser] heeft haar verwijt na deze gemotiveerde betwisting van [gedaagde] niet nader onderbouwd, terwijl dat wel op haar weg lag. Daarmee is niet komen vast te staan dat [gedaagde] met de oprichting van [bedrijf 3] heeft bedoeld om omzet van [bedrijf 1] om te leiden. Er is geen sprake van een persoonlijk ernstig verwijt, zodat er geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid 5.24. De conclusie is dat [bedrijf 1] ’s bestellingen die hebben geleid tot de facturen van 2 december 2024 tot en met 10 januari 2025 geen onrechtmatig handelen van [gedaagde] tegenover [eiser] opleveren. Op die momenten wist [gedaagde] niet of behoorde hij ook niet redelijkerwijs te weten dat [bedrijf 1] haar verplichtingen tegenover [eiser] niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden. [eiser] heeft daarnaast geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden van de schade van [eiser] . [gedaagde] is daarom niet aansprakelijk. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Proceskosten 5.25. [eiser] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.