Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-30
ECLI:NL:RBROT:2026:4671
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
4,077 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4671 text/xml public 2026-05-11T11:09:44 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-30 C/10/716114 / JE RK 26-458 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4671 text/html public 2026-05-11T11:08:40 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4671 Rechtbank Rotterdam , 30-03-2026 / C/10/716114 / JE RK 26-458 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing. RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Locatie Rotterdam Zaaknummer: C/10/716114 / JE RK 26-458 Datum uitspraak: 30 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam- Dordrecht , gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , bijgestaan door advocaat mr. H. Assal, waarnemend voor kantoorgenoot mr. R.F.H. Tamboeman, kantoorhoudende in Barendrecht. De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond , gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ; - twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon B] en [persoon C] . 1.3. De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2. De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] 2.2. [voornaam minderjarige] verblijft op woongroep [naam woongroep] in Krimpen aan den IJssel. 3 Het verzoek van de Raad 3.1. De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 20 januari 2027. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot aan zijn meerderjarigheid. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [voornaam minderjarige] is een intelligente en zelfstandige jongere, maar er zijn ernstige zorgen over zijn ontwikkeling. Hij bevindt zich in een kwetsbare fase van identiteitsontwikkeling en is daarbij beïnvloedbaar. De moeder maakt zich zorgen over zijn veiligheid en gezondheid, onder meer vanwege sombere gedachten en signalen van zelfverwaarlozing. Ook zijn er zorgen over middelengebruik en de wijze waarop hij dit financiert. [voornaam minderjarige] stelt zich regelmatig vermijdend op en heeft moeite met het aangaan van samenwerking met zijn familie. Zowel de moeder als de groep ervaren onvoldoende grip om [voornaam minderjarige] de noodzakelijke begrenzing en bescherming te bieden. De komende periode zal [voornaam minderjarige] richting volwassenheid moeten worden begeleid, waarbij diagnostiek en passende hulpverlening worden ingezet. 4 De standpunten 4.1. Door en namens de moeder is ter zitting inhoudelijk verweer gevoerd. Zij refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter. De zorgen over [voornaam minderjarige] zijn groot, met name ten aanzien van zijn veiligheid en de risico’s die hij neemt. [voornaam minderjarige] ervaart onvoldoende begrenzing. De moeder wil hem graag zelf de veiligheid bieden die hij nodig heeft, maar ziet dat dit op dit moment onvoldoende lukt. Tot slot benadrukt de moeder dat zij twijfels heeft over de haalbaarheid van de gestelde doelen binnen de resterende termijn tot de meerderjarigheid van [voornaam minderjarige] , mede gelet op de bestaande wachtlijsten in de jeugdhulpverlening. 5 De informatie van de GI 5.1. De GI onderschrijft de zorgen van de Raad en sluit zich aan bij het verzoek. De GI wijst erop dat de resterende termijn tot de meerderjarigheid van [voornaam minderjarige] beperkt is en dat, mede gelet op de wachtlijsten in de hulpverlening, niet alle doelen gerealiseerd zullen kunnen worden. 6 De beoordeling 6.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 6.2. Er is sprake van een samenstel van risicofactoren die [voornaam minderjarige] ’s veiligheid en gezondheid raken. [voornaam minderjarige] heeft risicovol gedrag vertoond, onder meer in verband met middelengebruik en het aangaan van onveilige contacten, en is daarbij beïnvloedbaar. Daarnaast spelen er zorgen over somberheid, een verstoord dag- en nachtritme en zelfverwaarlozing. [voornaam minderjarige] heeft geen dagbesteding en er is onvoldoende structuur in zijn leven, waardoor het risico op verdere ontregeling groot is. [voornaam minderjarige] heeft de kinderrechter verteld dat hij gemotiveerd is om komend schooljaar een nieuwe opleiding te gaan volgen en een nieuw bijbaantje te zoeken. Hoewel de kinderrechter deze ontwikkeling positief acht, is deze ook pril en moet worden bestendigd. Gelet op [voornaam minderjarige] ’s naderende meerderjarigheid, acht de kinderrechter het van belang dat [voornaam minderjarige] hier ondersteuning bij ontvangt. De kinderrechter overweegt dat de moeder betrokken is bij [voornaam minderjarige] , maar onvoldoende in staat is om hem de noodzakelijke sturing en begrenzing te bieden. 6.3. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. [voornaam minderjarige] ontwijkt diagnostiek en behandeling, komt afspraken niet na en onttrekt zich aan het gezag van zijn moeder en betrokken hulpverleners. Hierdoor heeft de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende grip gekregen op zijn situatie en veiligheid. De ondertoezichtstelling is daarom nodig. 6.4. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. Alle betrokkenen, waaronder [voornaam minderjarige] , zijn het erover eens dat een thuisplaatsing op dit moment niet haalbaar is. Het is daarom van belang dat zijn huidige verblijfplaats wordt voortgezet en geformaliseerd. Hoewel de resterende termijn tot de meerderjarigheid van [voornaam minderjarige] beperkt is, acht de kinderrechter het van belang dat in deze periode wordt gewerkt aan stabilisatie en het leggen van een basis voor zijn verdere ontwikkeling en zelfstandigheid. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de GI samen met [voornaam minderjarige] voortvarend aan het werk gaat, zodat zij bereiken wat bereikt kan worden in deze laatste maanden tot aan [voornaam minderjarige] ’s volwassenheid. 6.5. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] toewijzen voor de duur tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 20 januari 2027. 6.6. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1. stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 30 maart 2026 tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 20 januari 2027; 7.2. verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 maart 2026 tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 20 januari 2027; 7.3.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4671 text/xml public 2026-05-11T11:09:44 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-30 C/10/716114 / JE RK 26-458 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4671 text/html public 2026-05-11T11:08:40 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4671 Rechtbank Rotterdam , 30-03-2026 / C/10/716114 / JE RK 26-458 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing. RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Locatie Rotterdam Zaaknummer: C/10/716114 / JE RK 26-458 Datum uitspraak: 30 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam- Dordrecht , gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , bijgestaan door advocaat mr. H. Assal, waarnemend voor kantoorgenoot mr. R.F.H. Tamboeman, kantoorhoudende in Barendrecht. De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond , gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ; - twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon B] en [persoon C] . 1.3. De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2. De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] 2.2. [voornaam minderjarige] verblijft op woongroep [naam woongroep] in Krimpen aan den IJssel. 3 Het verzoek van de Raad 3.1. De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 20 januari 2027. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot aan zijn meerderjarigheid. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [voornaam minderjarige] is een intelligente en zelfstandige jongere, maar er zijn ernstige zorgen over zijn ontwikkeling. Hij bevindt zich in een kwetsbare fase van identiteitsontwikkeling en is daarbij beïnvloedbaar. De moeder maakt zich zorgen over zijn veiligheid en gezondheid, onder meer vanwege sombere gedachten en signalen van zelfverwaarlozing. Ook zijn er zorgen over middelengebruik en de wijze waarop hij dit financiert. [voornaam minderjarige] stelt zich regelmatig vermijdend op en heeft moeite met het aangaan van samenwerking met zijn familie. Zowel de moeder als de groep ervaren onvoldoende grip om [voornaam minderjarige] de noodzakelijke begrenzing en bescherming te bieden. De komende periode zal [voornaam minderjarige] richting volwassenheid moeten worden begeleid, waarbij diagnostiek en passende hulpverlening worden ingezet. 4 De standpunten 4.1. Door en namens de moeder is ter zitting inhoudelijk verweer gevoerd. Zij refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter. De zorgen over [voornaam minderjarige] zijn groot, met name ten aanzien van zijn veiligheid en de risico’s die hij neemt. [voornaam minderjarige] ervaart onvoldoende begrenzing. De moeder wil hem graag zelf de veiligheid bieden die hij nodig heeft, maar ziet dat dit op dit moment onvoldoende lukt. Tot slot benadrukt de moeder dat zij twijfels heeft over de haalbaarheid van de gestelde doelen binnen de resterende termijn tot de meerderjarigheid van [voornaam minderjarige] , mede gelet op de bestaande wachtlijsten in de jeugdhulpverlening. 5 De informatie van de GI 5.1. De GI onderschrijft de zorgen van de Raad en sluit zich aan bij het verzoek. De GI wijst erop dat de resterende termijn tot de meerderjarigheid van [voornaam minderjarige] beperkt is en dat, mede gelet op de wachtlijsten in de hulpverlening, niet alle doelen gerealiseerd zullen kunnen worden. 6 De beoordeling 6.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 6.2. Er is sprake van een samenstel van risicofactoren die [voornaam minderjarige] ’s veiligheid en gezondheid raken. [voornaam minderjarige] heeft risicovol gedrag vertoond, onder meer in verband met middelengebruik en het aangaan van onveilige contacten, en is daarbij beïnvloedbaar. Daarnaast spelen er zorgen over somberheid, een verstoord dag- en nachtritme en zelfverwaarlozing. [voornaam minderjarige] heeft geen dagbesteding en er is onvoldoende structuur in zijn leven, waardoor het risico op verdere ontregeling groot is. [voornaam minderjarige] heeft de kinderrechter verteld dat hij gemotiveerd is om komend schooljaar een nieuwe opleiding te gaan volgen en een nieuw bijbaantje te zoeken. Hoewel de kinderrechter deze ontwikkeling positief acht, is deze ook pril en moet worden bestendigd. Gelet op [voornaam minderjarige] ’s naderende meerderjarigheid, acht de kinderrechter het van belang dat [voornaam minderjarige] hier ondersteuning bij ontvangt. De kinderrechter overweegt dat de moeder betrokken is bij [voornaam minderjarige] , maar onvoldoende in staat is om hem de noodzakelijke sturing en begrenzing te bieden. 6.3. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. [voornaam minderjarige] ontwijkt diagnostiek en behandeling, komt afspraken niet na en onttrekt zich aan het gezag van zijn moeder en betrokken hulpverleners. Hierdoor heeft de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende grip gekregen op zijn situatie en veiligheid. De ondertoezichtstelling is daarom nodig. 6.4. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. Alle betrokkenen, waaronder [voornaam minderjarige] , zijn het erover eens dat een thuisplaatsing op dit moment niet haalbaar is. Het is daarom van belang dat zijn huidige verblijfplaats wordt voortgezet en geformaliseerd. Hoewel de resterende termijn tot de meerderjarigheid van [voornaam minderjarige] beperkt is, acht de kinderrechter het van belang dat in deze periode wordt gewerkt aan stabilisatie en het leggen van een basis voor zijn verdere ontwikkeling en zelfstandigheid. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de GI samen met [voornaam minderjarige] voortvarend aan het werk gaat, zodat zij bereiken wat bereikt kan worden in deze laatste maanden tot aan [voornaam minderjarige] ’s volwassenheid. 6.5. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] toewijzen voor de duur tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 20 januari 2027. 6.6. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1. stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 30 maart 2026 tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 20 januari 2027; 7.2. verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 maart 2026 tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 20 januari 2027; 7.3.