Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-01
ECLI:NL:RBROT:2026:4612
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,121 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4612 text/xml public 2026-05-13T10:49:53 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-01 C/10/699461 / HA ZA 25-389 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4612 text/html public 2026-05-13T10:49:10 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4612 Rechtbank Rotterdam , 01-04-2026 / C/10/699461 / HA ZA 25-389 De rechtbank bepaalt de hoogte van van de vordering die eiseres als pandhouder heeft op gedaagde, en verrekent de schadevergoedingsvordering die gedaagde op de pandgever heeft met deze vordering. RECHTBANK Rotterdam team handel en haven Zaaknummer: C/10/699461 / HA ZA 25-389 Vonnis van 1 april 2026 in de zaak van BRIDGEFUND B.V. , gevestigd te Amsterdam eiseres, advocaat: mr. S.A. Hattink, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd te Barendrecht, gedaagde, advocaat: mr. S.A. van Leeuwen. Partijen worden hierna ook “Bridgefund” en “ [gedaagde] ” genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. In deze zaak gaat het om een aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] uit hoofde van een aannemingsovereenkomst. [gedaagde] betwist de hoogte van de vordering van Installatiedienst en betoogt dat zij een vordering op Installatiedienst heeft die met die vordering moet worden verrekend. De vordering van [gedaagde] bestaat uit de schade die [gedaagde] heeft geleden als gevolg van het faillissement van Installatiedienst en als gevolg van het tekortschieten van Installatiedienst in de door haar verrichte werkzaamheden. 1.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] 70.756,59 bedraagt. Daarnaast komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde] een schadevergoedingsvordering op Installatiedienst heeft van € 18.227,-. De rechtbank verrekent de schadevergoedingsvordering van [gedaagde] met de aan Bridgefund verpande vordering en wijst de vordering van Bridgefund toe tot een bedrag van 52.029,59. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 11 april 2025, met productie 1 t/m 9; het vonnis in incident van 17 september 2025 en de daarin genoemde stukken; de conclusie van antwoord, met productie 1 t/m 6; de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; de e-mail van de rechtbank met een zittingsagenda; de akte aanvullende producties van Bridgefund met productie 10 t/m 14; de akte aanvullende producties van [gedaagde] met productie 7 t/m 9; de e-mail van Bridgefund met bijlage 12 bij productie 8 en een verduidelijking van productie 7; de mondelinge behandeling van 20 februari 2026, en daarbij door Bridgefund gebruikte spreekaantekeningen. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. Bridgefund heeft een pandrecht op de vorderingen van Installatiedienst B.V. (hierna “Installatiedienst”). 3.2. [gedaagde] heeft op 21 december 2021 een aannemingsovereenkomst gesloten met Installatiedienst B.V. (“Installatiedienst”) op grond waarvan Installatiedienst mechanische ventilatie-installaties en badkamers, keukens en toiletten voor [gedaagde] zou leveren en aanbrengen ten behoeve van een project in Hoogvliet, bestaande uit 277 woningen (hierna “de aannemingsovereenkomst”). Daarnaast zou Installatiedienst op basis van meerwerk elektra-aansluitingen aanleggen in de berging van een aantal van die woningen. 3.3. In de aannemingsovereenkomst zijn de UAV’12 van toepassing verklaard. De UAV’12 bepalen in paragraaf 12 (onder andere): “ Na de dag, waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in § 10, eerste of tweede lid, als opgeleverd wordt beschouwd, is de aannemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het werk (…)”. 3.4. Installatiedienst heeft voor haar werkzaamheden verschillende facturen aan [gedaagde] toegestuurd. [gedaagde] heeft een deel van die facturen onbetaald gelaten. 3.5. Op 13 december 2022 is Installatiedienst in staat van faillissement verklaard. Op dat moment waren de werkzaamheden die Installatiedienst voor [gedaagde] zou verrichten nog niet volledig afgerond. 4 Het geschil 4.1. Bridgefund vordert in deze procedure veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 65.936,58,-, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 4.2. Bridgefund legt aan haar vordering ten grondslag dat zij een pandrecht heeft op de vorderingen van Installatiedienst en dat Installatiedienst uit hoofde van de aannemingsovereenkomst een vordering op [gedaagde] heeft van € 70.756,59. Bridgefund heeft dit bedrag verminderd met een bedrag van € 10.756,59 als tegemoetkoming voor de mogelijk door [gedaagde] gemaakte kosten als gevolg van het faillissement van Installatiedienst. Bridgefund vordert in deze procedure dan ook een bedrag van € 60.000,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.482,57. 4.3. [gedaagde] is het niet eens met de eis en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Bridgefund, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Bridgefund, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Bridgefund in de kosten van deze procedure. 4.4. [gedaagde] betwist de hoogte van de vordering van Installatiedienst en doet als verweer een beroep op verrekening. [gedaagde] betoogt dat zij een vordering heeft op Installatiedienst, die bestaat uit de schade die zij heeft geleden als gevolg van het faillissement van Installatiedienst en door haar geconstateerde gebreken in de door Installatiedienst uitgevoerde werkzaamheden. Die vordering overstijgt de vordering van Installatiedienst op [gedaagde] en moet met die vordering worden verrekend. 5 De beoordeling 5.1. Partijen zijn het er in deze procedure over eens dat Bridgefund een pandrecht heeft op de vorderingen van Installatiedienst en dat Installatiedienst een vordering heeft op [gedaagde] . Partijen zijn het er ook over eens dat [gedaagde] een eventuele tegenvordering op Installatiedienst op grond van artikel 53 Fw kan verrekenen met de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst. Het gaat in deze zaak dan ook in de eerste plaats om het vaststellen van de hoogte van de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] . Vervolgens gaat het om de vraag of [gedaagde] een tegenvordering heeft op Installatiedienst die met de verpande vordering moet worden verrekend en, indien dit het geval is, wat de hoogte is van die tegenvordering. De rechtbank zal beide vorderingen in het hiernavolgende beoordelen. De aan Bridgefund verpande vordering bedraagt € 70.756,59 5.2. Het is volgens de algemene regels van het bewijsrecht in deze procedure aan Bridgefund om voldoende feiten te stellen waaruit blijkt dat Installatiedienst een vordering heeft op [gedaagde] . Bridgefund doet immers een beroep op de rechtsgevolgen van die feiten, te weten het bestaan van een betalingsverplichting van [gedaagde] tegenover Bridgefund als pandhouder van die vordering. 5.3. De rechtbank is van oordeel dat Bridgefund voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat Installatiedienst een vordering van € 70.756,59 heeft op [gedaagde] , die bestaat uit een bedrag van € 56.898,30 aan door [gedaagde] onbetaald gelaten facturen en een resttermijn van € 13.858,29, die door Installatiedienst nog gefactureerd moest worden. De rechtbank licht dit toe. 5.4. Bridgefund heeft de vordering van € 56.898,30 onderbouwd met een achttal facturen en de daarbij behorende termijnstaten die zij als productie 6 heeft overgelegd. Dit betreft de facturen met factuurnummers [factuurnummers] . Ter zitting is gebleken dat een aantal van deze facturen ontbreekt in het overzicht van [gedaagde] en dat [gedaagde] niet meer in staat is dit overzicht te controleren. De verschuldigdheid van de facturen volgt echter niet alleen uit de facturen zelf, maar ook uit de termijnstaten die aan die facturen ten grondslag liggen. Ter zitting heeft Bridgefund onbetwist toegelicht dat die termijnstaten zien op door Installatiedienst opgeleverde werkzaamheden.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4612 text/xml public 2026-05-13T10:49:53 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-01 C/10/699461 / HA ZA 25-389 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4612 text/html public 2026-05-13T10:49:10 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4612 Rechtbank Rotterdam , 01-04-2026 / C/10/699461 / HA ZA 25-389 De rechtbank bepaalt de hoogte van van de vordering die eiseres als pandhouder heeft op gedaagde, en verrekent de schadevergoedingsvordering die gedaagde op de pandgever heeft met deze vordering. RECHTBANK Rotterdam team handel en haven Zaaknummer: C/10/699461 / HA ZA 25-389 Vonnis van 1 april 2026 in de zaak van BRIDGEFUND B.V. , gevestigd te Amsterdam eiseres, advocaat: mr. S.A. Hattink, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd te Barendrecht, gedaagde, advocaat: mr. S.A. van Leeuwen. Partijen worden hierna ook “Bridgefund” en “ [gedaagde] ” genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. In deze zaak gaat het om een aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] uit hoofde van een aannemingsovereenkomst. [gedaagde] betwist de hoogte van de vordering van Installatiedienst en betoogt dat zij een vordering op Installatiedienst heeft die met die vordering moet worden verrekend. De vordering van [gedaagde] bestaat uit de schade die [gedaagde] heeft geleden als gevolg van het faillissement van Installatiedienst en als gevolg van het tekortschieten van Installatiedienst in de door haar verrichte werkzaamheden. 1.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] 70.756,59 bedraagt. Daarnaast komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde] een schadevergoedingsvordering op Installatiedienst heeft van € 18.227,-. De rechtbank verrekent de schadevergoedingsvordering van [gedaagde] met de aan Bridgefund verpande vordering en wijst de vordering van Bridgefund toe tot een bedrag van 52.029,59. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 11 april 2025, met productie 1 t/m 9; het vonnis in incident van 17 september 2025 en de daarin genoemde stukken; de conclusie van antwoord, met productie 1 t/m 6; de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; de e-mail van de rechtbank met een zittingsagenda; de akte aanvullende producties van Bridgefund met productie 10 t/m 14; de akte aanvullende producties van [gedaagde] met productie 7 t/m 9; de e-mail van Bridgefund met bijlage 12 bij productie 8 en een verduidelijking van productie 7; de mondelinge behandeling van 20 februari 2026, en daarbij door Bridgefund gebruikte spreekaantekeningen. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. Bridgefund heeft een pandrecht op de vorderingen van Installatiedienst B.V. (hierna “Installatiedienst”). 3.2. [gedaagde] heeft op 21 december 2021 een aannemingsovereenkomst gesloten met Installatiedienst B.V. (“Installatiedienst”) op grond waarvan Installatiedienst mechanische ventilatie-installaties en badkamers, keukens en toiletten voor [gedaagde] zou leveren en aanbrengen ten behoeve van een project in Hoogvliet, bestaande uit 277 woningen (hierna “de aannemingsovereenkomst”). Daarnaast zou Installatiedienst op basis van meerwerk elektra-aansluitingen aanleggen in de berging van een aantal van die woningen. 3.3. In de aannemingsovereenkomst zijn de UAV’12 van toepassing verklaard. De UAV’12 bepalen in paragraaf 12 (onder andere): “ Na de dag, waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in § 10, eerste of tweede lid, als opgeleverd wordt beschouwd, is de aannemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het werk (…)”. 3.4. Installatiedienst heeft voor haar werkzaamheden verschillende facturen aan [gedaagde] toegestuurd. [gedaagde] heeft een deel van die facturen onbetaald gelaten. 3.5. Op 13 december 2022 is Installatiedienst in staat van faillissement verklaard. Op dat moment waren de werkzaamheden die Installatiedienst voor [gedaagde] zou verrichten nog niet volledig afgerond. 4 Het geschil 4.1. Bridgefund vordert in deze procedure veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 65.936,58,-, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 4.2. Bridgefund legt aan haar vordering ten grondslag dat zij een pandrecht heeft op de vorderingen van Installatiedienst en dat Installatiedienst uit hoofde van de aannemingsovereenkomst een vordering op [gedaagde] heeft van € 70.756,59. Bridgefund heeft dit bedrag verminderd met een bedrag van € 10.756,59 als tegemoetkoming voor de mogelijk door [gedaagde] gemaakte kosten als gevolg van het faillissement van Installatiedienst. Bridgefund vordert in deze procedure dan ook een bedrag van € 60.000,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.482,57. 4.3. [gedaagde] is het niet eens met de eis en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Bridgefund, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Bridgefund, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Bridgefund in de kosten van deze procedure. 4.4. [gedaagde] betwist de hoogte van de vordering van Installatiedienst en doet als verweer een beroep op verrekening. [gedaagde] betoogt dat zij een vordering heeft op Installatiedienst, die bestaat uit de schade die zij heeft geleden als gevolg van het faillissement van Installatiedienst en door haar geconstateerde gebreken in de door Installatiedienst uitgevoerde werkzaamheden. Die vordering overstijgt de vordering van Installatiedienst op [gedaagde] en moet met die vordering worden verrekend. 5 De beoordeling 5.1. Partijen zijn het er in deze procedure over eens dat Bridgefund een pandrecht heeft op de vorderingen van Installatiedienst en dat Installatiedienst een vordering heeft op [gedaagde] . Partijen zijn het er ook over eens dat [gedaagde] een eventuele tegenvordering op Installatiedienst op grond van artikel 53 Fw kan verrekenen met de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst. Het gaat in deze zaak dan ook in de eerste plaats om het vaststellen van de hoogte van de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] . Vervolgens gaat het om de vraag of [gedaagde] een tegenvordering heeft op Installatiedienst die met de verpande vordering moet worden verrekend en, indien dit het geval is, wat de hoogte is van die tegenvordering. De rechtbank zal beide vorderingen in het hiernavolgende beoordelen. De aan Bridgefund verpande vordering bedraagt € 70.756,59 5.2. Het is volgens de algemene regels van het bewijsrecht in deze procedure aan Bridgefund om voldoende feiten te stellen waaruit blijkt dat Installatiedienst een vordering heeft op [gedaagde] . Bridgefund doet immers een beroep op de rechtsgevolgen van die feiten, te weten het bestaan van een betalingsverplichting van [gedaagde] tegenover Bridgefund als pandhouder van die vordering. 5.3. De rechtbank is van oordeel dat Bridgefund voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat Installatiedienst een vordering van € 70.756,59 heeft op [gedaagde] , die bestaat uit een bedrag van € 56.898,30 aan door [gedaagde] onbetaald gelaten facturen en een resttermijn van € 13.858,29, die door Installatiedienst nog gefactureerd moest worden. De rechtbank licht dit toe. 5.4. Bridgefund heeft de vordering van € 56.898,30 onderbouwd met een achttal facturen en de daarbij behorende termijnstaten die zij als productie 6 heeft overgelegd. Dit betreft de facturen met factuurnummers [factuurnummers] . Ter zitting is gebleken dat een aantal van deze facturen ontbreekt in het overzicht van [gedaagde] en dat [gedaagde] niet meer in staat is dit overzicht te controleren. De verschuldigdheid van de facturen volgt echter niet alleen uit de facturen zelf, maar ook uit de termijnstaten die aan die facturen ten grondslag liggen. Ter zitting heeft Bridgefund onbetwist toegelicht dat die termijnstaten zien op door Installatiedienst opgeleverde werkzaamheden.
Volledig
Die termijnstaten vermelden die opgeleverde werkzaamheden en het bedrag dat Installatiedienst daarvoor zal factureren. De bedragen op de door Bridgefund gevorderde facturen komen overeen met de bedragen op de bij die facturen behorende termijnstaten. Die termijnstaten zijn bovendien door zowel Installatiedienst als [gedaagde] ondertekend. Daarmee heeft Bridgefund naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd gesteld dat [gedaagde] het totaalbedrag van die facturen (€ 56.898,30) aan Installatiedienst verschuldigd is. 5.5. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van dat bedrag onvoldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft aangevoerd dat Bridgefund ten onrechte geen rekening heeft gehouden met betalingen van in totaal € 14.926,57 die [gedaagde] op 12 december 2022 aan Installatiedienst heeft gedaan. Uit de door [gedaagde] overgelegde productie 1 blijkt dat haar betalingen van 12 december 2022 betrekking hadden op de facturen met factuurnummers [factuurnummers] . Die facturen legt Bridgefund echter niet aan haar vordering ten grondslag (en Bridgefund heeft ter zitting ook erkend dat die facturen zijn voldaan). Die betalingen kunnen dan ook niet tot de conclusie leiden dat [gedaagde] al een deel van de door Bridgefund gevorderde facturen heeft betaald. 5.6. Bridgefund betoogt dat [gedaagde] naast het bedrag aan openstaande facturen nog een bedrag van € 13.858,29 aan Installatiedienst verschuldigd is. Dit bedrag ziet op een resttermijn van 5% die in eerste instantie op de door Installatiedienst verstuurde facturen werd ingehouden. In haar conclusie van antwoord heeft [gedaagde] betwist dat er een contractuele grondslag bestaat voor de door Bridgefund gevorderde resttermijn van 5%. Ter zitting heeft [gedaagde] echter erkend dat inderdaad sprake was een afspraak tussen [gedaagde] en Installatiedienst op grond waarvan Installatiedienst een resttermijn van 5% op haar facturen inhield, die na een bepaalde periode na oplevering en facturering alsnog in rekening zou worden gebracht. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid en de hoogte van de door Bridgefund gevorderde resttermijn niet betwist en de rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] de door Bridgefund gevorderde resttermijn van € 13.858,29 verschuldigd is. [gedaagde] heeft een met de verpande vordering te verrekenen vordering van € 18.227,- 5.7. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] € 70.756,59 bedraagt. Voor de vraag of de vordering van Bridgefund toewijsbaar is, is dan ook van belang of [gedaagde] een vordering op Installatiedienst heeft die met die vordering moet worden verrekend en of die vordering het bedrag van € 10.756,59, waarmee Bridgefund haar vordering reeds heeft verminderd, overstijgt. Het is volgens de algemene regels van het bewijsrecht in deze procedure aan [gedaagde] om voldoende feiten te stellen waaruit blijkt dat zij een tegenvordering heeft op Installatiedienst. [gedaagde] is immers de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van die feiten, namelijk verrekening van die tegenvordering met de vordering van Installatiedienst op [gedaagde] , en daarmee het tenietgaan van haar betalingsverplichting tegenover Bridgefund (als pandhouder van die vordering). 5.8. [gedaagde] betoogt dat zij een verrekenbare tegenvordering heeft op Installatiedienst van in totaal € 81.698,58. Aan die tegenvordering legt [gedaagde] ten grondslag dat Installatiedienst op de faillissementsdatum nog niet alle overeengekomen werkzaamheden had uitgevoerd, als gevolg waarvan [gedaagde] nog werkzaamheden door derden heeft moeten laten uitvoeren. Daarnaast heeft [gedaagde] gebreken in het werk van Installatiedienst moeten laten herstellen. Daarmee betoogt [gedaagde] dat Installatiedienst is tekortgeschoten in haar verplichtingen onder de aannemingsovereenkomst, en op grond van artikel 6:74 BW verplicht is de schade die [gedaagde] als gevolg van die tekortkoming heeft geleden te vergoeden. De rechtbank zal de door [gedaagde] gestelde schadeposten hierna afzonderlijk beoordelen. [gedaagde] heeft geen vordering op Installatiedienst uit hoofde van door [gedaagde] overgenomen garanties 5.9. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in haar betoog dat zij als gevolg van het faillissement schade heeft geleden doordat zij de garanties op het door Installatiedienst geleverde werk heeft moeten overnemen. Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat deze schade eruit bestaat dat zij de garanties die zij met haar opdrachtgevers is overeengekomen niet meer kan doorleggen aan Installatiedienst als haar onderaannemer. [gedaagde] begroot de schade die zij daardoor heeft geleden op 3% van de totale aanneemsom die zij aan Installatiedienst heeft betaald en daarmee op € 27.885,70. [gedaagde] heeft echter niet toegelicht welke garanties zij heeft afgegeven aan haar opdrachtgever, en in hoeverre zij deze garanties had doorgelegd aan Installatiedienst. Zij heeft ook niet gesteld dat sinds de oplevering van het werk door Installatiedienst in 2022 daadwerkelijk sprake is geweest van ingeroepen garanties, die zagen op het door Installatiedienst opgeleverde werk. [gedaagde] heeft ten slotte aangegeven dat zij niet weet of de garantietermijnen momenteel nog lopen. Dit alles maakt naar het oordeel van de rechtbank dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van het overnemen van de garanties op het werk van Installatiedienst. [gedaagde] heeft een vordering van € 4.408,- op Installatiedienst vanwege het ontbreken van 110 meetrapporten 5.10. [gedaagde] betoogt dat zij schade heeft geleden doordat Installatiedienst niet heeft voldaan aan haar verplichting onder de aannemingsovereenkomst tot het aanleveren van meetrapportages van de door haar opgeleverde mechanische ventilaties. Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat zij wel beschikking had over een Excelbestand met ingevulde meetgegevens. De in dat Excelbestand ingevulde meetgegevens bleken echter niet te kloppen, en dat Excelbestand kwalificeert ook niet als meetrapportage in de zin van de aannemingsovereenkomst. [gedaagde] heeft dan ook opdracht gegeven tot het nalopen van alle opgeleverde mechanische ventilaties. Zij heeft daarvoor kosten gemaakt van € 10.660,-. 5.11. Bridgefund heeft niet betwist dat Installatiedienst verplicht was meetrapportages van de mechanische ventilaties aan te leveren. Volgens Bridgefund volgt uit het door haar als productie overgelegde Excelbestand echter dat Installatiedienst meetrapportages van 156 mechanische ventilaties heeft afgeleverd. Die Excelbestanden bevatten namelijk de ingevulde meetgegevens van 156 mechanische ventilaties. 5.12. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat Installatiedienst ten aanzien van 156 mechanische ventilaties heeft voldaan haar verplichting tot het verstrekken van meetrapportages. [gedaagde] heeft immers erkend dat zij beschikking had over meetgegevens, en zij heeft onvoldoende toegelicht waarom het Excelbestand met meetgegevens niet zou voldoen aan de eisen van een meetrapportage als bedoeld in de aannemingsovereenkomst. [gedaagde] heeft in dat kader aangevoerd dat de ingevulde gegevens niet klopten, omdat deze niet overeen kwamen met de door hen gemeten resultaten. Bridgefund heeft daar echter tegen ingebracht dat de verschillen in meetresultaten kunnen worden verklaard, omdat de metingen momentopnames betreffen. 5.13. Tussen partijen is niet in geschil dat Installatiedienst ten tijde van haar faillissement 266 mechanische ventilaties had opgeleverd. Nu Bridgefund slechts heeft gesteld dat ten aanzien van 156 meetrapportages zijn opgeleverd stelt de rechtbank vast dat 110 meetrapportages ontbraken. Dit betekent dat Installatiedienst ten aanzien van 110 mechanische ventilaties tekort is geschoten in haar verplichtingen onder de aannemingsovereenkomst in de zin van artikel 6:74 BW. Installatiedienst dient de als gevolg daarvan door [gedaagde] geleden schade te vergoeden. De rechtbank begroot die schade als volgt. 5.14.
Volledig
Die termijnstaten vermelden die opgeleverde werkzaamheden en het bedrag dat Installatiedienst daarvoor zal factureren. De bedragen op de door Bridgefund gevorderde facturen komen overeen met de bedragen op de bij die facturen behorende termijnstaten. Die termijnstaten zijn bovendien door zowel Installatiedienst als [gedaagde] ondertekend. Daarmee heeft Bridgefund naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd gesteld dat [gedaagde] het totaalbedrag van die facturen (€ 56.898,30) aan Installatiedienst verschuldigd is. 5.5. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van dat bedrag onvoldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft aangevoerd dat Bridgefund ten onrechte geen rekening heeft gehouden met betalingen van in totaal € 14.926,57 die [gedaagde] op 12 december 2022 aan Installatiedienst heeft gedaan. Uit de door [gedaagde] overgelegde productie 1 blijkt dat haar betalingen van 12 december 2022 betrekking hadden op de facturen met factuurnummers [factuurnummers] . Die facturen legt Bridgefund echter niet aan haar vordering ten grondslag (en Bridgefund heeft ter zitting ook erkend dat die facturen zijn voldaan). Die betalingen kunnen dan ook niet tot de conclusie leiden dat [gedaagde] al een deel van de door Bridgefund gevorderde facturen heeft betaald. 5.6. Bridgefund betoogt dat [gedaagde] naast het bedrag aan openstaande facturen nog een bedrag van € 13.858,29 aan Installatiedienst verschuldigd is. Dit bedrag ziet op een resttermijn van 5% die in eerste instantie op de door Installatiedienst verstuurde facturen werd ingehouden. In haar conclusie van antwoord heeft [gedaagde] betwist dat er een contractuele grondslag bestaat voor de door Bridgefund gevorderde resttermijn van 5%. Ter zitting heeft [gedaagde] echter erkend dat inderdaad sprake was een afspraak tussen [gedaagde] en Installatiedienst op grond waarvan Installatiedienst een resttermijn van 5% op haar facturen inhield, die na een bepaalde periode na oplevering en facturering alsnog in rekening zou worden gebracht. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid en de hoogte van de door Bridgefund gevorderde resttermijn niet betwist en de rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] de door Bridgefund gevorderde resttermijn van € 13.858,29 verschuldigd is. [gedaagde] heeft een met de verpande vordering te verrekenen vordering van € 18.227,- 5.7. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] € 70.756,59 bedraagt. Voor de vraag of de vordering van Bridgefund toewijsbaar is, is dan ook van belang of [gedaagde] een vordering op Installatiedienst heeft die met die vordering moet worden verrekend en of die vordering het bedrag van € 10.756,59, waarmee Bridgefund haar vordering reeds heeft verminderd, overstijgt. Het is volgens de algemene regels van het bewijsrecht in deze procedure aan [gedaagde] om voldoende feiten te stellen waaruit blijkt dat zij een tegenvordering heeft op Installatiedienst. [gedaagde] is immers de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van die feiten, namelijk verrekening van die tegenvordering met de vordering van Installatiedienst op [gedaagde] , en daarmee het tenietgaan van haar betalingsverplichting tegenover Bridgefund (als pandhouder van die vordering). 5.8. [gedaagde] betoogt dat zij een verrekenbare tegenvordering heeft op Installatiedienst van in totaal € 81.698,58. Aan die tegenvordering legt [gedaagde] ten grondslag dat Installatiedienst op de faillissementsdatum nog niet alle overeengekomen werkzaamheden had uitgevoerd, als gevolg waarvan [gedaagde] nog werkzaamheden door derden heeft moeten laten uitvoeren. Daarnaast heeft [gedaagde] gebreken in het werk van Installatiedienst moeten laten herstellen. Daarmee betoogt [gedaagde] dat Installatiedienst is tekortgeschoten in haar verplichtingen onder de aannemingsovereenkomst, en op grond van artikel 6:74 BW verplicht is de schade die [gedaagde] als gevolg van die tekortkoming heeft geleden te vergoeden. De rechtbank zal de door [gedaagde] gestelde schadeposten hierna afzonderlijk beoordelen. [gedaagde] heeft geen vordering op Installatiedienst uit hoofde van door [gedaagde] overgenomen garanties 5.9. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in haar betoog dat zij als gevolg van het faillissement schade heeft geleden doordat zij de garanties op het door Installatiedienst geleverde werk heeft moeten overnemen. Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat deze schade eruit bestaat dat zij de garanties die zij met haar opdrachtgevers is overeengekomen niet meer kan doorleggen aan Installatiedienst als haar onderaannemer. [gedaagde] begroot de schade die zij daardoor heeft geleden op 3% van de totale aanneemsom die zij aan Installatiedienst heeft betaald en daarmee op € 27.885,70. [gedaagde] heeft echter niet toegelicht welke garanties zij heeft afgegeven aan haar opdrachtgever, en in hoeverre zij deze garanties had doorgelegd aan Installatiedienst. Zij heeft ook niet gesteld dat sinds de oplevering van het werk door Installatiedienst in 2022 daadwerkelijk sprake is geweest van ingeroepen garanties, die zagen op het door Installatiedienst opgeleverde werk. [gedaagde] heeft ten slotte aangegeven dat zij niet weet of de garantietermijnen momenteel nog lopen. Dit alles maakt naar het oordeel van de rechtbank dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van het overnemen van de garanties op het werk van Installatiedienst. [gedaagde] heeft een vordering van € 4.408,- op Installatiedienst vanwege het ontbreken van 110 meetrapporten 5.10. [gedaagde] betoogt dat zij schade heeft geleden doordat Installatiedienst niet heeft voldaan aan haar verplichting onder de aannemingsovereenkomst tot het aanleveren van meetrapportages van de door haar opgeleverde mechanische ventilaties. Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat zij wel beschikking had over een Excelbestand met ingevulde meetgegevens. De in dat Excelbestand ingevulde meetgegevens bleken echter niet te kloppen, en dat Excelbestand kwalificeert ook niet als meetrapportage in de zin van de aannemingsovereenkomst. [gedaagde] heeft dan ook opdracht gegeven tot het nalopen van alle opgeleverde mechanische ventilaties. Zij heeft daarvoor kosten gemaakt van € 10.660,-. 5.11. Bridgefund heeft niet betwist dat Installatiedienst verplicht was meetrapportages van de mechanische ventilaties aan te leveren. Volgens Bridgefund volgt uit het door haar als productie overgelegde Excelbestand echter dat Installatiedienst meetrapportages van 156 mechanische ventilaties heeft afgeleverd. Die Excelbestanden bevatten namelijk de ingevulde meetgegevens van 156 mechanische ventilaties. 5.12. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat Installatiedienst ten aanzien van 156 mechanische ventilaties heeft voldaan haar verplichting tot het verstrekken van meetrapportages. [gedaagde] heeft immers erkend dat zij beschikking had over meetgegevens, en zij heeft onvoldoende toegelicht waarom het Excelbestand met meetgegevens niet zou voldoen aan de eisen van een meetrapportage als bedoeld in de aannemingsovereenkomst. [gedaagde] heeft in dat kader aangevoerd dat de ingevulde gegevens niet klopten, omdat deze niet overeen kwamen met de door hen gemeten resultaten. Bridgefund heeft daar echter tegen ingebracht dat de verschillen in meetresultaten kunnen worden verklaard, omdat de metingen momentopnames betreffen. 5.13. Tussen partijen is niet in geschil dat Installatiedienst ten tijde van haar faillissement 266 mechanische ventilaties had opgeleverd. Nu Bridgefund slechts heeft gesteld dat ten aanzien van 156 meetrapportages zijn opgeleverd stelt de rechtbank vast dat 110 meetrapportages ontbraken. Dit betekent dat Installatiedienst ten aanzien van 110 mechanische ventilaties tekort is geschoten in haar verplichtingen onder de aannemingsovereenkomst in de zin van artikel 6:74 BW. Installatiedienst dient de als gevolg daarvan door [gedaagde] geleden schade te vergoeden. De rechtbank begroot die schade als volgt. 5.14.
Volledig
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij voor alle 266 mechanische ventilaties meetrapporten heeft laten opstellen en dat zij daarvoor kosten heeft gemaakt van € 10.660,-. Dit komt neer op een bedrag van € 40,08 per rapport. De rechtbank zal de schade die [gedaagde] heeft geleden als gevolg van het ontbreken van 110 meetrapportages daarom naar redelijkheid begroten op een bedrag van € 4.408,-. [gedaagde] heeft geen vordering op Installatiedienst vanwege gebreken aan de mechanische ventilaties 5.15. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in haar betoog dat zij een verrekenbare vordering heeft op Installatiedienst uit hoofde van door haar geconstateerde gebreken aan de mechanische ventilaties. Bridgefund heeft namelijk een beroep gedaan op paragraaf 12.1 van de UAV waaruit volgt dat Installatiedienst na oplevering niet meer aansprakelijk is voor tekortkomingen aan het werk en [gedaagde] heeft dit niet betwist. De rechtbank volgt [gedaagde] ook niet in haar betoog dat Bridgefund geen beroep kan doen op de UAV, omdat Bridgefund zelf geen partij is bij de aannemingsovereenkomst. Het gaat in deze procedure immers om de vraag of [gedaagde] een vordering heeft op Installatiedienst die moet worden verrekend met de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] . Daarbij gaat het dus om de vraag of Installatiedienst tegenover [gedaagde] een beroep zou hebben kunnen doen op artikel 12.1 van de UAV. Bridgefund kan zich in deze procedure dan ook beroepen op het verweer dat Installatiedienst op grond van artikel 12.1 niet aansprakelijk is voor de na oplevering door [gedaagde] geconstateerde gebreken. Hieraan staat niet in de weg dat (Bridgefund eerder in deze procedure succesvol heeft aangevoerd dat) [gedaagde] zich niet op het arbitragebeding uit de UAV kan beroepen omdat dit beding niet jegens Bridgefund geldt. [gedaagde] heeft geen vordering op Installatiedienst vanwege het ontbreken van revisietekeningen 5.16. De rechtbank volgt [gedaagde] ook niet in haar betoog dat zij schade heeft geleden, omdat Installatiedienst niet heeft voldaan aan haar contractuele verplichting tot het ter beschikking stellen van revisietekeningen aan [gedaagde] . Bridgefund heeft namelijk betwist dat Installatiedienst op grond van de aannemingsovereenkomst verplicht was dergelijke revisietekeningen ter beschikking te stellen en [gedaagde] heeft het bestaan van een dergelijke verplichting onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. [gedaagde] heeft in dat kader verwezen naar de volgende passage uit de aannemingsovereenkomst: “ Voor zover de opdrachtgever de opdrachtnemer niet voorziet van de benodigde (detail-)tekeningen, dient de opdrachtnemer op basis van de door de opdrachtgever overhandigde tekeningen, en eventuele aanwezige detailtekeningen, zelf zorg te dragen voor de productie en/of de voor de opgedragen levering/werkzaamheden benodigde tekeningen, detailtekeningen en revisietekeningen en de daarbij behorende berekeningen .” Uit die passage kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden afgeleid dat Installatiedienst zelf zorg diende te dragen voor de door haar benodigde detailtekeningen als die tekeningen niet door [gedaagde] werden verstrekt. Daaruit volgt echter niet dat Installatiedienst op grond van de aannemingsovereenkomst verplicht was revisietekeningen aan [gedaagde] ter beschikking te stellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Installatiedienst niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de aannemingsovereenkomst door geen revisietekeningen aan [gedaagde] ter beschikking te stellen. [gedaagde] heeft een vordering op Installatiedienst vanwege het ontbreken van gas afpersrapporten van € 2.500,- 5.17. [gedaagde] heeft onbetwist aangevoerd dat Installatiedienst gas afpersrapporten zou aanleveren voor de 54 woningen waarvan de keuken is vervangen, en dat zij slechts 14 van dergelijke rapporten heeft ontvangen. Zij betoogt verder dat zij kosten van in totaal € 3.000,- heeft gemaakt voor het laten opstellen van de overige 40 rapporten. [gedaagde] heeft deze kosten niet onderbouwd en Bridgefund heeft ter zitting betwist dat [gedaagde] deze kosten heeft gemaakt. Tussen partijen staat echter vast dat Installatiedienst slechts 14 van de 54 door haar af te leveren afpersrapporten heeft afgeleverd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Installatiedienst ten aanzien van 40 woningen is tekortgeschoten in haar verplichtingen onder de aannemingsovereenkomst en acht het aannemelijk dat [gedaagde] daardoor schade heeft geleden. De door [gedaagde] gestelde schade komt neer op een bedrag van € 75,- per afpersrapport. Bridgefund heeft in haar dagvaarding aangevoerd dat zij een bedrag van € 50,- redelijk acht. De rechtbank zal naar redelijkheid uitgaan van het gemiddelde van die bedragen en dus van een bedrag van € 62,50 per rapport. Dit betekent dat [gedaagde] een schadevergoedingsvordering van € 2.500,- op Installatiedienst heeft uit hoofde van de ontbrekende afpersrapporten. [gedaagde] heeft geen vordering op Installatiedienst vanwege gebreken aan elektra aansluitingen 5.18. [gedaagde] betoogt dat zij na oplevering een groot aantal klachten heeft ontvangen over de door Installatiedienst opgeleverde elektra-aansluitingen. Als gevolg daarvan heeft [gedaagde] de elektra-aansluitingen in de schuren van 120 woningen moeten controleren en herstellen. De kosten die [gedaagde] daarvoor heeft moeten maken bedragen € 23.025,-. Bridgefund betwist dat er herstelwerkzaamheden nodig waren. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit volgt dat Installatiedienst tekort is geschoten in haar werkzaamheden ten aanzien van de door haar opgeleverde elektra-aansluitingen in de schuren. [gedaagde] heeft bijvoorbeeld geen e-mails of telefoonnotities overgelegd waaruit volgt dat zij klachten van bewoners heeft ontvangen. Zij heeft ook niet toegelicht wat maakt dat de elektra-aansluitingen gebrekkig waren. Dat had, gelet op de betwisting van Bridgefund, wel op de weg van [gedaagde] gelegen. [gedaagde] heeft een vordering van € 11.319,- op Installatiedienst bestaande uit de als gevolg van het faillissement van Installatiedienst gemaakte coördinatiekosten 5.19. [gedaagde] heeft ten slotte aangevoerd dat zij als gevolg van het faillissement van Installatiedienst kosten heeft moeten maken voor het inschakelen van een bewonersconsulent. Die kosten heeft zij onderbouwd met een uittreksel uit haar boekhoudsysteem en verschillende door deze bewonersconsulent aan haar verstuurde facturen voor een totaalbedrag van € 11.319,-. Ter zitting heeft [gedaagde] onbetwist toegelicht dat zij die kosten niet zou hebben gemaakt als Installatiedienst de werkzaamheden zelf had afgerond. Deze kosten betreffen naar het oordeel van de rechtbank dan ook schade in de zin van artikel 6:74 BW die Installatiedienst aan [gedaagde] moet vergoeden. [gedaagde] moet een bedrag van € 52.529,59 aan Bridgefund betalen 5.20. Uit het voorgaande volgt dat de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] € 70.756,59 bedraagt en dat [gedaagde] een schadevergoedingsvordering op Installatiedienst heeft van € 18.227,-. Die tegenvordering is dus € 7.470,41 hoger dan het bedrag van 10.756,59 dat Bridgefund reeds in minder had gebracht op haar vordering. De rechtbank zal het bedrag van € 18.227,- verrekenen met de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] . Dit betekent dat de rechtbank de vordering van Bridgefund op [gedaagde] toewijst tot een bedrag van € 52.529,59. [gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten van € 1.300,30 betalen 5.21. [gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen. Bridgefund heeft immers gemotiveerd gesteld dat zij incassokosten heeft gemaakt en [gedaagde] heeft dat niet betwist. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 6:96 BW voor toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 1.300,30 toewijzen. [gedaagde] moet wettelijke handelsrente betalen 5.22.
Volledig
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij voor alle 266 mechanische ventilaties meetrapporten heeft laten opstellen en dat zij daarvoor kosten heeft gemaakt van € 10.660,-. Dit komt neer op een bedrag van € 40,08 per rapport. De rechtbank zal de schade die [gedaagde] heeft geleden als gevolg van het ontbreken van 110 meetrapportages daarom naar redelijkheid begroten op een bedrag van € 4.408,-. [gedaagde] heeft geen vordering op Installatiedienst vanwege gebreken aan de mechanische ventilaties 5.15. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in haar betoog dat zij een verrekenbare vordering heeft op Installatiedienst uit hoofde van door haar geconstateerde gebreken aan de mechanische ventilaties. Bridgefund heeft namelijk een beroep gedaan op paragraaf 12.1 van de UAV waaruit volgt dat Installatiedienst na oplevering niet meer aansprakelijk is voor tekortkomingen aan het werk en [gedaagde] heeft dit niet betwist. De rechtbank volgt [gedaagde] ook niet in haar betoog dat Bridgefund geen beroep kan doen op de UAV, omdat Bridgefund zelf geen partij is bij de aannemingsovereenkomst. Het gaat in deze procedure immers om de vraag of [gedaagde] een vordering heeft op Installatiedienst die moet worden verrekend met de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] . Daarbij gaat het dus om de vraag of Installatiedienst tegenover [gedaagde] een beroep zou hebben kunnen doen op artikel 12.1 van de UAV. Bridgefund kan zich in deze procedure dan ook beroepen op het verweer dat Installatiedienst op grond van artikel 12.1 niet aansprakelijk is voor de na oplevering door [gedaagde] geconstateerde gebreken. Hieraan staat niet in de weg dat (Bridgefund eerder in deze procedure succesvol heeft aangevoerd dat) [gedaagde] zich niet op het arbitragebeding uit de UAV kan beroepen omdat dit beding niet jegens Bridgefund geldt. [gedaagde] heeft geen vordering op Installatiedienst vanwege het ontbreken van revisietekeningen 5.16. De rechtbank volgt [gedaagde] ook niet in haar betoog dat zij schade heeft geleden, omdat Installatiedienst niet heeft voldaan aan haar contractuele verplichting tot het ter beschikking stellen van revisietekeningen aan [gedaagde] . Bridgefund heeft namelijk betwist dat Installatiedienst op grond van de aannemingsovereenkomst verplicht was dergelijke revisietekeningen ter beschikking te stellen en [gedaagde] heeft het bestaan van een dergelijke verplichting onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. [gedaagde] heeft in dat kader verwezen naar de volgende passage uit de aannemingsovereenkomst: “ Voor zover de opdrachtgever de opdrachtnemer niet voorziet van de benodigde (detail-)tekeningen, dient de opdrachtnemer op basis van de door de opdrachtgever overhandigde tekeningen, en eventuele aanwezige detailtekeningen, zelf zorg te dragen voor de productie en/of de voor de opgedragen levering/werkzaamheden benodigde tekeningen, detailtekeningen en revisietekeningen en de daarbij behorende berekeningen .” Uit die passage kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden afgeleid dat Installatiedienst zelf zorg diende te dragen voor de door haar benodigde detailtekeningen als die tekeningen niet door [gedaagde] werden verstrekt. Daaruit volgt echter niet dat Installatiedienst op grond van de aannemingsovereenkomst verplicht was revisietekeningen aan [gedaagde] ter beschikking te stellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Installatiedienst niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de aannemingsovereenkomst door geen revisietekeningen aan [gedaagde] ter beschikking te stellen. [gedaagde] heeft een vordering op Installatiedienst vanwege het ontbreken van gas afpersrapporten van € 2.500,- 5.17. [gedaagde] heeft onbetwist aangevoerd dat Installatiedienst gas afpersrapporten zou aanleveren voor de 54 woningen waarvan de keuken is vervangen, en dat zij slechts 14 van dergelijke rapporten heeft ontvangen. Zij betoogt verder dat zij kosten van in totaal € 3.000,- heeft gemaakt voor het laten opstellen van de overige 40 rapporten. [gedaagde] heeft deze kosten niet onderbouwd en Bridgefund heeft ter zitting betwist dat [gedaagde] deze kosten heeft gemaakt. Tussen partijen staat echter vast dat Installatiedienst slechts 14 van de 54 door haar af te leveren afpersrapporten heeft afgeleverd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Installatiedienst ten aanzien van 40 woningen is tekortgeschoten in haar verplichtingen onder de aannemingsovereenkomst en acht het aannemelijk dat [gedaagde] daardoor schade heeft geleden. De door [gedaagde] gestelde schade komt neer op een bedrag van € 75,- per afpersrapport. Bridgefund heeft in haar dagvaarding aangevoerd dat zij een bedrag van € 50,- redelijk acht. De rechtbank zal naar redelijkheid uitgaan van het gemiddelde van die bedragen en dus van een bedrag van € 62,50 per rapport. Dit betekent dat [gedaagde] een schadevergoedingsvordering van € 2.500,- op Installatiedienst heeft uit hoofde van de ontbrekende afpersrapporten. [gedaagde] heeft geen vordering op Installatiedienst vanwege gebreken aan elektra aansluitingen 5.18. [gedaagde] betoogt dat zij na oplevering een groot aantal klachten heeft ontvangen over de door Installatiedienst opgeleverde elektra-aansluitingen. Als gevolg daarvan heeft [gedaagde] de elektra-aansluitingen in de schuren van 120 woningen moeten controleren en herstellen. De kosten die [gedaagde] daarvoor heeft moeten maken bedragen € 23.025,-. Bridgefund betwist dat er herstelwerkzaamheden nodig waren. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit volgt dat Installatiedienst tekort is geschoten in haar werkzaamheden ten aanzien van de door haar opgeleverde elektra-aansluitingen in de schuren. [gedaagde] heeft bijvoorbeeld geen e-mails of telefoonnotities overgelegd waaruit volgt dat zij klachten van bewoners heeft ontvangen. Zij heeft ook niet toegelicht wat maakt dat de elektra-aansluitingen gebrekkig waren. Dat had, gelet op de betwisting van Bridgefund, wel op de weg van [gedaagde] gelegen. [gedaagde] heeft een vordering van € 11.319,- op Installatiedienst bestaande uit de als gevolg van het faillissement van Installatiedienst gemaakte coördinatiekosten 5.19. [gedaagde] heeft ten slotte aangevoerd dat zij als gevolg van het faillissement van Installatiedienst kosten heeft moeten maken voor het inschakelen van een bewonersconsulent. Die kosten heeft zij onderbouwd met een uittreksel uit haar boekhoudsysteem en verschillende door deze bewonersconsulent aan haar verstuurde facturen voor een totaalbedrag van € 11.319,-. Ter zitting heeft [gedaagde] onbetwist toegelicht dat zij die kosten niet zou hebben gemaakt als Installatiedienst de werkzaamheden zelf had afgerond. Deze kosten betreffen naar het oordeel van de rechtbank dan ook schade in de zin van artikel 6:74 BW die Installatiedienst aan [gedaagde] moet vergoeden. [gedaagde] moet een bedrag van € 52.529,59 aan Bridgefund betalen 5.20. Uit het voorgaande volgt dat de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] € 70.756,59 bedraagt en dat [gedaagde] een schadevergoedingsvordering op Installatiedienst heeft van € 18.227,-. Die tegenvordering is dus € 7.470,41 hoger dan het bedrag van 10.756,59 dat Bridgefund reeds in minder had gebracht op haar vordering. De rechtbank zal het bedrag van € 18.227,- verrekenen met de aan Bridgefund verpande vordering van Installatiedienst op [gedaagde] . Dit betekent dat de rechtbank de vordering van Bridgefund op [gedaagde] toewijst tot een bedrag van € 52.529,59. [gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten van € 1.300,30 betalen 5.21. [gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen. Bridgefund heeft immers gemotiveerd gesteld dat zij incassokosten heeft gemaakt en [gedaagde] heeft dat niet betwist. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 6:96 BW voor toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 1.300,30 toewijzen. [gedaagde] moet wettelijke handelsrente betalen 5.22.