Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-20
ECLI:NL:RBROT:2026:4509
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,835 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4509 text/xml public 2026-05-06T08:41:08 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-20 11971942 CV EXPL 25-25072 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4509 text/html public 2026-05-06T08:40:27 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4509 Rechtbank Rotterdam , 20-03-2026 / 11971942 CV EXPL 25-25072 Vonnis in incident. Afwijzing eis tot oproeping in vrijwaring. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11971942 CV EXPL 25-25072 datum uitspraak: 20 maart 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiseres] , woonplaats: [woonplaats] , eiseres, gemachtigde: mr. D. Uygul-van Dam, tegen 1 Albert Heijn B.V., vestigingsplaats: Zaandam, gedaagde, gemachtigde: mr. S. Vrij, en 2 OTTO Work Force B.V., vestigingsplaats: Venray, gedaagde, gemachtigde: mr. M. Bouman. De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘Albert Heijn’ en ‘OTTO’ genoemd. 1 De procedure Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaardingen van 11 en 13 november 2025; de brief van [eiseres] , met bijlagen 1 tot en met 8; het antwoord van Albert Heijn, met bijlagen 1 tot en met 8; de eis van OTTO in het incident tot oproeping in vrijwaring; het antwoord van [eiseres] in het incident. 2 De eis in de hoofdzaak 2.1. [eiseres] (die aanvankelijk in persoon procedeerde) eist (samengevat en zoals de kantonrechter haar eis begrijpt) in de hoofdzaak bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: een verklaring voor recht dat Albert Heijn en OTTO hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schade die zij in de uitoefening van haar werkzaamheden heeft geleden; een verklaring voor recht dat de beslissing om haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen onrechtmatig is althans in strijd is met goed werkgeverschap; Albert Heijn en OTTO hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan haar van € 140.000,- aan schadevergoeding (bestaande uit € 120.000,- aan immateriële schadevergoeding, € 10.000,- wegens inkomensverlies, € 5.000,- aan vergoeding medische kosten, en € 5.000,- aan buitengerechtelijke kosten) met de wettelijke rente hierover vanaf 23 oktober 2025; 4. een verklaring voor recht dat zij huurbescherming geniet op grond van artikel 7:269 BW; 5. dat het Albert Heijn en OTTO wordt verboden om haar uit het gehuurde te zetten, onder verbeurte van een dwangsom van € 200,- per dag dat dit verbod wordt overtreden; 6. dat een dwangsom wordt opgelegd van € 200,- per dag vertraging bij het niet tijdig indienen van processtukken; 7. Albert Heijn en OTTO hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten. 2.2. Albert Heijn is het niet eens met de eis. 2.3. OTTO heeft een eis in incident ingesteld. 3 De eis in incident 3.1. OTTO eist toestemming om Albert Heijn in vrijwaring op te roepen. OTTO stelt dat als zij in de hoofdzaak aansprakelijk gehouden wordt en veroordeeld wordt tot betaling van schadevergoeding aan [eiseres] , zij die vergoeding op Albert Heijn wil verhalen. In de onderlinge verhouding tussen OTTO en Albert Heijn, waarbij OTTO als uitlener [eiseres] ter beschikking heeft gesteld aan Albert Heijn om onder leiding en toezicht van Albert Heijn werkzaamheden uit te voeren en Albert Heijn de feitelijke zeggenschap heeft gehad over de werkzaamheden en de werkomstandigheden, dient Albert Heijn de schade te dragen, aldus OTTO. 3.2. [eiseres] is het niet eens met de eis. 4 De beoordeling In het incident 4.1. OTTO heeft gesteld dat als zij in de hoofzaak wordt veroordeeld om een bedrag te betalen aan [eiseres] , Albert Heijn dat bedrag aan haar moet betalen. Die betalings-verplichting staat op dit moment niet vast, want is weersproken door [eiseres] en OTTO heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van de gestelde betalingsverplichting. Geen reden wordt gezien om OTTO in de gelegenheid te stellen het gestelde alsnog te onderbouwen. Zoiets kan in bijzondere gevallen , maar daarvan is geen sprake. Bij deze stand van zaken wordt de eis in incident afgewezen. 4.2. OTTO moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiseres] op € 0,-. In de hoofdzaak 4.3. OTTO heeft nog niet gereageerd op de dagvaarding. Dat mag zij nog doen. 4.4. De kantonrechter wil de zaak met partijen bespreken op een zitting. Partijen krijgen op de zitting de mogelijkheid om hun kant van het verhaal te vertellen. Ook stelt de kantonrechter vragen en onderzoekt of de partijen samen tot een oplossing kunnen komen. 4.5. Bij het plannen van de zitting wil de rechtbank zoveel mogelijk rekening houden met de agenda van de partijen. Daarom wordt nu eerst aan de partijen gevraagd de kantonrechter te laten weten op welke ochtenden en/of middagen in de komende maanden zij echt niet naar een zitting kunnen komen. Ook wil de kantonrechter graag de e-mailadressen van de partijen ontvangen. 5 De beslissing De kantonrechter: in het incident 5.1. geeft OTTO geen toestemming om Albert Heijn in vrijwaring op te roepen; 5.2. veroordeelt OTTO in de kosten van dit incident, die tot vandaag worden vastgesteld op € 0,-; in de hoofdzaak 5.3. bepaalt dat OTTO op de rolzitting van woensdag 22 april 2026 om 11:30 uur mag reageren op de dagvaarding; 5.4. bepaalt dat partijen uiterlijk op woensdag 22 april 2026 om 11:30 uur moeten laten weten op welke ochtenden/middagen in de maanden mei tot en met oktober 2026 zij echt niet naar een zitting kunnen komen en hun e-mailadres moeten opgeven; 5.5. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken. 465 Artikel 208 lid 2 Rv
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4509 text/xml public 2026-05-06T08:41:08 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-20 11971942 CV EXPL 25-25072 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4509 text/html public 2026-05-06T08:40:27 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4509 Rechtbank Rotterdam , 20-03-2026 / 11971942 CV EXPL 25-25072 Vonnis in incident. Afwijzing eis tot oproeping in vrijwaring. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11971942 CV EXPL 25-25072 datum uitspraak: 20 maart 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiseres] , woonplaats: [woonplaats] , eiseres, gemachtigde: mr. D. Uygul-van Dam, tegen 1 Albert Heijn B.V., vestigingsplaats: Zaandam, gedaagde, gemachtigde: mr. S. Vrij, en 2 OTTO Work Force B.V., vestigingsplaats: Venray, gedaagde, gemachtigde: mr. M. Bouman. De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘Albert Heijn’ en ‘OTTO’ genoemd. 1 De procedure Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaardingen van 11 en 13 november 2025; de brief van [eiseres] , met bijlagen 1 tot en met 8; het antwoord van Albert Heijn, met bijlagen 1 tot en met 8; de eis van OTTO in het incident tot oproeping in vrijwaring; het antwoord van [eiseres] in het incident. 2 De eis in de hoofdzaak 2.1. [eiseres] (die aanvankelijk in persoon procedeerde) eist (samengevat en zoals de kantonrechter haar eis begrijpt) in de hoofdzaak bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: een verklaring voor recht dat Albert Heijn en OTTO hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schade die zij in de uitoefening van haar werkzaamheden heeft geleden; een verklaring voor recht dat de beslissing om haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen onrechtmatig is althans in strijd is met goed werkgeverschap; Albert Heijn en OTTO hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan haar van € 140.000,- aan schadevergoeding (bestaande uit € 120.000,- aan immateriële schadevergoeding, € 10.000,- wegens inkomensverlies, € 5.000,- aan vergoeding medische kosten, en € 5.000,- aan buitengerechtelijke kosten) met de wettelijke rente hierover vanaf 23 oktober 2025; 4. een verklaring voor recht dat zij huurbescherming geniet op grond van artikel 7:269 BW; 5. dat het Albert Heijn en OTTO wordt verboden om haar uit het gehuurde te zetten, onder verbeurte van een dwangsom van € 200,- per dag dat dit verbod wordt overtreden; 6. dat een dwangsom wordt opgelegd van € 200,- per dag vertraging bij het niet tijdig indienen van processtukken; 7. Albert Heijn en OTTO hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten. 2.2. Albert Heijn is het niet eens met de eis. 2.3. OTTO heeft een eis in incident ingesteld. 3 De eis in incident 3.1. OTTO eist toestemming om Albert Heijn in vrijwaring op te roepen. OTTO stelt dat als zij in de hoofdzaak aansprakelijk gehouden wordt en veroordeeld wordt tot betaling van schadevergoeding aan [eiseres] , zij die vergoeding op Albert Heijn wil verhalen. In de onderlinge verhouding tussen OTTO en Albert Heijn, waarbij OTTO als uitlener [eiseres] ter beschikking heeft gesteld aan Albert Heijn om onder leiding en toezicht van Albert Heijn werkzaamheden uit te voeren en Albert Heijn de feitelijke zeggenschap heeft gehad over de werkzaamheden en de werkomstandigheden, dient Albert Heijn de schade te dragen, aldus OTTO. 3.2. [eiseres] is het niet eens met de eis. 4 De beoordeling In het incident 4.1. OTTO heeft gesteld dat als zij in de hoofzaak wordt veroordeeld om een bedrag te betalen aan [eiseres] , Albert Heijn dat bedrag aan haar moet betalen. Die betalings-verplichting staat op dit moment niet vast, want is weersproken door [eiseres] en OTTO heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van de gestelde betalingsverplichting. Geen reden wordt gezien om OTTO in de gelegenheid te stellen het gestelde alsnog te onderbouwen. Zoiets kan in bijzondere gevallen , maar daarvan is geen sprake. Bij deze stand van zaken wordt de eis in incident afgewezen. 4.2. OTTO moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiseres] op € 0,-. In de hoofdzaak 4.3. OTTO heeft nog niet gereageerd op de dagvaarding. Dat mag zij nog doen. 4.4. De kantonrechter wil de zaak met partijen bespreken op een zitting. Partijen krijgen op de zitting de mogelijkheid om hun kant van het verhaal te vertellen. Ook stelt de kantonrechter vragen en onderzoekt of de partijen samen tot een oplossing kunnen komen. 4.5. Bij het plannen van de zitting wil de rechtbank zoveel mogelijk rekening houden met de agenda van de partijen. Daarom wordt nu eerst aan de partijen gevraagd de kantonrechter te laten weten op welke ochtenden en/of middagen in de komende maanden zij echt niet naar een zitting kunnen komen. Ook wil de kantonrechter graag de e-mailadressen van de partijen ontvangen. 5 De beslissing De kantonrechter: in het incident 5.1. geeft OTTO geen toestemming om Albert Heijn in vrijwaring op te roepen; 5.2. veroordeelt OTTO in de kosten van dit incident, die tot vandaag worden vastgesteld op € 0,-; in de hoofdzaak 5.3. bepaalt dat OTTO op de rolzitting van woensdag 22 april 2026 om 11:30 uur mag reageren op de dagvaarding; 5.4. bepaalt dat partijen uiterlijk op woensdag 22 april 2026 om 11:30 uur moeten laten weten op welke ochtenden/middagen in de maanden mei tot en met oktober 2026 zij echt niet naar een zitting kunnen komen en hun e-mailadres moeten opgeven; 5.5. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken. 465 Artikel 208 lid 2 Rv