Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-09
ECLI:NL:RBROT:2026:4449
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
4,095 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4449 text/xml public 2026-05-04T09:24:14 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-09 C/10/714183 / JE RK 26-192 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4449 text/html public 2026-05-04T09:01:48 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4449 Rechtbank Rotterdam , 09-04-2026 / C/10/714183 / JE RK 26-192 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/714183 / JE RK 26-192 Datum uitspraak: 9 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond , gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] , [naam pleegmoeder] , hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende in [woonplaats 2] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 30 januari 2026, door de rechtbank ontvangen op diezelfde datum. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij waren aanwezig: de moeder; de pleegmoeder; een vertegenwoordiger van de GI (via een digitale videoverbinding), [naam] . 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft bij de pleegmoeder. 2.3. Bij beschikking van 17 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 april 2026. Bij diezelfde beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 april 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De GI handhaaft op de zitting het verzoek. De omgang tussen [minderjarige] en de moeder wordt momenteel uitgebreid. Dit verloopt goed. Binnenkort vindt een evaluatie plaats. Daarna zal een nieuwe planning worden opgesteld. Wel vraagt de uitbreiding veel van [minderjarige] . Het is belangrijk om zijn draagkracht te blijven volgen en de omgang daarop af te stemmen. Het diagnostisch onderzoek is inmiddels afgerond. De resultaten worden nog verwacht. Ten aanzien van de vader is geen voortgang geboekt. De vader heeft opnieuw contact gezocht met de GI over contact met [minderjarige] , maar neemt verder geen initiatief. De GI vindt dat de vader eerst moet laten zien dat hij betrouwbaar is, voordat het contact weer kan worden opgebouwd. 4 De standpunten 4.1. De moeder stemt op de zitting in met het verzoek van de GI. [minderjarige] heeft kennisgemaakt met zijn pasgeboren zusje en is hier blij mee. De uitbreiding van de omgang met [minderjarige] verloopt goed. De moeder houdt rekening met de behoeften van [minderjarige] . Zij past de omgang aan wanneer deze te belastend is. [minderjarige] woont al lange tijd bij de pleegmoeder en zal daar blijven wonen. Het doel is om de omgang verder uit te breiden, bijvoorbeeld met logeerweekenden. Daarnaast is het belangrijk dat zorgvuldig wordt gekeken naar contact met de vader, omdat dit in het verleden wisselend en belastend voor [minderjarige] is geweest. De moeder ervaart de ondersteuning van de GI als prettig. 4.2. De pleegmoeder stemt op de zitting eveneens in met het verzoek van de GI. Het contact tussen haar en de moeder verloopt goed. Zij werken samen in het belang van [minderjarige] . Het is belangrijk om zorgvuldig te kijken naar wat [minderjarige] aan kan qua omgang, mede gelet op het diagnostisch onderzoek en zijn prikkelverwerking. De betrokkenheid van de GI blijft nodig, ook omdat de vader opnieuw contact heeft gezocht. Het is belangrijk dat de GI hierin de regie houdt, zodat [minderjarige] niet opnieuw wordt teleurgesteld. 5 De beoordeling 5.1. Op basis van de overgelegde stukken en de zitting is kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. [minderjarige] verblijft al vanaf mei 2021 bij de pleegmoeder, vanwege de toenmalige instabiele opvoedsituatie bij de moeder. Hij heeft bij de pleegmoeder een stabiele plek en vertrouwde omgeving opgebouwd. Alle betrokkenen achten voortzetting van het verblijf bij de pleegmoeder in het belang van [minderjarige] . De omgang tussen [minderjarige] en de moeder wordt stapsgewijs uitgebreid en dit verloopt positief. De moeder toont betrokkenheid en houdt rekening met de behoeften en draagkracht van [minderjarige] . Ook de samenwerking tussen de moeder, de pleegmoeder en de GI verloopt goed. Het diagnostisch onderzoek van [minderjarige] is afgerond. Hierbij is onder meer gekeken naar ADHD en hechtings- en traumaproblematiek. De resultaten zijn nog niet bekend. De uitbreiding van de omgang en het onderzoek vragen veel van [minderjarige] . De kinderrechter acht het daarom van belang dat de omgang zorgvuldig wordt opgebouwd en de draagkracht van [minderjarige] wordt gemonitord. De GI dient, na ontvangst van de onderzoeksresultaten, samen met de moeder en de pleegmoeder passende vervolgstappen en ondersteuning te bepalen. Indien de positieve ontwikkeling zich voortzet, kan een overdracht naar het vrijwillig kader worden overwogen. Verder blijkt dat de vader opnieuw contact heeft gezocht, maar zijn betrouwbaarheid is nog onduidelijk. In het verleden heeft wisselend contact tot teleurstellingen bij [minderjarige] geleid. De kinderrechter acht het daarom van belang dat de GI de regie houdt en zorgvuldig bekijkt of en hoe het contact kan worden opgebouwd. [minderjarige] heeft immers het recht om zijn vader te kennen, mits dit op een voor hem veilige manier gebeurt. 5.3. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar. Ook zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van een jaar. Bij een eventueel volgend verlengingsverzoek acht de kinderrechter het van belang dat de Raad voor de Kinderbescherming wordt betrokken, gelet op de duur van de plaatsing, het perspectief van [minderjarige] bij de pleegmoeder en een eventuele overdracht naar het vrijwillig kader. 5.4. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 14 april 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 14 april 2027; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 16 april 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:260 BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4449 text/xml public 2026-05-04T09:24:14 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-09 C/10/714183 / JE RK 26-192 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4449 text/html public 2026-05-04T09:01:48 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4449 Rechtbank Rotterdam , 09-04-2026 / C/10/714183 / JE RK 26-192 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/714183 / JE RK 26-192 Datum uitspraak: 9 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond , gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] , [naam pleegmoeder] , hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende in [woonplaats 2] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 30 januari 2026, door de rechtbank ontvangen op diezelfde datum. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij waren aanwezig: de moeder; de pleegmoeder; een vertegenwoordiger van de GI (via een digitale videoverbinding), [naam] . 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft bij de pleegmoeder. 2.3. Bij beschikking van 17 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 april 2026. Bij diezelfde beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 april 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De GI handhaaft op de zitting het verzoek. De omgang tussen [minderjarige] en de moeder wordt momenteel uitgebreid. Dit verloopt goed. Binnenkort vindt een evaluatie plaats. Daarna zal een nieuwe planning worden opgesteld. Wel vraagt de uitbreiding veel van [minderjarige] . Het is belangrijk om zijn draagkracht te blijven volgen en de omgang daarop af te stemmen. Het diagnostisch onderzoek is inmiddels afgerond. De resultaten worden nog verwacht. Ten aanzien van de vader is geen voortgang geboekt. De vader heeft opnieuw contact gezocht met de GI over contact met [minderjarige] , maar neemt verder geen initiatief. De GI vindt dat de vader eerst moet laten zien dat hij betrouwbaar is, voordat het contact weer kan worden opgebouwd. 4 De standpunten 4.1. De moeder stemt op de zitting in met het verzoek van de GI. [minderjarige] heeft kennisgemaakt met zijn pasgeboren zusje en is hier blij mee. De uitbreiding van de omgang met [minderjarige] verloopt goed. De moeder houdt rekening met de behoeften van [minderjarige] . Zij past de omgang aan wanneer deze te belastend is. [minderjarige] woont al lange tijd bij de pleegmoeder en zal daar blijven wonen. Het doel is om de omgang verder uit te breiden, bijvoorbeeld met logeerweekenden. Daarnaast is het belangrijk dat zorgvuldig wordt gekeken naar contact met de vader, omdat dit in het verleden wisselend en belastend voor [minderjarige] is geweest. De moeder ervaart de ondersteuning van de GI als prettig. 4.2. De pleegmoeder stemt op de zitting eveneens in met het verzoek van de GI. Het contact tussen haar en de moeder verloopt goed. Zij werken samen in het belang van [minderjarige] . Het is belangrijk om zorgvuldig te kijken naar wat [minderjarige] aan kan qua omgang, mede gelet op het diagnostisch onderzoek en zijn prikkelverwerking. De betrokkenheid van de GI blijft nodig, ook omdat de vader opnieuw contact heeft gezocht. Het is belangrijk dat de GI hierin de regie houdt, zodat [minderjarige] niet opnieuw wordt teleurgesteld. 5 De beoordeling 5.1. Op basis van de overgelegde stukken en de zitting is kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. [minderjarige] verblijft al vanaf mei 2021 bij de pleegmoeder, vanwege de toenmalige instabiele opvoedsituatie bij de moeder. Hij heeft bij de pleegmoeder een stabiele plek en vertrouwde omgeving opgebouwd. Alle betrokkenen achten voortzetting van het verblijf bij de pleegmoeder in het belang van [minderjarige] . De omgang tussen [minderjarige] en de moeder wordt stapsgewijs uitgebreid en dit verloopt positief. De moeder toont betrokkenheid en houdt rekening met de behoeften en draagkracht van [minderjarige] . Ook de samenwerking tussen de moeder, de pleegmoeder en de GI verloopt goed. Het diagnostisch onderzoek van [minderjarige] is afgerond. Hierbij is onder meer gekeken naar ADHD en hechtings- en traumaproblematiek. De resultaten zijn nog niet bekend. De uitbreiding van de omgang en het onderzoek vragen veel van [minderjarige] . De kinderrechter acht het daarom van belang dat de omgang zorgvuldig wordt opgebouwd en de draagkracht van [minderjarige] wordt gemonitord. De GI dient, na ontvangst van de onderzoeksresultaten, samen met de moeder en de pleegmoeder passende vervolgstappen en ondersteuning te bepalen. Indien de positieve ontwikkeling zich voortzet, kan een overdracht naar het vrijwillig kader worden overwogen. Verder blijkt dat de vader opnieuw contact heeft gezocht, maar zijn betrouwbaarheid is nog onduidelijk. In het verleden heeft wisselend contact tot teleurstellingen bij [minderjarige] geleid. De kinderrechter acht het daarom van belang dat de GI de regie houdt en zorgvuldig bekijkt of en hoe het contact kan worden opgebouwd. [minderjarige] heeft immers het recht om zijn vader te kennen, mits dit op een voor hem veilige manier gebeurt. 5.3. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar. Ook zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van een jaar. Bij een eventueel volgend verlengingsverzoek acht de kinderrechter het van belang dat de Raad voor de Kinderbescherming wordt betrokken, gelet op de duur van de plaatsing, het perspectief van [minderjarige] bij de pleegmoeder en een eventuele overdracht naar het vrijwillig kader. 5.4. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 14 april 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 14 april 2027; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 16 april 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:260 BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.