Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-14
ECLI:NL:RBROT:2026:4368
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
16,069 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4368 text/xml public 2026-05-06T08:50:08 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-14 C/10/673958 / FA RK 24-1260 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/255 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4368 text/html public 2026-04-23T15:44:14 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4368 Rechtbank Rotterdam , 14-04-2026 / C/10/673958 / FA RK 24-1260 Afwijzen verzoek omgangsregeling vanwege ontbreken concrete mogelijkheden voor een omgangsregeling en de mening van de minderjarige. Er wordt wel een informatie- en consultatieregeling bepaald. De onderhoudsbijdrage wordt berekend aan de hand van de methode, waarbij in beide gezinnen wordt gerekend met de volledige draagkracht van de man. Verder wordt het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning afgewezen en bepaalt over de kosten van het deskundigenbericht. Rechtbank Rotterdam Team familie Zaaknummer / rekestnummer: C/10/673958 / FA RK 24-1260 Beschikking van 14 april 2026 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht, de informatie- en consultatieregeling en de onderhoudsbijdrage in de zaak tussen: [naam man] , hierna: de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. M.E. Hoogenraad te Maassluis, e n [naam vrouw] , hierna: de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. N. Schuerman te Rotterdam. In deze zaak treedt als bijzondere curator op: [naam 1] , advocaat te Rotterdam (hierna: de bijzondere curator). 1 De verder procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: de tussenbeschikking van 26 mei 2025; het verslag van Verilabs van 30 juli 2025; het gewijzigd verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 1 december 2025; het verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 13 januari 2026; de berichten met bijlagen van de vrouw van 12 januari 2026 en 19 januari 2026; het bericht met bijlagen van de man van 13 februari 2026. 1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 2] ; de bijzondere curator. 1.3. [minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft hier gebruik van gemaakt en heeft op 3 maart 2026 met de kinderrechter gesproken. 2 De verdere vaststaande feiten 2.1. De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar tussenbeschikking van 26 mei 2025. In deze beschikking is een DNA-onderzoek gelast om te beantwoorden of de man de biologische vader van [minderjarige 1] kan zijn. De behandeling van de zaak is in afwachting van het deskundigenbericht aangehouden. 2.2. Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013, hierna: [minderjarige 1] . 2.3. De vrouw is naast [minderjarige 1] ook moeder van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019. Dit kind woont bij de vrouw. 2.4. De man is op 28 juli 2022 gehuwd met [naam 3] (hierna: [naam 3] ). 2.5. Het minderjarige kind van de man en [naam 3] is: [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 3] . De man is door zijn huwelijk met [naam 3] stiefvader van de kinderen van [naam 3] uit een eerdere relatie: [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2016 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 4] , en [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2010 te [geboorteplaats] , hierna; [minderjarige 5] . Deze kinderen verblijven bij de man en zijn echtgenote. 3 De beoordeling 3.1. Omgangsregeling 3.1.1. De man verzoekt een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) vast te stellen, die inhoudt dat [minderjarige 1] : in de eerste maand elke zaterdag om 10.00 uur videobelt met de man, waarbij de vrouw het telefoonnummer van [minderjarige 1] aan de man zal geven; in de tweede maand eenmaal in de veertien dagen op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de man verblijft; vanaf de derde maand om de week van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man verblijft, waarbij hij bij de man eet en verder in de zomervakantie de laatste drie weken in verband met de voor de man verplichte bouwvak, om het jaar de gehele kerstvakantie tot de laatste zondag om 19.00 uur en in de overige vakanties een extra weekend bij de man verblijft; waarbij de vrouw [minderjarige 1] dient te brengen naar het metrostation Maassluis Centraal en de man [minderjarige 1] na de omgang terugbrengt naar het dichtstbijzijnde station van de vrouw, dit in verband met het feit dat beide adressen geheim zijn; daarnaast dient [minderjarige 1] zijn ID-kaart/paspoort, alsmede zijn zorgpas mee te nemen tijdens de omgangsmomenten. 3.1.2. De vrouw voert gemotiveerd verweer. 3.1.3. Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als: omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. 3.1.4. Uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er tussen de man en [minderjarige 1] nooit een omgangsregeling is geweest, die structureel werd uitgevoerd. De rechtbank geeft een kort overzicht van de gebeurtenissen rond de omgangsregeling. Na het uiteengaan van partijen in 2015 is aan de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige 1] te erkennen. Ook is de raad verzocht advies uit te brengen over het ouderlijk gezag en de omgangsregeling. Vervolgens zijn partijen door de rechter doorverwezen naar het hulpverleningstraject “ouderschap blijft”. Tijdens dit traject is het partijen niet gelukt een omgangsregeling overeen te komen. In 2018 heeft de rechtbank een definitieve omgangsregeling vastgelegd. De omgang is gestopt in februari 2019 en na een procedure hervat. Tijdens een procedure in 2019 zijn partijen opnieuw doorverwezen naar ouderschapsbemiddeling en is de raad verzocht nogmaals onderzoek te doen. In 2020 is een nieuwe regeling opgelegd en is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld. Uit de uitspraak van de klachtcommissie blijkt de commissie van oordeel is dat binnen de ondertoezichtstelling te weinig aandacht geweest voor alle mogelijkheden voor contactherstel, maar dat er is vooral gefocust op het versturen van brieven. Uiteindelijk is de omgangsregeling in 2022 geheel opgeschort, omdat het ontbreken van omgang met de man [minderjarige 1] op korte termijn rust geeft en voorkomen wordt dat hij opnieuw in een loyaliteitsconflict belandt. Na de indiening van de voorliggende verzoeken in 2024 heeft de man zijn vaderschap in twijfel gesteld en een DNA-onderzoek verzocht. Het DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden en uit dit onderzoek is gebleken dat met een grote mate van waarschijnlijkheid gezegd kan worden dat de man de biologische vader van [minderjarige 1] is. De man heeft vervolgens zijn twijfels ingetrokken. 3.1.5. De rechtbank wijst af het verzoek van de man tot de vastlegging van een omgangsregeling. De man is nog altijd van mening dat de verzochte opbouwregeling een goede vorm is om tot contactherstel te komen. De vrouw is bang dat de rust die [minderjarige 1] op dit moment ervaart, wordt verstoord door het contactherstel en ervoor zorgt dat hij opnieuw uit balans raakt. [minderjarige 1] , zo blijkt ook tijdens het kindgesprek, verzet zich nog altijd tegen omgang met de man.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4368 text/xml public 2026-05-06T08:50:08 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-14 C/10/673958 / FA RK 24-1260 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/255 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4368 text/html public 2026-04-23T15:44:14 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4368 Rechtbank Rotterdam , 14-04-2026 / C/10/673958 / FA RK 24-1260 Afwijzen verzoek omgangsregeling vanwege ontbreken concrete mogelijkheden voor een omgangsregeling en de mening van de minderjarige. Er wordt wel een informatie- en consultatieregeling bepaald. De onderhoudsbijdrage wordt berekend aan de hand van de methode, waarbij in beide gezinnen wordt gerekend met de volledige draagkracht van de man. Verder wordt het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning afgewezen en bepaalt over de kosten van het deskundigenbericht. Rechtbank Rotterdam Team familie Zaaknummer / rekestnummer: C/10/673958 / FA RK 24-1260 Beschikking van 14 april 2026 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht, de informatie- en consultatieregeling en de onderhoudsbijdrage in de zaak tussen: [naam man] , hierna: de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. M.E. Hoogenraad te Maassluis, e n [naam vrouw] , hierna: de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. N. Schuerman te Rotterdam. In deze zaak treedt als bijzondere curator op: [naam 1] , advocaat te Rotterdam (hierna: de bijzondere curator). 1 De verder procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: de tussenbeschikking van 26 mei 2025; het verslag van Verilabs van 30 juli 2025; het gewijzigd verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 1 december 2025; het verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 13 januari 2026; de berichten met bijlagen van de vrouw van 12 januari 2026 en 19 januari 2026; het bericht met bijlagen van de man van 13 februari 2026. 1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 2] ; de bijzondere curator. 1.3. [minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft hier gebruik van gemaakt en heeft op 3 maart 2026 met de kinderrechter gesproken. 2 De verdere vaststaande feiten 2.1. De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar tussenbeschikking van 26 mei 2025. In deze beschikking is een DNA-onderzoek gelast om te beantwoorden of de man de biologische vader van [minderjarige 1] kan zijn. De behandeling van de zaak is in afwachting van het deskundigenbericht aangehouden. 2.2. Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013, hierna: [minderjarige 1] . 2.3. De vrouw is naast [minderjarige 1] ook moeder van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019. Dit kind woont bij de vrouw. 2.4. De man is op 28 juli 2022 gehuwd met [naam 3] (hierna: [naam 3] ). 2.5. Het minderjarige kind van de man en [naam 3] is: [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 3] . De man is door zijn huwelijk met [naam 3] stiefvader van de kinderen van [naam 3] uit een eerdere relatie: [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2016 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 4] , en [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2010 te [geboorteplaats] , hierna; [minderjarige 5] . Deze kinderen verblijven bij de man en zijn echtgenote. 3 De beoordeling 3.1. Omgangsregeling 3.1.1. De man verzoekt een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) vast te stellen, die inhoudt dat [minderjarige 1] : in de eerste maand elke zaterdag om 10.00 uur videobelt met de man, waarbij de vrouw het telefoonnummer van [minderjarige 1] aan de man zal geven; in de tweede maand eenmaal in de veertien dagen op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de man verblijft; vanaf de derde maand om de week van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man verblijft, waarbij hij bij de man eet en verder in de zomervakantie de laatste drie weken in verband met de voor de man verplichte bouwvak, om het jaar de gehele kerstvakantie tot de laatste zondag om 19.00 uur en in de overige vakanties een extra weekend bij de man verblijft; waarbij de vrouw [minderjarige 1] dient te brengen naar het metrostation Maassluis Centraal en de man [minderjarige 1] na de omgang terugbrengt naar het dichtstbijzijnde station van de vrouw, dit in verband met het feit dat beide adressen geheim zijn; daarnaast dient [minderjarige 1] zijn ID-kaart/paspoort, alsmede zijn zorgpas mee te nemen tijdens de omgangsmomenten. 3.1.2. De vrouw voert gemotiveerd verweer. 3.1.3. Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als: omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. 3.1.4. Uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er tussen de man en [minderjarige 1] nooit een omgangsregeling is geweest, die structureel werd uitgevoerd. De rechtbank geeft een kort overzicht van de gebeurtenissen rond de omgangsregeling. Na het uiteengaan van partijen in 2015 is aan de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige 1] te erkennen. Ook is de raad verzocht advies uit te brengen over het ouderlijk gezag en de omgangsregeling. Vervolgens zijn partijen door de rechter doorverwezen naar het hulpverleningstraject “ouderschap blijft”. Tijdens dit traject is het partijen niet gelukt een omgangsregeling overeen te komen. In 2018 heeft de rechtbank een definitieve omgangsregeling vastgelegd. De omgang is gestopt in februari 2019 en na een procedure hervat. Tijdens een procedure in 2019 zijn partijen opnieuw doorverwezen naar ouderschapsbemiddeling en is de raad verzocht nogmaals onderzoek te doen. In 2020 is een nieuwe regeling opgelegd en is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld. Uit de uitspraak van de klachtcommissie blijkt de commissie van oordeel is dat binnen de ondertoezichtstelling te weinig aandacht geweest voor alle mogelijkheden voor contactherstel, maar dat er is vooral gefocust op het versturen van brieven. Uiteindelijk is de omgangsregeling in 2022 geheel opgeschort, omdat het ontbreken van omgang met de man [minderjarige 1] op korte termijn rust geeft en voorkomen wordt dat hij opnieuw in een loyaliteitsconflict belandt. Na de indiening van de voorliggende verzoeken in 2024 heeft de man zijn vaderschap in twijfel gesteld en een DNA-onderzoek verzocht. Het DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden en uit dit onderzoek is gebleken dat met een grote mate van waarschijnlijkheid gezegd kan worden dat de man de biologische vader van [minderjarige 1] is. De man heeft vervolgens zijn twijfels ingetrokken. 3.1.5. De rechtbank wijst af het verzoek van de man tot de vastlegging van een omgangsregeling. De man is nog altijd van mening dat de verzochte opbouwregeling een goede vorm is om tot contactherstel te komen. De vrouw is bang dat de rust die [minderjarige 1] op dit moment ervaart, wordt verstoord door het contactherstel en ervoor zorgt dat hij opnieuw uit balans raakt. [minderjarige 1] , zo blijkt ook tijdens het kindgesprek, verzet zich nog altijd tegen omgang met de man.
Volledig
De rechtbank begrijpt de wens van de man om omgang te hebben met [minderjarige 1] . De man heeft [minderjarige 1] lang niet gezien of gesproken en dat doet de man verdriet. Echter, op dit moment ziet de rechtbank geen mogelijkheden voor een concrete omgangsregeling. [minderjarige 1] heeft een leeftijd bereikt waarop hij niet gedwongen kan worden om omgang te hebben met de man. Alle procedures tussen partijen en ook de huidige procedure lijken de mening van [minderjarige 1] te versterken dat hij geen contact wil met de man. Een vastgelegde omgangsregeling verandert niets aan de mening van [minderjarige 1] . Voor partijen en [minderjarige 1] moet duidelijk zijn dat de mening van [minderjarige 1] mag veranderen en dat hij op een later moment ruimte mag voelen voor contactherstel met de man. De vrouw heeft toegezegd [minderjarige 1] te ondersteunen als zijn mening verandert. Het zal [minderjarige 1] in de toekomst kunnen helpen als de man [minderjarige 1] af en toe een kaartje stuurt, zoals ook volgt uit het advies van de raad. Daardoor weet [minderjarige 1] dat hij er is en het liefst omgang wil met [minderjarige 1] . De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de man via het adres van haar moeder kaarten aan [minderjarige 1] kan sturen. De man heeft daarop aangegeven dat hij geen kaarten wil versturen via een tussenpersoon, behalve via de advocaten van partijen. De advocaten van partijen hebben toegezegd een aantal keer mee te werken aan het versturen van deze kaartjes en dat het daarna de verantwoordelijkheid van partijen zelf wordt. 3.2. Informatie- en consultatieregeling 3.2.1. De man verzoekt een informatie- en consultatieregeling vast te stellen, die inhoudt dat de vrouw gehouden is eenmaal per maand de man op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige 1] en hem ook te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen, alsmede in het bijzonder zijn gezondheidssituatie. De man zou ook graag een afschrift van het medisch dossier van [minderjarige 1] ontvangen. 3.2.2. De vrouw voert gemotiveerd verweer. 3.2.3. Op grond van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen over daarover te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. In het tweede lid van dit artikel is opgenomen dat indien het belang van het kind zulks vereist de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve kan bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft. 3.2.4. De man ontvangt op dit moment geen informatie over [minderjarige 1] . Hij kan de informatie niet zelf opvragen. De man heeft verzocht om ook informatie te verschaffen over het medisch dossier van [minderjarige 1] , omdat de man in het verleden buiten de medische problemen van [minderjarige 1] werd gehouden. De vrouw is bereid informatie te sturen aan de man met uitzondering van het medisch dossier van [minderjarige 1] . Haar voorwaarden daarvoor zijn dat zij die informatie wil versturen via een apart mailadres en dat zij geen inhoudelijke reacties van de man wenst te ontvangen. 3.2.5. De rechtbank legt een informatieregeling vast, omdat het in het belang van [minderjarige 1] is dat de man informatie over hem heeft. De man heeft geen contact met [minderjarige 1] en heeft daarom geen eigen informatie over [minderjarige 1] . Als [minderjarige 1] in de toekomst open staat voor contact met de man, is het in zijn belang dat de man weet wat speelt in het leven van [minderjarige 1] . De rechtbank bepaalt dat de vrouw de man vier keer in het jaar op de hoogte stelt over [minderjarige 1] en de vrouw moet dit telkens in het laatste week van het kwartaal doen. Dit betekent concreet dat de vrouw de man in de laatste week van maart, de laatste week van juni, de laatste week van september en de laatste week van december informeert over [minderjarige 1] . De rechtbank wijst af het deel van het verzoek van de man dat ziet op het medisch dossier van [minderjarige 1] , omdat de rechtbank daarvoor geen reden ziet en de vrouw de man daarover kan informeren in het verslag dat zij stuurt. 3.3. Onderhoudsbijdrage 3.3.1. De vrouw verzoekt bij gewijzigd zelfstandig verzoek met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (hierna ook: kinderbijdrage) van € 550,- per maand vast te stellen. 3.3.2. De man voert gemotiveerd verweer. 3.3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. De ingangsdatum 3.3.4. Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. De rechtbank zal eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen. 3.3.5. De vrouw heeft verzocht om de ingangsdatum vast te stellen op de datum van het verzoekschrift. De man heeft gesteld dat de vrouw haar verzoek in eerste instantie onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens de man moet uitgegaan worden van de datum van deze beschikking. De rechtbank stelt de kinderbijdrage vast vanaf de datum van deze beschikking en overweegt daartoe als volgt. Nog altijd beschikt de man en de rechtbank niet over alle relevante gegevens van de vrouw. Op het moment van de mondelinge behandeling is er enige duidelijkheid. Het had op de weg van de vrouw gelegen deze duidelijkheid eerder te verschaffen, zodat de man daar rekening mee kon houden. Omdat dit niet het geval is, wordt de ingangsdatum vastgesteld op de datum van deze beschikking. De methode 3.4. Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Tremarapport. Tijdens de mondelinge behandeling is de methode voor samengestelde gezinnen besproken waarbij de draagkracht van de man in twee gezinnen volledig wordt meegeteld zonder dat zijn totale bijdrage zijn totale draagkracht overstijgt (zuivere draagkracht). De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht met deze methode te rekenen en de man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 1] dat de verdeling van kosten voor zijn levensonderhoud zo eerlijk mogelijk naar draagkracht van partijen wordt verdeeld. De behoefte van [minderjarige 1] 3.4.1. De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van [minderjarige 1] (hierna: de behoefte van [minderjarige 1] ) bepalen. Dit zal de rechtbank doen aan de hand van het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man, omdat vaststaat dat dit NBI hoger is dan het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen. Hierbij zal verder uitgegaan worden van de huidige tarieven en de huidige leeftijd van de kinderen. 3.4.2. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man over het jaar 2026 aan de hand van de prognose van de winst in 2025 op een winst van € 41.800,- op € 2.981,- per maand. Deze winst bestaat uit de omzet waarvan de gemaakte kosten zijn afgetrokken. De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen: - zelfstandigenaftrek van € 1.200,-. De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 5.156,-. De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting - de arbeidskorting. Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 1.719,-. 3.4.3. Volgens de man moet voor de behoefte gerekend worden met vier kinderen, omdat hij voor al deze kinderen draagplichtig is. Het inkomen van de man moet op dit moment verdeeld worden over meerdere kinderen en daarom stelt de man dat het onjuist is om enkel met [minderjarige 1] te rekenen. De vrouw betwist dit en voert aan dat de stiefkinderen van de man eigen onderhoudsplichtige ouders hebben.
Volledig
De rechtbank begrijpt de wens van de man om omgang te hebben met [minderjarige 1] . De man heeft [minderjarige 1] lang niet gezien of gesproken en dat doet de man verdriet. Echter, op dit moment ziet de rechtbank geen mogelijkheden voor een concrete omgangsregeling. [minderjarige 1] heeft een leeftijd bereikt waarop hij niet gedwongen kan worden om omgang te hebben met de man. Alle procedures tussen partijen en ook de huidige procedure lijken de mening van [minderjarige 1] te versterken dat hij geen contact wil met de man. Een vastgelegde omgangsregeling verandert niets aan de mening van [minderjarige 1] . Voor partijen en [minderjarige 1] moet duidelijk zijn dat de mening van [minderjarige 1] mag veranderen en dat hij op een later moment ruimte mag voelen voor contactherstel met de man. De vrouw heeft toegezegd [minderjarige 1] te ondersteunen als zijn mening verandert. Het zal [minderjarige 1] in de toekomst kunnen helpen als de man [minderjarige 1] af en toe een kaartje stuurt, zoals ook volgt uit het advies van de raad. Daardoor weet [minderjarige 1] dat hij er is en het liefst omgang wil met [minderjarige 1] . De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de man via het adres van haar moeder kaarten aan [minderjarige 1] kan sturen. De man heeft daarop aangegeven dat hij geen kaarten wil versturen via een tussenpersoon, behalve via de advocaten van partijen. De advocaten van partijen hebben toegezegd een aantal keer mee te werken aan het versturen van deze kaartjes en dat het daarna de verantwoordelijkheid van partijen zelf wordt. 3.2. Informatie- en consultatieregeling 3.2.1. De man verzoekt een informatie- en consultatieregeling vast te stellen, die inhoudt dat de vrouw gehouden is eenmaal per maand de man op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige 1] en hem ook te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen, alsmede in het bijzonder zijn gezondheidssituatie. De man zou ook graag een afschrift van het medisch dossier van [minderjarige 1] ontvangen. 3.2.2. De vrouw voert gemotiveerd verweer. 3.2.3. Op grond van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen over daarover te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. In het tweede lid van dit artikel is opgenomen dat indien het belang van het kind zulks vereist de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve kan bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft. 3.2.4. De man ontvangt op dit moment geen informatie over [minderjarige 1] . Hij kan de informatie niet zelf opvragen. De man heeft verzocht om ook informatie te verschaffen over het medisch dossier van [minderjarige 1] , omdat de man in het verleden buiten de medische problemen van [minderjarige 1] werd gehouden. De vrouw is bereid informatie te sturen aan de man met uitzondering van het medisch dossier van [minderjarige 1] . Haar voorwaarden daarvoor zijn dat zij die informatie wil versturen via een apart mailadres en dat zij geen inhoudelijke reacties van de man wenst te ontvangen. 3.2.5. De rechtbank legt een informatieregeling vast, omdat het in het belang van [minderjarige 1] is dat de man informatie over hem heeft. De man heeft geen contact met [minderjarige 1] en heeft daarom geen eigen informatie over [minderjarige 1] . Als [minderjarige 1] in de toekomst open staat voor contact met de man, is het in zijn belang dat de man weet wat speelt in het leven van [minderjarige 1] . De rechtbank bepaalt dat de vrouw de man vier keer in het jaar op de hoogte stelt over [minderjarige 1] en de vrouw moet dit telkens in het laatste week van het kwartaal doen. Dit betekent concreet dat de vrouw de man in de laatste week van maart, de laatste week van juni, de laatste week van september en de laatste week van december informeert over [minderjarige 1] . De rechtbank wijst af het deel van het verzoek van de man dat ziet op het medisch dossier van [minderjarige 1] , omdat de rechtbank daarvoor geen reden ziet en de vrouw de man daarover kan informeren in het verslag dat zij stuurt. 3.3. Onderhoudsbijdrage 3.3.1. De vrouw verzoekt bij gewijzigd zelfstandig verzoek met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (hierna ook: kinderbijdrage) van € 550,- per maand vast te stellen. 3.3.2. De man voert gemotiveerd verweer. 3.3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. De ingangsdatum 3.3.4. Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. De rechtbank zal eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen. 3.3.5. De vrouw heeft verzocht om de ingangsdatum vast te stellen op de datum van het verzoekschrift. De man heeft gesteld dat de vrouw haar verzoek in eerste instantie onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens de man moet uitgegaan worden van de datum van deze beschikking. De rechtbank stelt de kinderbijdrage vast vanaf de datum van deze beschikking en overweegt daartoe als volgt. Nog altijd beschikt de man en de rechtbank niet over alle relevante gegevens van de vrouw. Op het moment van de mondelinge behandeling is er enige duidelijkheid. Het had op de weg van de vrouw gelegen deze duidelijkheid eerder te verschaffen, zodat de man daar rekening mee kon houden. Omdat dit niet het geval is, wordt de ingangsdatum vastgesteld op de datum van deze beschikking. De methode 3.4. Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Tremarapport. Tijdens de mondelinge behandeling is de methode voor samengestelde gezinnen besproken waarbij de draagkracht van de man in twee gezinnen volledig wordt meegeteld zonder dat zijn totale bijdrage zijn totale draagkracht overstijgt (zuivere draagkracht). De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht met deze methode te rekenen en de man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 1] dat de verdeling van kosten voor zijn levensonderhoud zo eerlijk mogelijk naar draagkracht van partijen wordt verdeeld. De behoefte van [minderjarige 1] 3.4.1. De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van [minderjarige 1] (hierna: de behoefte van [minderjarige 1] ) bepalen. Dit zal de rechtbank doen aan de hand van het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man, omdat vaststaat dat dit NBI hoger is dan het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen. Hierbij zal verder uitgegaan worden van de huidige tarieven en de huidige leeftijd van de kinderen. 3.4.2. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man over het jaar 2026 aan de hand van de prognose van de winst in 2025 op een winst van € 41.800,- op € 2.981,- per maand. Deze winst bestaat uit de omzet waarvan de gemaakte kosten zijn afgetrokken. De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen: - zelfstandigenaftrek van € 1.200,-. De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 5.156,-. De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting - de arbeidskorting. Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 1.719,-. 3.4.3. Volgens de man moet voor de behoefte gerekend worden met vier kinderen, omdat hij voor al deze kinderen draagplichtig is. Het inkomen van de man moet op dit moment verdeeld worden over meerdere kinderen en daarom stelt de man dat het onjuist is om enkel met [minderjarige 1] te rekenen. De vrouw betwist dit en voert aan dat de stiefkinderen van de man eigen onderhoudsplichtige ouders hebben.
Volledig
De man is alleen onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] en het kind van de man en zijn echtgenote. De man voert daartegen aan dat hij door zijn huwelijk met de moeder van zijn stiefkinderen onderhoudsplichtig is voor zijn stiefkinderen. Hij heeft ter onderbouwing van deze stelling de huwelijksakte overgelegd. 3.4.4. De man is op grond van artikel 1:392 lid 2 BW ook onderhoudsplichtig voor zijn stiefkinderen. De rechtbank rekent daarom voor de behoefte van [minderjarige 1] met alle kinderen van de man, dus ook zijn stiefkinderen. 3.4.5. Hiervoor genoemd NBI van de man, gevoegd bij het ten aanzien van [minderjarige 1] toepasselijke kindgebonden budget van € 275,-, levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen van 2026, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 862,- per maand. De rechtbank schat het aandeel van de vier kinderen in de totale behoefte. Gelet op de leeftijd van de minderjarigen wordt de totale behoefte gelijk verdeeld, zodat de behoefte van [minderjarige 1] wordt vastgesteld op €216,-. De behoefte van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] 3.4.6. De rechtbank gaat, onder verwijzing naar wat hiervoor onder 3.4.2. is overwogen, uit van het NBI van de man van € 2.981,- per maand. 3.4.7. De man heeft gesteld dat het gemiddelde brutoloon van [naam 3] € 1.938,43 bedraagt, waarop gemiddeld € 135,50 aan premies op wordt ingehouden. Hij heeft deze stelling onderbouwd met stukken. De vrouw heeft aangevoerd dat [naam 3] minder is gaan werken. De man heeft dit betwist en gesteld dat [naam 3] niet minder is gaan werken, maar weer in loondienst werkt en niet meer haar eigen onderneming heeft. De stelling van de vrouw is voldoende door de man betwist en onderbouwd met stukken. De vrouw heeft geen concrete gegevens aangevoerd waarmee de rechtbank zou moeten rekenen en daarom rekent de rechtbank met de gegevens zoals de man heeft gesteld. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van [naam 3] over het jaar 2026 op € 1.750,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties): - basisloon € 1.938,- - commissie € 136,- De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting - de arbeidskorting. Gelet op de stelling van de man dat [naam 3] niet meer als zelfstandige arbeid verricht, heeft de rechtbank – anders dan de man in zijn berekening – niet de vrijstellingen en aftrekmogelijkheden betrokken verbonden aan arbeid als zelfstandige. 3.4.8. De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van de man en [naam 3] aldus op € 4.731,- per maand. Rekening houdend met het kindgebonden budget dat partijen ontvingen van € 101,- per maand, wordt uitgekomen op (afgerond) een totaalbedrag van € 4.832,- per maand. 3.4.9. Dit netto besteedbaar gezinsinkomen levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 1.170,- per maand. De rechtbank schat het aandeel van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in de totale behoefte. Gelet op hun leeftijd wordt de totale behoefte gelijk verdeeld, zodat de behoefte van ieder van hen wordt vastgesteld op € 390,-. Onweersproken is gesteld dat de vader van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] € 25,- per maand per kind bijdraagt, daardoor is de resterende behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] € 365,- per maand per kind. De draagkracht van de onderhoudsplichtigen 3.4.10. Beoordeeld moet worden in welke verhouding de behoefte van [minderjarige 1] tussen de verschillende onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. 3.4.11. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de verschillende onderhoudsplichtigen vastgesteld worden. Daarbij wordt gerekend met de tarieven van 2026-1. Draagkracht man 3.4.12. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man over het jaar 2026 aan de hand van de prognose van de winst in 2025 op een winst van € 41.800,- op € 2.981,- per maand. Deze winst bestaat uit de omzet waarvan de gemaakte kosten zijn afgetrokken. De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen: - zelfstandigenaftrek van € 1.200,-. De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 5.156,-. De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting - de arbeidskorting. Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 1.719,-. 3.4.13. De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 505,- per maand. Draagkracht vrouw 3.4.14. De vrouw ontvangt een ziektewetuitkering. Tussen partijen is in geschil of de vrouw naast haar uitkering een vakantietoeslag ontvangt of dat deze toeslag is inbegrepen in haar uitkering. Tijdens de mondelinge behandeling is partijen voorgehouden dat volgens de site van de Rijksoverheid het vakantiegeld inbegrepen is in de uitkering. De rechtbank gaat daar dan ook vanuit. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2026 op € 2.667,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente uitkeringsspecificaties): - basisloon € 689,- per week. De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting. 3.4.15. Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 6.257,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft. 3.4.16. De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 351,- per maand. Draagkracht [naam 3] 3.4.17. De man heeft gesteld dat het gemiddelde brutoloon van [naam 3] € 1.938,43 bedraagt, waar gemiddeld € 135,50 aan premies op wordt ingehouden. Hij heeft deze stelling onderbouwd met stukken. De vrouw heeft aangevoerd dat [naam 3] minder is gaan werken. De man heeft dit betwist en gesteld dat [naam 3] niet minder is gaan werken, maar weer in loondienst werkt en niet meer haar eigen onderneming heeft. De man heeft daarmee de stelling voldoende onderbouwd betwist. De vrouw heeft geen concrete gegevens aangevoerd waarmee de rechtbank zou moeten rekenen en daarom rekent de rechtbank met de gegevens zoals de man heeft gesteld. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van [naam 3] over het jaar 2026 op € 2.740,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties): - basisloon € 1.938,- - commissie € 136,- De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting - de arbeidskorting. Zoals overwogen onder 3.4.7. heeft de rechtbank – anders dan de man in zijn berekening – niet de vrijstellingen en aftrekmogelijkheden betrokken verbonden aan arbeid als zelfstandige. 3.4.18. Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 11.880,- per maand, waar [naam 3] gelet op haar inkomen recht op heeft. 3.4.19. De draagkracht van [naam 3] wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 387,- per maand. Draagkrachtvergelijking tussen de man en de vrouw 3.4.20. Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van [minderjarige 1] moet de behoefte over partijen worden verdeeld.
Volledig
De man is alleen onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] en het kind van de man en zijn echtgenote. De man voert daartegen aan dat hij door zijn huwelijk met de moeder van zijn stiefkinderen onderhoudsplichtig is voor zijn stiefkinderen. Hij heeft ter onderbouwing van deze stelling de huwelijksakte overgelegd. 3.4.4. De man is op grond van artikel 1:392 lid 2 BW ook onderhoudsplichtig voor zijn stiefkinderen. De rechtbank rekent daarom voor de behoefte van [minderjarige 1] met alle kinderen van de man, dus ook zijn stiefkinderen. 3.4.5. Hiervoor genoemd NBI van de man, gevoegd bij het ten aanzien van [minderjarige 1] toepasselijke kindgebonden budget van € 275,-, levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen van 2026, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 862,- per maand. De rechtbank schat het aandeel van de vier kinderen in de totale behoefte. Gelet op de leeftijd van de minderjarigen wordt de totale behoefte gelijk verdeeld, zodat de behoefte van [minderjarige 1] wordt vastgesteld op €216,-. De behoefte van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] 3.4.6. De rechtbank gaat, onder verwijzing naar wat hiervoor onder 3.4.2. is overwogen, uit van het NBI van de man van € 2.981,- per maand. 3.4.7. De man heeft gesteld dat het gemiddelde brutoloon van [naam 3] € 1.938,43 bedraagt, waarop gemiddeld € 135,50 aan premies op wordt ingehouden. Hij heeft deze stelling onderbouwd met stukken. De vrouw heeft aangevoerd dat [naam 3] minder is gaan werken. De man heeft dit betwist en gesteld dat [naam 3] niet minder is gaan werken, maar weer in loondienst werkt en niet meer haar eigen onderneming heeft. De stelling van de vrouw is voldoende door de man betwist en onderbouwd met stukken. De vrouw heeft geen concrete gegevens aangevoerd waarmee de rechtbank zou moeten rekenen en daarom rekent de rechtbank met de gegevens zoals de man heeft gesteld. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van [naam 3] over het jaar 2026 op € 1.750,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties): - basisloon € 1.938,- - commissie € 136,- De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting - de arbeidskorting. Gelet op de stelling van de man dat [naam 3] niet meer als zelfstandige arbeid verricht, heeft de rechtbank – anders dan de man in zijn berekening – niet de vrijstellingen en aftrekmogelijkheden betrokken verbonden aan arbeid als zelfstandige. 3.4.8. De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van de man en [naam 3] aldus op € 4.731,- per maand. Rekening houdend met het kindgebonden budget dat partijen ontvingen van € 101,- per maand, wordt uitgekomen op (afgerond) een totaalbedrag van € 4.832,- per maand. 3.4.9. Dit netto besteedbaar gezinsinkomen levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 1.170,- per maand. De rechtbank schat het aandeel van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in de totale behoefte. Gelet op hun leeftijd wordt de totale behoefte gelijk verdeeld, zodat de behoefte van ieder van hen wordt vastgesteld op € 390,-. Onweersproken is gesteld dat de vader van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] € 25,- per maand per kind bijdraagt, daardoor is de resterende behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] € 365,- per maand per kind. De draagkracht van de onderhoudsplichtigen 3.4.10. Beoordeeld moet worden in welke verhouding de behoefte van [minderjarige 1] tussen de verschillende onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. 3.4.11. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de verschillende onderhoudsplichtigen vastgesteld worden. Daarbij wordt gerekend met de tarieven van 2026-1. Draagkracht man 3.4.12. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man over het jaar 2026 aan de hand van de prognose van de winst in 2025 op een winst van € 41.800,- op € 2.981,- per maand. Deze winst bestaat uit de omzet waarvan de gemaakte kosten zijn afgetrokken. De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen: - zelfstandigenaftrek van € 1.200,-. De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 5.156,-. De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting - de arbeidskorting. Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 1.719,-. 3.4.13. De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 505,- per maand. Draagkracht vrouw 3.4.14. De vrouw ontvangt een ziektewetuitkering. Tussen partijen is in geschil of de vrouw naast haar uitkering een vakantietoeslag ontvangt of dat deze toeslag is inbegrepen in haar uitkering. Tijdens de mondelinge behandeling is partijen voorgehouden dat volgens de site van de Rijksoverheid het vakantiegeld inbegrepen is in de uitkering. De rechtbank gaat daar dan ook vanuit. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2026 op € 2.667,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente uitkeringsspecificaties): - basisloon € 689,- per week. De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting. 3.4.15. Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 6.257,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft. 3.4.16. De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 351,- per maand. Draagkracht [naam 3] 3.4.17. De man heeft gesteld dat het gemiddelde brutoloon van [naam 3] € 1.938,43 bedraagt, waar gemiddeld € 135,50 aan premies op wordt ingehouden. Hij heeft deze stelling onderbouwd met stukken. De vrouw heeft aangevoerd dat [naam 3] minder is gaan werken. De man heeft dit betwist en gesteld dat [naam 3] niet minder is gaan werken, maar weer in loondienst werkt en niet meer haar eigen onderneming heeft. De man heeft daarmee de stelling voldoende onderbouwd betwist. De vrouw heeft geen concrete gegevens aangevoerd waarmee de rechtbank zou moeten rekenen en daarom rekent de rechtbank met de gegevens zoals de man heeft gesteld. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van [naam 3] over het jaar 2026 op € 2.740,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties): - basisloon € 1.938,- - commissie € 136,- De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting - de arbeidskorting. Zoals overwogen onder 3.4.7. heeft de rechtbank – anders dan de man in zijn berekening – niet de vrijstellingen en aftrekmogelijkheden betrokken verbonden aan arbeid als zelfstandige. 3.4.18. Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 11.880,- per maand, waar [naam 3] gelet op haar inkomen recht op heeft. 3.4.19. De draagkracht van [naam 3] wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 387,- per maand. Draagkrachtvergelijking tussen de man en de vrouw 3.4.20. Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van [minderjarige 1] moet de behoefte over partijen worden verdeeld.
Volledig
Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel: het deel van de man bedraagt: € 505,- / € 856,- x € 216,- = € 127,- het deel van de vrouw bedraagt: € 351,- / € 856,- x € 216,- = € 89,- + samen € 216,- Van de totale behoefte van [minderjarige 1] komt dus een gedeelte van € 127,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 89,- per maand voor rekening van de vrouw. Draagkrachtvergelijking in het gezin van de man en [naam 3] 3.4.21. Hoewel de gezamenlijke draagkracht van de man en [naam 3] lager is dan de behoefte van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , kan de behoefte over de man en [naam 3] worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel: het deel van de man bedraagt: € 505,- / € 892,- x € 1.170,- = € 662,- het deel van [naam 3] bedraagt: € 387,- / € 892,- x € 1.170,- = € 508,- + samen € 1170,- Van de totale behoefte van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] komt dus een gedeelte van € 662,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 508,- per maand voor rekening van [naam 3] . 3.4.22. Volgens bovenstaande berekeningen moet de man € 127,- per maand bijdragen aan de behoefte van [minderjarige 1] en € 662,- per maand aan de behoefte van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . De draagkracht van de man bedraagt slechts € 505,-. Dat betekent dat sprake is van een tekort. Het tekort bedraagt € 284,- (€ 789,- -/- € 505,-). Dit tekort moet naar rato van de eerder berekende aandelen verdeeld worden. De man kan voor ieder kind 64% ( 505/789*100% = 64%) van zijn aandeel in hun behoeftes betalen. Dat betekent dat hij voor [minderjarige 1] 64% van € 127,- kan betalen, oftewel € 81,-. Voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] kan hij 64% van € 662,- betalen, oftewel € 424,-. Zorgkorting 3.4.23. De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 5%. De vrouw voert verweer. 3.4.24. Omdat de omgang in geschil is en een regeling is uitgebleven, terwijl er geen contact is tussen de man en [minderjarige 1] , wordt de toepassing van de zorgkorting door de rechtbank achterwege gelaten. Conclusie 3.4.25. Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] van € 81,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. 3.4.26. Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing. 3.5. Vernietiging erkenning 3.5.1. De man heeft in zijn verweerschrift op zelfstandig verzoek van 13 januari 2026 bericht dat hij zijn verzoeken deels wenst in te trekken. Het betreft het verzoek van de man dat ziet op de vernietiging van de erkenning van [minderjarige 1] . De intrekking van het verzoek van de man heeft tot gevolg dat de gronden van dat verzoek niet meer kunnen worden onderzocht. De conclusie is dan ook dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. 3.6. Beëindiging taken bijzondere curator 3.6.1. De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal op die manier beslissen. 3.7. Kosten van het DNA-onderzoek en de proceskosten 3.7.1. Gelet op de door de man in de loop van de procedure ingenomen standpunten, zijn verzoek tot de vernietiging van de erkenning, wat dit verzoek met [minderjarige 1] heeft gedaan en verder gelet op het resultaat van het deskundigenonderzoek is de rechtbank van oordeel dat de man in deze procedure moet worden beschouwd als degene door wiens toedoen de kosten van het deskundigenbericht zijn gemaakt. De man zal daarom worden veroordeeld deze kosten te voldoen. Aan partijen is geen voorschot opgelegd. De kosten van de deskundige bedragen uiteindelijk € 755,-. De man zal dit bedrag aan het Landelijk Diensten Centrum voor de Rechtspraak moeten betalen. Hij zal een nota met betaalinstructies van het Landelijk Diensten Centrum voor de Rechtspraak ontvangen. 3.7.2. Gezien de aard van de procedure zullen de overige proceskosten worden gecompenseerd. 3.8. Terugkoppeling minderjarige De kinderrechter zal [minderjarige 1] een brief sturen, waarin een en ander als volgt aan hem wordt uitgelegd: “Beste [minderjarige 1] , Een tijd geleden hebben we elkaar gesproken op de rechtbank. Een dag later heb ik met je ouders gesproken. Tijdens ons gesprek heb je me niet veel verteld, maar ik heb wel begrepen dat je je vader niet meer wilt zien en dat je eigenlijk niets met hem te maken wilt hebben. Dat heb ik besproken met je ouders. Het deed je vader verdriet om dat te horen. Hij wil jou wel graag zien. Hij heeft veel geprobeerd om dat voor elkaar te krijgen, maar hij accepteert ook jouw keuze om hem nu niet te willen zien. Ook je moeder vindt het verdrietig voor je en zou het liefst willen dat je gewoon contact met je vader kunt hebben. Door alles wat er is gebeurd en is geprobeerd, begrijp ik dat dat lastig is. Tijdens ons gesprek heb ik je al uitgelegd dat je mening over je vader kan en mag veranderen. Weet dat de deur bij je vader altijd voor jou openstaat. Als je benieuwd bent hoe hij is of als je hem dingen wilt vragen, dan kan dat. Het mag op jouw tijd en als jij er klaar voor bent. Als dat moment ooit aanbreekt, vind ik het belangrijk dat jouw vader weet hoe het met je gaat en wat er in jouw leven gebeurt. Daarom heb ik besloten dat je moeder vier keer in het jaar wat informatie over jou deelt met je vader. Als jij dan bij hem aan wilt kloppen, hoop ik dat jullie makkelijker in gesprek kunnen raken. Ik wens je het beste! Met vriendelijke groet, de kinderrechter” 4 De beslissing De rechtbank: 4.1. wijst af het verzoek van de man tot vaststelling van een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht; 4.2. bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per kwartaal, telkens in de laatste week van het kwartaal oftewel in de laatste week van maart, juni september en december, op de hoogte te stelt omtrent belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot de persoon, alsmede informatie over zijn gezondheidssituatie, en het vermogen van [minderjarige 1] en hem ook te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen, 4.3. wijst af het verzoek van de man over de vernietiging van de erkenning; 4.4. beschouwt – voor zover geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van de datum van deze beschikking als beëindigd; 4.5. bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 81,- per maand; 4.6. bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2027 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW; 4.7. veroordeelt de man in de kosten van het deskundigenbericht, zijnde een bedrag van € 755, welk bedrag aan hij aan het Landelijk Diensten Centrum voor de Rechtspraak moet voldoen en waarvan hij op korte termijn een nota met de benodigde kenmerken zal ontvangen; 4.8. compenseert de proceskosten voor het overige, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.9. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 4.10. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. S. Wierink, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.P. van Driel, griffier, op 14 april 2026. Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat. Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking.
Volledig
Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel: het deel van de man bedraagt: € 505,- / € 856,- x € 216,- = € 127,- het deel van de vrouw bedraagt: € 351,- / € 856,- x € 216,- = € 89,- + samen € 216,- Van de totale behoefte van [minderjarige 1] komt dus een gedeelte van € 127,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 89,- per maand voor rekening van de vrouw. Draagkrachtvergelijking in het gezin van de man en [naam 3] 3.4.21. Hoewel de gezamenlijke draagkracht van de man en [naam 3] lager is dan de behoefte van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , kan de behoefte over de man en [naam 3] worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel: het deel van de man bedraagt: € 505,- / € 892,- x € 1.170,- = € 662,- het deel van [naam 3] bedraagt: € 387,- / € 892,- x € 1.170,- = € 508,- + samen € 1170,- Van de totale behoefte van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] komt dus een gedeelte van € 662,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 508,- per maand voor rekening van [naam 3] . 3.4.22. Volgens bovenstaande berekeningen moet de man € 127,- per maand bijdragen aan de behoefte van [minderjarige 1] en € 662,- per maand aan de behoefte van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . De draagkracht van de man bedraagt slechts € 505,-. Dat betekent dat sprake is van een tekort. Het tekort bedraagt € 284,- (€ 789,- -/- € 505,-). Dit tekort moet naar rato van de eerder berekende aandelen verdeeld worden. De man kan voor ieder kind 64% ( 505/789*100% = 64%) van zijn aandeel in hun behoeftes betalen. Dat betekent dat hij voor [minderjarige 1] 64% van € 127,- kan betalen, oftewel € 81,-. Voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] kan hij 64% van € 662,- betalen, oftewel € 424,-. Zorgkorting 3.4.23. De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 5%. De vrouw voert verweer. 3.4.24. Omdat de omgang in geschil is en een regeling is uitgebleven, terwijl er geen contact is tussen de man en [minderjarige 1] , wordt de toepassing van de zorgkorting door de rechtbank achterwege gelaten. Conclusie 3.4.25. Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] van € 81,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. 3.4.26. Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing. 3.5. Vernietiging erkenning 3.5.1. De man heeft in zijn verweerschrift op zelfstandig verzoek van 13 januari 2026 bericht dat hij zijn verzoeken deels wenst in te trekken. Het betreft het verzoek van de man dat ziet op de vernietiging van de erkenning van [minderjarige 1] . De intrekking van het verzoek van de man heeft tot gevolg dat de gronden van dat verzoek niet meer kunnen worden onderzocht. De conclusie is dan ook dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. 3.6. Beëindiging taken bijzondere curator 3.6.1. De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal op die manier beslissen. 3.7. Kosten van het DNA-onderzoek en de proceskosten 3.7.1. Gelet op de door de man in de loop van de procedure ingenomen standpunten, zijn verzoek tot de vernietiging van de erkenning, wat dit verzoek met [minderjarige 1] heeft gedaan en verder gelet op het resultaat van het deskundigenonderzoek is de rechtbank van oordeel dat de man in deze procedure moet worden beschouwd als degene door wiens toedoen de kosten van het deskundigenbericht zijn gemaakt. De man zal daarom worden veroordeeld deze kosten te voldoen. Aan partijen is geen voorschot opgelegd. De kosten van de deskundige bedragen uiteindelijk € 755,-. De man zal dit bedrag aan het Landelijk Diensten Centrum voor de Rechtspraak moeten betalen. Hij zal een nota met betaalinstructies van het Landelijk Diensten Centrum voor de Rechtspraak ontvangen. 3.7.2. Gezien de aard van de procedure zullen de overige proceskosten worden gecompenseerd. 3.8. Terugkoppeling minderjarige De kinderrechter zal [minderjarige 1] een brief sturen, waarin een en ander als volgt aan hem wordt uitgelegd: “Beste [minderjarige 1] , Een tijd geleden hebben we elkaar gesproken op de rechtbank. Een dag later heb ik met je ouders gesproken. Tijdens ons gesprek heb je me niet veel verteld, maar ik heb wel begrepen dat je je vader niet meer wilt zien en dat je eigenlijk niets met hem te maken wilt hebben. Dat heb ik besproken met je ouders. Het deed je vader verdriet om dat te horen. Hij wil jou wel graag zien. Hij heeft veel geprobeerd om dat voor elkaar te krijgen, maar hij accepteert ook jouw keuze om hem nu niet te willen zien. Ook je moeder vindt het verdrietig voor je en zou het liefst willen dat je gewoon contact met je vader kunt hebben. Door alles wat er is gebeurd en is geprobeerd, begrijp ik dat dat lastig is. Tijdens ons gesprek heb ik je al uitgelegd dat je mening over je vader kan en mag veranderen. Weet dat de deur bij je vader altijd voor jou openstaat. Als je benieuwd bent hoe hij is of als je hem dingen wilt vragen, dan kan dat. Het mag op jouw tijd en als jij er klaar voor bent. Als dat moment ooit aanbreekt, vind ik het belangrijk dat jouw vader weet hoe het met je gaat en wat er in jouw leven gebeurt. Daarom heb ik besloten dat je moeder vier keer in het jaar wat informatie over jou deelt met je vader. Als jij dan bij hem aan wilt kloppen, hoop ik dat jullie makkelijker in gesprek kunnen raken. Ik wens je het beste! Met vriendelijke groet, de kinderrechter” 4 De beslissing De rechtbank: 4.1. wijst af het verzoek van de man tot vaststelling van een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht; 4.2. bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per kwartaal, telkens in de laatste week van het kwartaal oftewel in de laatste week van maart, juni september en december, op de hoogte te stelt omtrent belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot de persoon, alsmede informatie over zijn gezondheidssituatie, en het vermogen van [minderjarige 1] en hem ook te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen, 4.3. wijst af het verzoek van de man over de vernietiging van de erkenning; 4.4. beschouwt – voor zover geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van de datum van deze beschikking als beëindigd; 4.5. bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 81,- per maand; 4.6. bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2027 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW; 4.7. veroordeelt de man in de kosten van het deskundigenbericht, zijnde een bedrag van € 755, welk bedrag aan hij aan het Landelijk Diensten Centrum voor de Rechtspraak moet voldoen en waarvan hij op korte termijn een nota met de benodigde kenmerken zal ontvangen; 4.8. compenseert de proceskosten voor het overige, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.9. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 4.10. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. S. Wierink, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.P. van Driel, griffier, op 14 april 2026. Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat. Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking.