Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-01
ECLI:NL:RBROT:2026:4280
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,765 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4280 text/xml public 2026-05-06T09:17:38 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-01 C/10/711684 / HA ZA 25-1077 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4280 text/html public 2026-05-06T09:11:51 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4280 Rechtbank Rotterdam , 01-04-2026 / C/10/711684 / HA ZA 25-1077 Het beloop van de vordering bedraagt minder dan €25.000. De kantonrechter is bevoegd (art. 93 Rv). De rechtbank verwijst de zaak naar de kantonrechter (art. 71 lid 2 Rv). RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/711684 / HA ZA 25-1077 Vonnis van 1 april 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. W. Suttorp, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. S. Salhi. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 12 november 2025, met producties 1 tot en met 8; de conclusie van antwoord van 28 januari 2026, met productie 1; de brief van 4 februari 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 21 april 2026. 1.2. In haar bericht van 13 maart 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat deze zaak naar haar voorlopig oordeel, gelet op het beloop van de vordering, verder moet worden behandeld en beslist door de kantonrechter. De rechtbank heeft partijen daarbij in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten. 1.3. Bij e-mail van 16 maart 2026 heeft de advocaat van de man de rechtbank laten weten dat de man de handelsrechter bevoegd acht om van de vordering kennis te nemen, omdat de zaak betrekking heeft op een verdeling van een gemeenschap en de daaruit voortvloeiende vorderingen. Verder refereert de man zich aan het oordeel van de rechtbank. 1.4. De (advocaat van de) vrouw heeft niet gereageerd. 2 De beoordeling 2.1. De rechtbank blijft bij haar oordeel dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank. De geldvordering van de man bedraagt € 7.061,73, wat veel lager is dan € 25.000 en wat dus maakt dat de kantonrechter bevoegd is (artikel 93 Rv). Dat de vordering voortvloeit uit of betrekking heeft op een verdeling van de gemeenschap van goederen, maakt dit oordeel niet anders. 2.2. Omdat de man zijn vordering niet heeft ingediend bij de kantonrechter, zal de rechtbank de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv ambtshalve naar de kantonrechter verwijzen. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Rotterdam, op woensdag 15 april 2026 om 10:00 uur , 3.2. wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren, 3.3. wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen, 3.4. wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort. Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026. [3961/1980]
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4280 text/xml public 2026-05-06T09:17:38 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-01 C/10/711684 / HA ZA 25-1077 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4280 text/html public 2026-05-06T09:11:51 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4280 Rechtbank Rotterdam , 01-04-2026 / C/10/711684 / HA ZA 25-1077 Het beloop van de vordering bedraagt minder dan €25.000. De kantonrechter is bevoegd (art. 93 Rv). De rechtbank verwijst de zaak naar de kantonrechter (art. 71 lid 2 Rv). RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/711684 / HA ZA 25-1077 Vonnis van 1 april 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. W. Suttorp, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. S. Salhi. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 12 november 2025, met producties 1 tot en met 8; de conclusie van antwoord van 28 januari 2026, met productie 1; de brief van 4 februari 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 21 april 2026. 1.2. In haar bericht van 13 maart 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat deze zaak naar haar voorlopig oordeel, gelet op het beloop van de vordering, verder moet worden behandeld en beslist door de kantonrechter. De rechtbank heeft partijen daarbij in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten. 1.3. Bij e-mail van 16 maart 2026 heeft de advocaat van de man de rechtbank laten weten dat de man de handelsrechter bevoegd acht om van de vordering kennis te nemen, omdat de zaak betrekking heeft op een verdeling van een gemeenschap en de daaruit voortvloeiende vorderingen. Verder refereert de man zich aan het oordeel van de rechtbank. 1.4. De (advocaat van de) vrouw heeft niet gereageerd. 2 De beoordeling 2.1. De rechtbank blijft bij haar oordeel dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank. De geldvordering van de man bedraagt € 7.061,73, wat veel lager is dan € 25.000 en wat dus maakt dat de kantonrechter bevoegd is (artikel 93 Rv). Dat de vordering voortvloeit uit of betrekking heeft op een verdeling van de gemeenschap van goederen, maakt dit oordeel niet anders. 2.2. Omdat de man zijn vordering niet heeft ingediend bij de kantonrechter, zal de rechtbank de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv ambtshalve naar de kantonrechter verwijzen. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Rotterdam, op woensdag 15 april 2026 om 10:00 uur , 3.2. wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren, 3.3. wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen, 3.4. wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort. Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026. [3961/1980]