Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-26
ECLI:NL:RBROT:2026:4110
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,470 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4110 text/xml public 2026-05-04T14:16:50 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-26 C/10/711770 / JE RK 25-2589 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4110 text/html public 2026-05-04T14:15:29 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4110 Rechtbank Rotterdam , 26-03-2026 / C/10/711770 / JE RK 25-2589 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging uithuisplaatsing. Er wordt toegewerkt naar een gefaseerde terugplaatsing bij de moeder. Voor een verantwoorde terugplaatsing zijn verdere uitbreiding van de omgang en inzet van passende hulpverlening nodig. Onduidelijkheid over financiering van hulpverlening mag geen belemmering zijn voor terugplaatsing. RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/711770 / JE RK 25-2589 Datum uitspraak: 26 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , bijgestaan door advocaat mr. J.J. Boelaars, kantoorhoudende in Rotterdam. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 29 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken; de briefrapportage van de GI van 3 maart 2026, ingekomen op diezelfde datum; een brief van de advocaat van de moeder van 24 maart 2026, ingekomen op diezelfde datum; de aanvullende briefrapportage van de GI, ontvangen op 26 maart 2026. 1.2. Op 26 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat. 1.3. De kinderrechter stelt vast dat de GI wel juist is opgeroepen, maar de GI is zonder bericht van verhindering niet verschenen. De kinderrechter heeft de jeugdbeschermer ter zitting telefonisch geprobeerd te bereiken, maar dat is niet gelukt. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] . 2.2. [voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 15 juli 2026. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 januari 2026 de machtiging [voornaam minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 4 mei 2026. 3 Het verzoek van de GI 3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Hiervan zijn reeds drie maanden verleend. Er dient nog te worden beslist over de resterende duur, te weten tot 15 juli 2026. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het standpunt van de moeder 4.1. Door en namens de moeder is ter zitting ingestemd met het verzoek van de GI. Het gaat beter met de moeder. Ze werkt aan het op orde brengen van haar woning en ontvangt daarbij ondersteuning van HomeRun. Sinds kort is de koers van de GI gewijzigd en zal de GI stapsgewijs gaan toewerken naar een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder. De moeder is gemotiveerd om de zorg voor [voornaam minderjarige] weer op zich te nemen. Het is positief dat er nu beweging in de situatie is gekomen. Voor een verantwoorde terugplaatsing is passende opvoedondersteuning noodzakelijk. Op dit moment lijkt de inzet daarvan te stagneren als gevolg van onduidelijkheid over de financiering bij de gemeente. De advocaat van de moeder geeft aan te zullen kijken of het mogelijk is om hier beweging in te krijgen. Ook wordt de GI verzocht om te onderzoeken welke alternatieve mogelijkheden beschikbaar zijn om de benodigde ondersteuning tijdig in te zetten. 5 De beoordeling 5.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hierna uit waarom. 5.2. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de GI toewerkt naar een gefaseerde terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder. De omgang wordt uitgebreid en onbegeleide momenten worden opgestart. De kinderrechter ziet dat de moeder positieve stappen heeft gezet en gemotiveerd is om de zorg voor [voornaam minderjarige] weer op zich te nemen. Zo heeft de moeder haar taakstraf afgerond, staat zij ingeschreven voor therapie en ontvangt zij praktische ondersteuning. Daarnaast werkt zij actief aan het op orde brengen van haar woning en bereidt zij zich zichtbaar voor op een terugkeer van [voornaam minderjarige] . Tegelijkertijd is het noodzakelijk dat de terugplaatsing zorgvuldig wordt voorbereid, zodat de situatie duurzaam kan worden vormgegeven. Op dit moment moeten nog verschillende stappen worden gezet, waaronder het verder uitbreiden van de omgang en het organiseren van passende ondersteuning in de thuissituatie. Gelet hierop is het noodzakelijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog voor de resterende duur wordt verlengd, zodat deze gefaseerde terugplaatsing kan plaatsvinden. De kinderrechter benadrukt tot slot dat eventuele financieringsvraagstukken geen belemmering mogen vormen voor het inzetten van de noodzakelijke hulpverlening en daarmee de thuisplaatsing. 5.3. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 15 juli 2026; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4110 text/xml public 2026-05-04T14:16:50 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-26 C/10/711770 / JE RK 25-2589 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4110 text/html public 2026-05-04T14:15:29 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4110 Rechtbank Rotterdam , 26-03-2026 / C/10/711770 / JE RK 25-2589 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging uithuisplaatsing. Er wordt toegewerkt naar een gefaseerde terugplaatsing bij de moeder. Voor een verantwoorde terugplaatsing zijn verdere uitbreiding van de omgang en inzet van passende hulpverlening nodig. Onduidelijkheid over financiering van hulpverlening mag geen belemmering zijn voor terugplaatsing. RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/711770 / JE RK 25-2589 Datum uitspraak: 26 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , bijgestaan door advocaat mr. J.J. Boelaars, kantoorhoudende in Rotterdam. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 29 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken; de briefrapportage van de GI van 3 maart 2026, ingekomen op diezelfde datum; een brief van de advocaat van de moeder van 24 maart 2026, ingekomen op diezelfde datum; de aanvullende briefrapportage van de GI, ontvangen op 26 maart 2026. 1.2. Op 26 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat. 1.3. De kinderrechter stelt vast dat de GI wel juist is opgeroepen, maar de GI is zonder bericht van verhindering niet verschenen. De kinderrechter heeft de jeugdbeschermer ter zitting telefonisch geprobeerd te bereiken, maar dat is niet gelukt. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] . 2.2. [voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 15 juli 2026. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 januari 2026 de machtiging [voornaam minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 4 mei 2026. 3 Het verzoek van de GI 3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Hiervan zijn reeds drie maanden verleend. Er dient nog te worden beslist over de resterende duur, te weten tot 15 juli 2026. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het standpunt van de moeder 4.1. Door en namens de moeder is ter zitting ingestemd met het verzoek van de GI. Het gaat beter met de moeder. Ze werkt aan het op orde brengen van haar woning en ontvangt daarbij ondersteuning van HomeRun. Sinds kort is de koers van de GI gewijzigd en zal de GI stapsgewijs gaan toewerken naar een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder. De moeder is gemotiveerd om de zorg voor [voornaam minderjarige] weer op zich te nemen. Het is positief dat er nu beweging in de situatie is gekomen. Voor een verantwoorde terugplaatsing is passende opvoedondersteuning noodzakelijk. Op dit moment lijkt de inzet daarvan te stagneren als gevolg van onduidelijkheid over de financiering bij de gemeente. De advocaat van de moeder geeft aan te zullen kijken of het mogelijk is om hier beweging in te krijgen. Ook wordt de GI verzocht om te onderzoeken welke alternatieve mogelijkheden beschikbaar zijn om de benodigde ondersteuning tijdig in te zetten. 5 De beoordeling 5.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hierna uit waarom. 5.2. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de GI toewerkt naar een gefaseerde terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder. De omgang wordt uitgebreid en onbegeleide momenten worden opgestart. De kinderrechter ziet dat de moeder positieve stappen heeft gezet en gemotiveerd is om de zorg voor [voornaam minderjarige] weer op zich te nemen. Zo heeft de moeder haar taakstraf afgerond, staat zij ingeschreven voor therapie en ontvangt zij praktische ondersteuning. Daarnaast werkt zij actief aan het op orde brengen van haar woning en bereidt zij zich zichtbaar voor op een terugkeer van [voornaam minderjarige] . Tegelijkertijd is het noodzakelijk dat de terugplaatsing zorgvuldig wordt voorbereid, zodat de situatie duurzaam kan worden vormgegeven. Op dit moment moeten nog verschillende stappen worden gezet, waaronder het verder uitbreiden van de omgang en het organiseren van passende ondersteuning in de thuissituatie. Gelet hierop is het noodzakelijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog voor de resterende duur wordt verlengd, zodat deze gefaseerde terugplaatsing kan plaatsvinden. De kinderrechter benadrukt tot slot dat eventuele financieringsvraagstukken geen belemmering mogen vormen voor het inzetten van de noodzakelijke hulpverlening en daarmee de thuisplaatsing. 5.3. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 15 juli 2026; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.