Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-25
ECLI:NL:RBROT:2026:4012
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,082 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4012 text/xml public 2026-04-09T09:14:49 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-25 ROT 24/8644 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4012 text/html public 2026-04-09T09:13:16 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4012 Rechtbank Rotterdam , 25-03-2026 / ROT 24/8644 Beroep van een werkgever tegen de hoogte van de WW-uitkering van een ex-werknemer met inkomsten en een arbeidsvoorwaardenbedrag. Geen reden om het resultaat kennelijk onredelijk te achten. Beroep ongegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/8644 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen de gemeente Rotterdam, zetelend te Rotterdam, eiseres (gemachtigde: mr. L. van den Buijs), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: [naam 1]). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] uit De Krim ([naam 2]). Procesverloop 1.1. Met brieven van 7 maart 2024, 18 maart 2024, 4 april 2024 en 3 mei 2024 heeft het UWV eiseres als belanghebbende op de hoogte gebracht van besluiten van die data over de hoogte van de uitkering van [naam 2] op grond van de Werkloosheidswet (WW). 1.2. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de hiervoor genoemde besluiten gebleven. 1.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.4. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. Daarop heeft eiseres gereageerd, waarna het UWV een aanvullend verweerschrift heeft ingediend. 1.6. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het UWV en de gemachtigde van eiseres. Beoordeling door de rechtbank 2. Bij besluit van 14 juli 2023 heeft het UWV een WW-uitkering toegekend aan [naam 2], ex-werknemer van eiseres. Omdat eiseres eigenrisicodrager is voor de WW, heeft het UWV haar nadien de primaire besluiten gestuurd over de hoogte van de WW-uitkering van [naam 2], waarbij het UWV de WWuitkering over de maanden januari, februari en april 2024 heeft vastgesteld op bruto € 664,98 per maand en over de maand maart 2024 op bruto € 665,41. Met het bestreden besluit heeft het UWV de primaire besluiten gehandhaafd. 3. Bij de berekeningen van de WW-uitkering heeft het UWV – voor zover van belang – bij de vaststelling van het dagloon overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen bij het loon opgeteld de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag (AVWB) en daarop in mindering gebracht de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een AVWB. Bij de bepaling evenwel van het door [naam 2] bij een nieuwe werkgever genoten inkomen tijdens de WW-uitkering heeft het UWV – opnieuw voor zover van belang – overeenkomstig artikel 4:1, tiende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) de in een aangiftetijdvak uitbetaalde componenten ten laste van een AVWB in aanmerking genomen en de opgebouwde looncomponenten niet in aanmerking genomen. 4. In artikel 4:1, elfde lid, van het AIB is bepaald dat indien toepassing van het artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat, het UWV het inkomen op een andere wijze bepaalt. 5. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat [naam 2] door de opbouw van een AVWB bij de nieuwe werkgever dat in de relevante periode niet tot uitbetaling is gekomen, recht heeft op een WW-uitkering ten laste van eiseres als eigenrisicodrager waardoor hij in totaal, wanneer de opbouw van het AVWB net als bij de berekening van het dagloon wel in aanmerking wordt genomen, inclusief de WW-uitkering meer verdient dan hij bij eiseres verdiende. De door het UWV gehanteerde wijze van berekenen leidt volgens eiseres daarom voor haar als verplichte eigenrisicodrager tot een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 4:1, elfde lid, van het AIB, zodat het UWV ten onrechte het inkomen niet overeenkomstig dit artikellid op een andere wijze heeft bepaald. 6. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank allereerst vast dat in de Nota van toelichting bij het besluit van 19 februari 2021, houdende wijziging van het AIB, het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, en enkele andere besluiten in verband met het AVWB , waarop het UWV zich heeft beroepen, juist voor de maandelijkse verrekening van inkomsten uit arbeid met een WW-uitkering een uitzondering is gemaakt op de algemene werkwijze dat wordt aangesloten bij het moment van opbouw in plaats van uitbetaling. Daarvoor is als praktische reden genoemd (p. 9) dat verrekening maandelijks plaatsvindt op basis van de opgave van het loon door de uitkeringsgerechtigde. De uitkeringsgerechtigde hoeft alleen het ontvangen loon op te geven aan het UWV. Een aparte opgave van naast het loon opgebouwde en uitbetaalde bedragen op grond van een AVWB is daarbij niet noodzakelijk. Bij de WW-uitkering gaat het om een in beginsel kortdurende uitkering. Vaker dan bij uitkeringen op grond van de andere wetten wordt naast de uitkering inkomen uit arbeid genoten. Uit het oogpunt van uitvoerbaarheid moet de WW-uitkering meteen na afloop van de maand waarop de uitkering betrekking heeft vastgesteld kunnen worden en dat kan alleen maar als bij de vaststelling van de uitkering uitgegaan kan worden van de inkomstenopgave van de uitkeringsgerechtigde. Verder is in de Nota van toelichting opgenomen (p. 14) dat de reden dat bij inkomstenverrekening met een WW-uitkering rekening wordt gehouden met uitbetaalde bedragen in plaats van met de opbouw van de bedragen, is dat de inkomstenverrekening plaatsvindt op basis van inkomstenopgave door de werknemer/uitkeringsgerechtigde. Opgave van ook het opgebouwde AVWB en het uitbetaalde bedrag ten laste van het AVWB zou een risico opleveren op fouten in de opgave en dus een kans op foute uitvoering van de verrekening met als gevolg navordering of nabetaling van uitkering. 7. De rechtbank acht het invoelbaar dat eiseres als eigenrisicodrager het als onredelijk ervaart dat een werknemer ten laste van de eigenrisicodrager een WW-uitkering behoudt in de situatie dat zijn loon inclusief opbouw van een AVWB bij een nieuwe werkgever al hoger is dan of (in dit geval) nagenoeg even hoog is als het loon bij de oude werkgever. Zij is echter van oordeel dat die omstandigheid, voortvloeiend uit de genoemde regelgeving, toch niet maakt dat sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat in de zin van artikel 4:1, elfde lid, van het AIB. Uit de Nota van toelichting blijkt dat juist in de situatie van een WW-uitkering expliciet voor deze manier van inkomstenkorting is gekozen vanwege praktische redenen en uit het oogpunt van uitvoerbaarheid. Weliswaar begrijpt de rechtbank uit de toelichting van het UWV ter zitting dat het voor het UWV mogelijk is om maandelijks het AVWB uit de polisadministratie te halen, maar gelet op de expliciete bedoeling van de regelgever en het feit dat een veelheid van feitelijke variaties op dit thema mogelijk is – waardoor de uitvoerbaarheid weer in het gedrang komt – ziet de rechtbank toch geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 april 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:904), waarin ten aanzien van een andere kwestie van opgebouwde versus uitbetaalde bedragen is geoordeeld dat de omstandigheid dat een andere benadering voor de eigenrisicodrager voordeliger was geweest, geen reden is om het resultaat kennelijk onredelijk te achten, aangezien niet elk feitelijk of ervaren nadelig resultaat als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt. Bij het voorgaande kan ten slotte nog worden aangetekend dat eiseres weliswaar terecht naar voren heeft gebracht dat zij ook niets meer aan de situatie kan veranderen, omdat re-integratie, gegeven het nieuwe werk van [naam 2], niet meer aan de orde is, maar dat daar dan weer tegenover staat dat de kosten van re-integratie bespaard worden.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4012 text/xml public 2026-04-09T09:14:49 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-25 ROT 24/8644 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4012 text/html public 2026-04-09T09:13:16 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4012 Rechtbank Rotterdam , 25-03-2026 / ROT 24/8644 Beroep van een werkgever tegen de hoogte van de WW-uitkering van een ex-werknemer met inkomsten en een arbeidsvoorwaardenbedrag. Geen reden om het resultaat kennelijk onredelijk te achten. Beroep ongegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/8644 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen de gemeente Rotterdam, zetelend te Rotterdam, eiseres (gemachtigde: mr. L. van den Buijs), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: [naam 1]). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] uit De Krim ([naam 2]). Procesverloop 1.1. Met brieven van 7 maart 2024, 18 maart 2024, 4 april 2024 en 3 mei 2024 heeft het UWV eiseres als belanghebbende op de hoogte gebracht van besluiten van die data over de hoogte van de uitkering van [naam 2] op grond van de Werkloosheidswet (WW). 1.2. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de hiervoor genoemde besluiten gebleven. 1.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.4. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. Daarop heeft eiseres gereageerd, waarna het UWV een aanvullend verweerschrift heeft ingediend. 1.6. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het UWV en de gemachtigde van eiseres. Beoordeling door de rechtbank 2. Bij besluit van 14 juli 2023 heeft het UWV een WW-uitkering toegekend aan [naam 2], ex-werknemer van eiseres. Omdat eiseres eigenrisicodrager is voor de WW, heeft het UWV haar nadien de primaire besluiten gestuurd over de hoogte van de WW-uitkering van [naam 2], waarbij het UWV de WWuitkering over de maanden januari, februari en april 2024 heeft vastgesteld op bruto € 664,98 per maand en over de maand maart 2024 op bruto € 665,41. Met het bestreden besluit heeft het UWV de primaire besluiten gehandhaafd. 3. Bij de berekeningen van de WW-uitkering heeft het UWV – voor zover van belang – bij de vaststelling van het dagloon overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen bij het loon opgeteld de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag (AVWB) en daarop in mindering gebracht de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een AVWB. Bij de bepaling evenwel van het door [naam 2] bij een nieuwe werkgever genoten inkomen tijdens de WW-uitkering heeft het UWV – opnieuw voor zover van belang – overeenkomstig artikel 4:1, tiende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) de in een aangiftetijdvak uitbetaalde componenten ten laste van een AVWB in aanmerking genomen en de opgebouwde looncomponenten niet in aanmerking genomen. 4. In artikel 4:1, elfde lid, van het AIB is bepaald dat indien toepassing van het artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat, het UWV het inkomen op een andere wijze bepaalt. 5. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat [naam 2] door de opbouw van een AVWB bij de nieuwe werkgever dat in de relevante periode niet tot uitbetaling is gekomen, recht heeft op een WW-uitkering ten laste van eiseres als eigenrisicodrager waardoor hij in totaal, wanneer de opbouw van het AVWB net als bij de berekening van het dagloon wel in aanmerking wordt genomen, inclusief de WW-uitkering meer verdient dan hij bij eiseres verdiende. De door het UWV gehanteerde wijze van berekenen leidt volgens eiseres daarom voor haar als verplichte eigenrisicodrager tot een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 4:1, elfde lid, van het AIB, zodat het UWV ten onrechte het inkomen niet overeenkomstig dit artikellid op een andere wijze heeft bepaald. 6. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank allereerst vast dat in de Nota van toelichting bij het besluit van 19 februari 2021, houdende wijziging van het AIB, het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, en enkele andere besluiten in verband met het AVWB , waarop het UWV zich heeft beroepen, juist voor de maandelijkse verrekening van inkomsten uit arbeid met een WW-uitkering een uitzondering is gemaakt op de algemene werkwijze dat wordt aangesloten bij het moment van opbouw in plaats van uitbetaling. Daarvoor is als praktische reden genoemd (p. 9) dat verrekening maandelijks plaatsvindt op basis van de opgave van het loon door de uitkeringsgerechtigde. De uitkeringsgerechtigde hoeft alleen het ontvangen loon op te geven aan het UWV. Een aparte opgave van naast het loon opgebouwde en uitbetaalde bedragen op grond van een AVWB is daarbij niet noodzakelijk. Bij de WW-uitkering gaat het om een in beginsel kortdurende uitkering. Vaker dan bij uitkeringen op grond van de andere wetten wordt naast de uitkering inkomen uit arbeid genoten. Uit het oogpunt van uitvoerbaarheid moet de WW-uitkering meteen na afloop van de maand waarop de uitkering betrekking heeft vastgesteld kunnen worden en dat kan alleen maar als bij de vaststelling van de uitkering uitgegaan kan worden van de inkomstenopgave van de uitkeringsgerechtigde. Verder is in de Nota van toelichting opgenomen (p. 14) dat de reden dat bij inkomstenverrekening met een WW-uitkering rekening wordt gehouden met uitbetaalde bedragen in plaats van met de opbouw van de bedragen, is dat de inkomstenverrekening plaatsvindt op basis van inkomstenopgave door de werknemer/uitkeringsgerechtigde. Opgave van ook het opgebouwde AVWB en het uitbetaalde bedrag ten laste van het AVWB zou een risico opleveren op fouten in de opgave en dus een kans op foute uitvoering van de verrekening met als gevolg navordering of nabetaling van uitkering. 7. De rechtbank acht het invoelbaar dat eiseres als eigenrisicodrager het als onredelijk ervaart dat een werknemer ten laste van de eigenrisicodrager een WW-uitkering behoudt in de situatie dat zijn loon inclusief opbouw van een AVWB bij een nieuwe werkgever al hoger is dan of (in dit geval) nagenoeg even hoog is als het loon bij de oude werkgever. Zij is echter van oordeel dat die omstandigheid, voortvloeiend uit de genoemde regelgeving, toch niet maakt dat sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat in de zin van artikel 4:1, elfde lid, van het AIB. Uit de Nota van toelichting blijkt dat juist in de situatie van een WW-uitkering expliciet voor deze manier van inkomstenkorting is gekozen vanwege praktische redenen en uit het oogpunt van uitvoerbaarheid. Weliswaar begrijpt de rechtbank uit de toelichting van het UWV ter zitting dat het voor het UWV mogelijk is om maandelijks het AVWB uit de polisadministratie te halen, maar gelet op de expliciete bedoeling van de regelgever en het feit dat een veelheid van feitelijke variaties op dit thema mogelijk is – waardoor de uitvoerbaarheid weer in het gedrang komt – ziet de rechtbank toch geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 april 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:904), waarin ten aanzien van een andere kwestie van opgebouwde versus uitbetaalde bedragen is geoordeeld dat de omstandigheid dat een andere benadering voor de eigenrisicodrager voordeliger was geweest, geen reden is om het resultaat kennelijk onredelijk te achten, aangezien niet elk feitelijk of ervaren nadelig resultaat als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt. Bij het voorgaande kan ten slotte nog worden aangetekend dat eiseres weliswaar terecht naar voren heeft gebracht dat zij ook niets meer aan de situatie kan veranderen, omdat re-integratie, gegeven het nieuwe werk van [naam 2], niet meer aan de orde is, maar dat daar dan weer tegenover staat dat de kosten van re-integratie bespaard worden.