Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-13
ECLI:NL:RBROT:2026:3946
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,050 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3946 text/xml public 2026-04-07T16:20:18 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-13 10.251831.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3946 text/html public 2026-04-07T16:19:30 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3946 Rechtbank Rotterdam , 13-02-2026 / 10.251831.25 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer onverwachts en op klaarlichte dag meermalen met een vuist in zijn gezicht te slaan. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 195 maanden voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden. Verder wordt aan de verdachte een taakstraf van 150 uur opgelegd. De verdachte wordt ook veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan het slachtoffer. Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 10.251831.25 Datum zitting en uitspraak: 13 februari 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats] ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaatsnaam] . Advocaat van de verdachte: mr. S. Splinter Officier van justitie: mr. L.J. Bergsma Benadeelde partij: [benadeelde partij] Advocaat van de benadeelde partij: mr. F.J.M. Hamers 1 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – het [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld, dan wel heeft mishandeld. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat hij op of omstreeks 23 september 2025 te Rotterdam aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] (met kracht) meermalen in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen, subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 23 september 2025 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen (met kracht) in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had. 2 Bewijs 2.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de primaire beschuldiging. 2.2. Conclusie van de verdediging De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 2.3. Oordeel van de rechtbank 2.3.1. Bewezenverklaring Bewezen is dat: hij op 23 september 2025 te Rotterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met kracht meermalen in het gezicht te slaan en te stompen. 2.3.2. Bewijsmiddelen De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven. 1. Verklaring van de verdachte 2. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer] 3. Schriftelijk stuk 3 Kwalificatie en strafbaarheid 3.1. Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: zware mishandeling 3.2. Strafbaarheid van het feit en van de verdachte Het feit en de verdachte zijn strafbaar. 4 Straffen 4.1. Eis van de officier van justitie De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 195 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Voor die voorwaarden en het toezicht door de reclassering vordert zij de dadelijke uitvoerbaarheid. Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur. 4.2. Standpunt van de verdediging De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest al dan niet met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering. 4.3. Oordeel van de rechtbank 4.3.1. Ernst en omstandigheden van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer onverwachts meermalen met een vuist in zijn gezicht te slaan. Dit is een zeer ernstig feit. Het slaan in het gezicht van het slachtoffer heeft geleid tot meerdere breuken in het gezicht, waaronder de oogkassen, bovenkaak, kaakholtes, neus en het jukbeen, en tot – mogelijk blijvende – aantasting van het zicht in één oog. Hiervoor moest hij meermaals worden geopereerd. Het slachtoffer heeft veel pijn gehad en beperkingen ervaren. De dochter van het slachtoffer heeft tijdens de zitting een slachtofferverklaring voorgelezen, waaruit volgt dat het slachtoffer nog steeds (fysiek en mentaal) last heeft van wat hem die dag is overkomen. De rechtbank rekent het de verdachte zeer aan dat hij zich op klaarlichte dag, zonder enige aanleiding, zo agressief heeft gedragen. Dit soort geweld roept gevoelens van onveiligheid en angst op in de samenleving, met name bij de slachtoffers, maar ook bij getuigen van dit geweld, zoals in dit geval leerlingen van een basisschool die dichtbij op een schoolplein speelden. 4.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden Strafblad Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Rapporten van de psychiater en de reclassering In het rapport van psychiater [naam] van 15 december 2025 staat het volgende. Er is bij de verdachte sprake van antisociaal gedrag. Dit was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde feit. Deze stoornis uit zich bij verdachte door problemen in impulsregulatie, prikkelbaarheid en agressief gedrag. Vanuit zijn antisociale gedrag is er bij verdachte sprake van inadequate copingmechanismen. Behandeling is noodzakelijk om dit te bespreken en te veranderen om niet opnieuw in delictgedrag te vervallen. Verder heeft de verdachte nauwelijks probleembesef. De verdachte kan zich moeilijk inleven in de gevolgen van zijn gedrag voor een ander. Tijdens het onderzoek geeft verdachte aan spijt te hebben van de mishandeling, maar dit voelt doelbewust en weinig doorleefd aan. De verdachte is met name extern gemotiveerd voor behandeling. Het recidiverisico op gewelddadig gedrag op de korte, middellange en langere termijn wordt als matig-hoog ingeschat als de situatie ongewijzigd blijft. De psychiater adviseert het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte, omdat er geen bewuste afweging lijkt te zijn gemaakt, maar verdachte vanuit zijn problematiek heeft gehandeld. In het rapport van Reclassering Nederland van 29 december 2025 staat het volgende. De reclassering acht behandeling en reclasseringstoezicht eveneens geïndiceerd om recidive in de toekomst te verminderen, ondanks het gebrek aan interne motivatie tot behandeling bij de verdachte. Positief is dat er op de andere leefgebieden op dit moment geen zorgwekkende signalen zijn. De goede relatie met zijn familie en zijn zinvolle dagbesteding zijn positieve factoren. Toerekenbaarheid Op basis van het rapport van de psychiater stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend. 4.3.3. Oplegging straf Straf Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De verdachte heeft op de zitting zijn spijt betuigd.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3946 text/xml public 2026-04-07T16:20:18 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-13 10.251831.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3946 text/html public 2026-04-07T16:19:30 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3946 Rechtbank Rotterdam , 13-02-2026 / 10.251831.25 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer onverwachts en op klaarlichte dag meermalen met een vuist in zijn gezicht te slaan. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 195 maanden voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden. Verder wordt aan de verdachte een taakstraf van 150 uur opgelegd. De verdachte wordt ook veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan het slachtoffer. Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 10.251831.25 Datum zitting en uitspraak: 13 februari 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats] ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaatsnaam] . Advocaat van de verdachte: mr. S. Splinter Officier van justitie: mr. L.J. Bergsma Benadeelde partij: [benadeelde partij] Advocaat van de benadeelde partij: mr. F.J.M. Hamers 1 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – het [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld, dan wel heeft mishandeld. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat hij op of omstreeks 23 september 2025 te Rotterdam aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] (met kracht) meermalen in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen, subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 23 september 2025 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen (met kracht) in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had. 2 Bewijs 2.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de primaire beschuldiging. 2.2. Conclusie van de verdediging De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 2.3. Oordeel van de rechtbank 2.3.1. Bewezenverklaring Bewezen is dat: hij op 23 september 2025 te Rotterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met kracht meermalen in het gezicht te slaan en te stompen. 2.3.2. Bewijsmiddelen De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven. 1. Verklaring van de verdachte 2. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer] 3. Schriftelijk stuk 3 Kwalificatie en strafbaarheid 3.1. Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: zware mishandeling 3.2. Strafbaarheid van het feit en van de verdachte Het feit en de verdachte zijn strafbaar. 4 Straffen 4.1. Eis van de officier van justitie De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 195 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Voor die voorwaarden en het toezicht door de reclassering vordert zij de dadelijke uitvoerbaarheid. Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur. 4.2. Standpunt van de verdediging De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest al dan niet met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering. 4.3. Oordeel van de rechtbank 4.3.1. Ernst en omstandigheden van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer onverwachts meermalen met een vuist in zijn gezicht te slaan. Dit is een zeer ernstig feit. Het slaan in het gezicht van het slachtoffer heeft geleid tot meerdere breuken in het gezicht, waaronder de oogkassen, bovenkaak, kaakholtes, neus en het jukbeen, en tot – mogelijk blijvende – aantasting van het zicht in één oog. Hiervoor moest hij meermaals worden geopereerd. Het slachtoffer heeft veel pijn gehad en beperkingen ervaren. De dochter van het slachtoffer heeft tijdens de zitting een slachtofferverklaring voorgelezen, waaruit volgt dat het slachtoffer nog steeds (fysiek en mentaal) last heeft van wat hem die dag is overkomen. De rechtbank rekent het de verdachte zeer aan dat hij zich op klaarlichte dag, zonder enige aanleiding, zo agressief heeft gedragen. Dit soort geweld roept gevoelens van onveiligheid en angst op in de samenleving, met name bij de slachtoffers, maar ook bij getuigen van dit geweld, zoals in dit geval leerlingen van een basisschool die dichtbij op een schoolplein speelden. 4.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden Strafblad Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Rapporten van de psychiater en de reclassering In het rapport van psychiater [naam] van 15 december 2025 staat het volgende. Er is bij de verdachte sprake van antisociaal gedrag. Dit was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde feit. Deze stoornis uit zich bij verdachte door problemen in impulsregulatie, prikkelbaarheid en agressief gedrag. Vanuit zijn antisociale gedrag is er bij verdachte sprake van inadequate copingmechanismen. Behandeling is noodzakelijk om dit te bespreken en te veranderen om niet opnieuw in delictgedrag te vervallen. Verder heeft de verdachte nauwelijks probleembesef. De verdachte kan zich moeilijk inleven in de gevolgen van zijn gedrag voor een ander. Tijdens het onderzoek geeft verdachte aan spijt te hebben van de mishandeling, maar dit voelt doelbewust en weinig doorleefd aan. De verdachte is met name extern gemotiveerd voor behandeling. Het recidiverisico op gewelddadig gedrag op de korte, middellange en langere termijn wordt als matig-hoog ingeschat als de situatie ongewijzigd blijft. De psychiater adviseert het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte, omdat er geen bewuste afweging lijkt te zijn gemaakt, maar verdachte vanuit zijn problematiek heeft gehandeld. In het rapport van Reclassering Nederland van 29 december 2025 staat het volgende. De reclassering acht behandeling en reclasseringstoezicht eveneens geïndiceerd om recidive in de toekomst te verminderen, ondanks het gebrek aan interne motivatie tot behandeling bij de verdachte. Positief is dat er op de andere leefgebieden op dit moment geen zorgwekkende signalen zijn. De goede relatie met zijn familie en zijn zinvolle dagbesteding zijn positieve factoren. Toerekenbaarheid Op basis van het rapport van de psychiater stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend. 4.3.3. Oplegging straf Straf Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De verdachte heeft op de zitting zijn spijt betuigd.
Volledig
Hoewel de oprechtheid daarvan moeilijk invoelbaar was voor de rechtbank, wordt er rekening mee gehouden dat dit mogelijk samenhangt met de hiervoor beschreven stoornis van de verdachte. De rechtbank weegt in strafverminderende zin mee dat verdachte ten tijde van het plegen van het strafbare feit verminderd toerekeningsvatbaar was, en niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Alles afwegende wordt een gevangenisstraf van 300 dagen met aftrek van voorarrest opgelegd, waarvan 195 maanden voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dit betekent dat de verdachte vooralsnog niet terug hoeft naar de gevangenis. De rest van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd. Verder wordt aan de verdachte een taakstraf van 150 uur opgelegd. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met [slachtoffer] . De rechtbank zal ook de dadelijke uitvoerbaarheid bevelen van de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. 5 Voorlopige hechtenis Omdat de op te leggen straffen meebrengen dat de verdachte op dit moment niet terug hoeft naar de gevangenis, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. 6 Vordering van de benadeelde partij 6.1. Vordering [benadeelde partij] heeft als benadeelde partij € 2.857,04 als vergoeding voor materiële schade, € 2.000,- voor nader te onderbouwen schade en € 15.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 6.2. Standpunt van de officier van justitie De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en toewijsbaar. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot vergoeding van nader te onderbouwen schade. Voor de immateriële schadevergoeding is een wettelijke grondslag en voor wat betreft de hoogte van deze vordering wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De toegewezen vorderingen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 6.3. Standpunt van de verdediging De vordering tot vergoeding van materiële schade voor wat betreft de post huishoudelijke hulp moet worden afgewezen, omdat de benadeelde partij deze kosten niet daadwerkelijk heeft gemaakt. De vordering tot vergoeding van nader te onderbouwen schade moet worden afgewezen. De vordering tot vergoeding van immateriële schadevergoeding moet worden gematigd. 6.4. Oordeel van de rechtbank 6.4.1. Materiële schade De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering tot vergoeding van de materiële schade van € 2.857,04 wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. In het bijzonder: huishoudelijke hulp. Dit betreft verplaatste schade. Er is sprake van een derde die de kosten ten behoeve van het slachtoffer heeft gemaakt en het slachtoffer had deze kosten ook zelf kunnen vorderen indien hij deze had gemaakt. De schade voor huishoudelijke hulp komt hiermee voor vergoeding in aanmerking en acht de rechtbank voldoende onderbouwd. Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de toekomstige nader te onderbouwen schade heeft de verdediging betwist. Het betreft schade die nog niet bekend is en gevorderd is met het oog op een eventuele procedure in hoger beroep. Deze post is dan ook niet onderbouwd. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. 6.4.2. Immateriële schade De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in zijn persoon aangetast omdat sprake is van geestelijk letsel. De vordering is op de wet gegrond (artikel 6:106 onder b BW) en voldoende onderbouwd. De verdediging heeft de hoogte van de gevorderde immateriële schadevergoeding betwist, maar de verweren worden verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gevorderde immateriële schade heeft geleden die rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde. Met inachtneming van de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend en de zogenoemde Rotterdamse schaal, acht de rechtbank het gevorderde bedrag billijk. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 15.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen. 6.4.3. Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 23 september 2025. De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-. De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 114 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. 7 Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht. 8 Beslissingen De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd; Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit; verklaart de verdachte strafbaar; Straffen Gevangenisstraf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 300 dagen ; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; Voorwaardelijk strafdeel bepaalt dat 195 dagen van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft; stelt als algemene voorwaarde dat: - de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt; stelt als bijzondere voorwaarden dat: de verdachte meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. De veroordeelde werkt mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt; de verdachte zal zich onder ambulante behandeling stellen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Volledig
Hoewel de oprechtheid daarvan moeilijk invoelbaar was voor de rechtbank, wordt er rekening mee gehouden dat dit mogelijk samenhangt met de hiervoor beschreven stoornis van de verdachte. De rechtbank weegt in strafverminderende zin mee dat verdachte ten tijde van het plegen van het strafbare feit verminderd toerekeningsvatbaar was, en niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Alles afwegende wordt een gevangenisstraf van 300 dagen met aftrek van voorarrest opgelegd, waarvan 195 maanden voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dit betekent dat de verdachte vooralsnog niet terug hoeft naar de gevangenis. De rest van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd. Verder wordt aan de verdachte een taakstraf van 150 uur opgelegd. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met [slachtoffer] . De rechtbank zal ook de dadelijke uitvoerbaarheid bevelen van de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. 5 Voorlopige hechtenis Omdat de op te leggen straffen meebrengen dat de verdachte op dit moment niet terug hoeft naar de gevangenis, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. 6 Vordering van de benadeelde partij 6.1. Vordering [benadeelde partij] heeft als benadeelde partij € 2.857,04 als vergoeding voor materiële schade, € 2.000,- voor nader te onderbouwen schade en € 15.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 6.2. Standpunt van de officier van justitie De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en toewijsbaar. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot vergoeding van nader te onderbouwen schade. Voor de immateriële schadevergoeding is een wettelijke grondslag en voor wat betreft de hoogte van deze vordering wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De toegewezen vorderingen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 6.3. Standpunt van de verdediging De vordering tot vergoeding van materiële schade voor wat betreft de post huishoudelijke hulp moet worden afgewezen, omdat de benadeelde partij deze kosten niet daadwerkelijk heeft gemaakt. De vordering tot vergoeding van nader te onderbouwen schade moet worden afgewezen. De vordering tot vergoeding van immateriële schadevergoeding moet worden gematigd. 6.4. Oordeel van de rechtbank 6.4.1. Materiële schade De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering tot vergoeding van de materiële schade van € 2.857,04 wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. In het bijzonder: huishoudelijke hulp. Dit betreft verplaatste schade. Er is sprake van een derde die de kosten ten behoeve van het slachtoffer heeft gemaakt en het slachtoffer had deze kosten ook zelf kunnen vorderen indien hij deze had gemaakt. De schade voor huishoudelijke hulp komt hiermee voor vergoeding in aanmerking en acht de rechtbank voldoende onderbouwd. Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de toekomstige nader te onderbouwen schade heeft de verdediging betwist. Het betreft schade die nog niet bekend is en gevorderd is met het oog op een eventuele procedure in hoger beroep. Deze post is dan ook niet onderbouwd. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. 6.4.2. Immateriële schade De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in zijn persoon aangetast omdat sprake is van geestelijk letsel. De vordering is op de wet gegrond (artikel 6:106 onder b BW) en voldoende onderbouwd. De verdediging heeft de hoogte van de gevorderde immateriële schadevergoeding betwist, maar de verweren worden verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gevorderde immateriële schade heeft geleden die rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde. Met inachtneming van de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend en de zogenoemde Rotterdamse schaal, acht de rechtbank het gevorderde bedrag billijk. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 15.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen. 6.4.3. Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 23 september 2025. De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-. De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 114 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. 7 Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht. 8 Beslissingen De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd; Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit; verklaart de verdachte strafbaar; Straffen Gevangenisstraf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 300 dagen ; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; Voorwaardelijk strafdeel bepaalt dat 195 dagen van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft; stelt als algemene voorwaarde dat: - de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt; stelt als bijzondere voorwaarden dat: de verdachte meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. De veroordeelde werkt mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt; de verdachte zal zich onder ambulante behandeling stellen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.