Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-11
ECLI:NL:RBROT:2026:3489
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,039 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3489 text/xml public 2026-04-29T12:30:46 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-11 C/10/704439 / HA ZA 25-638 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3489 text/html public 2026-04-29T12:29:39 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3489 Rechtbank Rotterdam , 11-03-2026 / C/10/704439 / HA ZA 25-638 In dit vonnis draagt de rechtbank eiser op in het bewijs van feiten waaruit volgt dat eiser een mondelinge overeenkomst heeft gesloten met gedaagde. RECHTBANK Rotterdam team handel en haven Zaaknummer: C/10/704439 / HA ZA 25-638 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van [naam bedrijf] B.V. , gevestigd te Rotterdam, eiseres, advocaat: mr. R.P.R. Nolten, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] , 2 2. [gedaagde 2] , wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat: mr. G.F. van den Ende. Partijen worden hierna ook “[naam bedrijf]” en “ [gedaagden] ” genoemd. Gedaagden afzonderlijk worden hierna “ [gedaagde 1] ” en “ [gedaagde 2] ” genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. Deze zaak gaat over de vraag of [naam bedrijf] een mondelinge overeenkomst heeft gesloten met [gedaagden] op grond waarvan [gedaagden] zich ertoe hebben verbonden (a) een perceel aan [naam bedrijf] te verkopen voor een bedrag van € 250.000,-, dan wel (b) in overleg met [naam bedrijf] te treden over de verkoop van het perceel aan een derde en (c) een ‘ breakfee ’ van € 50.000 aan [naam bedrijf] te betalen bij een dergelijke verkoop aan een derde (ook) bij een verkoopprijs onder de € 300.000,-. 1.2. De rechtbank komt in dit vonnis tot een bewijsopdracht aan [naam bedrijf] ten aanzien van haar stelling dat zij mondeling overeenstemming heeft bereikt met [gedaagden] . over bovengenoemde afspraken. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met productie 1 t/m 16; de conclusie van antwoord met productie 1; de brief van de rechtbank, waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; de e-mail van de rechtbank met een zittingsagenda; de mondelinge behandeling van 10 februari 2026 en de daarbij door [naam bedrijf] gebruikte spreekaantekeningen. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [naam bedrijf] houdt zich bezig met het (her-)ontwikkelen van percelen. 3.2. [gedaagden] waren tot 18 februari 2025 gezamenlijk eigenaar van een perceel grond (hierna “het perceel”). 3.3. In november 2023 heeft de heer [naam] (hierna “ [naam] ”) [gedaagden] benaderd, waarna partijen in gesprek zijn getreden over een verkoop van het perceel. 3.4. Op 9 april 2024 stuurde [gedaagde 1] aan [naam] : “ Beste [naam] , Bij deze mijn emailadres, graag (…) gebruiken voor het uitwisselen van gegevens (…)” 3.5. Op 16 april 2024 spraken [naam] en [gedaagden] elkaar. Op diezelfde dag stuurde [naam] de volgende e-mail aan [gedaagde 1] : “ Beste [gedaagde 1] , Op welke naam, adres kunnen we de koopovereenkomst zetten? (…)” 3.6. Op 24 april 2024 reageerde [gedaagde 1] : “ [gedaagde 2] , [adres 1] [woonplaats] en [gedaagde 1] [adres 2] [woonplaats] ” 3.7. Op 30 april 2024 stuurde [naam] : “ Bedankt, zodra de koopovereenkomst (concept) gereed is neem ik contact op. ” 3.8. Op 25 juni 2024 stuurde [naam] : “ Graag nog het eigendomsbewijs per email sturen tbv de koopovereenkomst. ” 3.9. Op 26 september 2024 spraken partijen elkaar weer, waarna [naam] per e-mail aan [gedaagden] schreef: “ Zoals vanmiddag besproken zijn wij het volgende overeengekomen: - Graag ontvangen wij per email zsm een kopie van de akte van levering/eigendom van perceel nr B4463. - Wij stellen een koopovereenkomst op voor dit perceel. - Koopsom €250.000,= - Levering nader te bepalen. - Als jullie tussentijds worden benaderd door een derde partij voor de aankoop gaan wij in overleg met jullie om een koopsom te bepalen waarbij deze derde partij direct met jullie een nieuwe overeenkomst kan opstellen waarmee wij een bedrag van minimaal €50.000 excl BTW aan jullie in rekening brengen. Als er een nieuwe koopsom van meer € 300.000 kan worden overeengekomen is ons voorstel om dit 50/50 met ons te verrekenen. Graag zie ik jullie bevestiging tegemoet. ” 3.10. Op 1 oktober 2024 stuurde [naam] : “ Ter aanvulling, de koopsom is kosten koper en ik begrijp dat jullie maximaal €50.000, = aan ons willen betalen indien er tussentijds overeenstemming wordt bereikt om aan een derde partij te verkopen voor minimaal €300.000, = Dit is wat ons betreft akkoord .” 3.11. Op 17 oktober 2024 stuurde [naam] : “ Sturen jullie nog een kopie van de akte van levering/eigendom zodat de koopovereenkomst kan worden opgesteld? ” 3.12. Op 31 oktober 2024 stuurde [gedaagde 2] : “ Hier de leveringsakte ” 3.13. Begin 2025 hebben [gedaagden] het perceel aan een derde verkocht voor een bedrag van € 287.500,-. 4 Het geschil 4.1. [naam bedrijf] vordert hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een bedrag van € 50.000,- exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten. 4.2. [naam bedrijf] legt aan haar vordering ten grondslag dat partijen een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan [gedaagden] zich ertoe hebben verbonden (a) het perceel aan [naam bedrijf] te verkopen voor een bedrag van € 250.000,-, dan wel (b) in overleg met [naam bedrijf] te treden over de verkoop van het perceel aan een derde en (c) een ‘ breakfee ’ van € 50.000 aan [naam bedrijf] te betalen bij een dergelijke verkoop aan een derde (ook) bij een verkoopprijs onder de € 300.000,-. 4.3. [gedaagden] betwisten dat zij overeenstemming met [naam bedrijf] hebben bereikt en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [naam bedrijf], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [naam bedrijf], met veroordeling van [naam bedrijf] in de kosten van deze procedure. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. Voor de beoordeling van deze zaak gaat het er in de eerste plaats om of [naam bedrijf] en [gedaagden] een overeenkomst hebben gesloten. Artikel 6:217 BW bepaalt dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding van dat aanbod. Op grond van artikel 3:33 BW vereist een rechtshandeling, zoals een aanbod en aanvaarding, een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Of een in een concreet geval afgelegde verklaring een aanbod of een aanvaarding inhoudt, wordt mede bepaald aan de hand van de wilsvertrouwensleer die is neergelegd in artikel 3:35 BW. Ook de zogenaamde Haviltex -maatstaf is van toepassing op de totstandkoming van overeenkomsten. De vraag of een overeenkomst met een bepaalde inhoud tot stand is gekomen, moet daarom worden beantwoord aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. 5.2. Het is in deze procedure volgens de algemene regels van het bewijsrecht aan [naam bedrijf] om voldoende feiten te stellen waaruit blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verkoop van het perceel en de voorwaarden waaronder [gedaagden] het perceel aan een derde mochten verkopen. [naam bedrijf] beroept zich immers op de rechtsgevolgen van die feiten, te weten het ontstaan van een betalingsverplichting van [gedaagden] aan [naam bedrijf]. 5.3. [naam bedrijf] voert in dit kader aan dat [naam] op 16 april 2024, namens [naam bedrijf], mondeling overeenstemming heeft bereikt met [gedaagden] over de verkoop van het perceel aan [naam bedrijf] voor een bedrag van € 250.000,-. Partijen hebben elkaar op die dag de hand geschud en [gedaagden] hebben daarbij bewoordingen gebruikt als “een man een man, een woord een woord”.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3489 text/xml public 2026-04-29T12:30:46 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-11 C/10/704439 / HA ZA 25-638 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3489 text/html public 2026-04-29T12:29:39 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3489 Rechtbank Rotterdam , 11-03-2026 / C/10/704439 / HA ZA 25-638 In dit vonnis draagt de rechtbank eiser op in het bewijs van feiten waaruit volgt dat eiser een mondelinge overeenkomst heeft gesloten met gedaagde. RECHTBANK Rotterdam team handel en haven Zaaknummer: C/10/704439 / HA ZA 25-638 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van [naam bedrijf] B.V. , gevestigd te Rotterdam, eiseres, advocaat: mr. R.P.R. Nolten, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] , 2 2. [gedaagde 2] , wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat: mr. G.F. van den Ende. Partijen worden hierna ook “[naam bedrijf]” en “ [gedaagden] ” genoemd. Gedaagden afzonderlijk worden hierna “ [gedaagde 1] ” en “ [gedaagde 2] ” genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. Deze zaak gaat over de vraag of [naam bedrijf] een mondelinge overeenkomst heeft gesloten met [gedaagden] op grond waarvan [gedaagden] zich ertoe hebben verbonden (a) een perceel aan [naam bedrijf] te verkopen voor een bedrag van € 250.000,-, dan wel (b) in overleg met [naam bedrijf] te treden over de verkoop van het perceel aan een derde en (c) een ‘ breakfee ’ van € 50.000 aan [naam bedrijf] te betalen bij een dergelijke verkoop aan een derde (ook) bij een verkoopprijs onder de € 300.000,-. 1.2. De rechtbank komt in dit vonnis tot een bewijsopdracht aan [naam bedrijf] ten aanzien van haar stelling dat zij mondeling overeenstemming heeft bereikt met [gedaagden] . over bovengenoemde afspraken. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met productie 1 t/m 16; de conclusie van antwoord met productie 1; de brief van de rechtbank, waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; de e-mail van de rechtbank met een zittingsagenda; de mondelinge behandeling van 10 februari 2026 en de daarbij door [naam bedrijf] gebruikte spreekaantekeningen. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [naam bedrijf] houdt zich bezig met het (her-)ontwikkelen van percelen. 3.2. [gedaagden] waren tot 18 februari 2025 gezamenlijk eigenaar van een perceel grond (hierna “het perceel”). 3.3. In november 2023 heeft de heer [naam] (hierna “ [naam] ”) [gedaagden] benaderd, waarna partijen in gesprek zijn getreden over een verkoop van het perceel. 3.4. Op 9 april 2024 stuurde [gedaagde 1] aan [naam] : “ Beste [naam] , Bij deze mijn emailadres, graag (…) gebruiken voor het uitwisselen van gegevens (…)” 3.5. Op 16 april 2024 spraken [naam] en [gedaagden] elkaar. Op diezelfde dag stuurde [naam] de volgende e-mail aan [gedaagde 1] : “ Beste [gedaagde 1] , Op welke naam, adres kunnen we de koopovereenkomst zetten? (…)” 3.6. Op 24 april 2024 reageerde [gedaagde 1] : “ [gedaagde 2] , [adres 1] [woonplaats] en [gedaagde 1] [adres 2] [woonplaats] ” 3.7. Op 30 april 2024 stuurde [naam] : “ Bedankt, zodra de koopovereenkomst (concept) gereed is neem ik contact op. ” 3.8. Op 25 juni 2024 stuurde [naam] : “ Graag nog het eigendomsbewijs per email sturen tbv de koopovereenkomst. ” 3.9. Op 26 september 2024 spraken partijen elkaar weer, waarna [naam] per e-mail aan [gedaagden] schreef: “ Zoals vanmiddag besproken zijn wij het volgende overeengekomen: - Graag ontvangen wij per email zsm een kopie van de akte van levering/eigendom van perceel nr B4463. - Wij stellen een koopovereenkomst op voor dit perceel. - Koopsom €250.000,= - Levering nader te bepalen. - Als jullie tussentijds worden benaderd door een derde partij voor de aankoop gaan wij in overleg met jullie om een koopsom te bepalen waarbij deze derde partij direct met jullie een nieuwe overeenkomst kan opstellen waarmee wij een bedrag van minimaal €50.000 excl BTW aan jullie in rekening brengen. Als er een nieuwe koopsom van meer € 300.000 kan worden overeengekomen is ons voorstel om dit 50/50 met ons te verrekenen. Graag zie ik jullie bevestiging tegemoet. ” 3.10. Op 1 oktober 2024 stuurde [naam] : “ Ter aanvulling, de koopsom is kosten koper en ik begrijp dat jullie maximaal €50.000, = aan ons willen betalen indien er tussentijds overeenstemming wordt bereikt om aan een derde partij te verkopen voor minimaal €300.000, = Dit is wat ons betreft akkoord .” 3.11. Op 17 oktober 2024 stuurde [naam] : “ Sturen jullie nog een kopie van de akte van levering/eigendom zodat de koopovereenkomst kan worden opgesteld? ” 3.12. Op 31 oktober 2024 stuurde [gedaagde 2] : “ Hier de leveringsakte ” 3.13. Begin 2025 hebben [gedaagden] het perceel aan een derde verkocht voor een bedrag van € 287.500,-. 4 Het geschil 4.1. [naam bedrijf] vordert hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een bedrag van € 50.000,- exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten. 4.2. [naam bedrijf] legt aan haar vordering ten grondslag dat partijen een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan [gedaagden] zich ertoe hebben verbonden (a) het perceel aan [naam bedrijf] te verkopen voor een bedrag van € 250.000,-, dan wel (b) in overleg met [naam bedrijf] te treden over de verkoop van het perceel aan een derde en (c) een ‘ breakfee ’ van € 50.000 aan [naam bedrijf] te betalen bij een dergelijke verkoop aan een derde (ook) bij een verkoopprijs onder de € 300.000,-. 4.3. [gedaagden] betwisten dat zij overeenstemming met [naam bedrijf] hebben bereikt en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [naam bedrijf], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [naam bedrijf], met veroordeling van [naam bedrijf] in de kosten van deze procedure. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. Voor de beoordeling van deze zaak gaat het er in de eerste plaats om of [naam bedrijf] en [gedaagden] een overeenkomst hebben gesloten. Artikel 6:217 BW bepaalt dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding van dat aanbod. Op grond van artikel 3:33 BW vereist een rechtshandeling, zoals een aanbod en aanvaarding, een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Of een in een concreet geval afgelegde verklaring een aanbod of een aanvaarding inhoudt, wordt mede bepaald aan de hand van de wilsvertrouwensleer die is neergelegd in artikel 3:35 BW. Ook de zogenaamde Haviltex -maatstaf is van toepassing op de totstandkoming van overeenkomsten. De vraag of een overeenkomst met een bepaalde inhoud tot stand is gekomen, moet daarom worden beantwoord aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. 5.2. Het is in deze procedure volgens de algemene regels van het bewijsrecht aan [naam bedrijf] om voldoende feiten te stellen waaruit blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verkoop van het perceel en de voorwaarden waaronder [gedaagden] het perceel aan een derde mochten verkopen. [naam bedrijf] beroept zich immers op de rechtsgevolgen van die feiten, te weten het ontstaan van een betalingsverplichting van [gedaagden] aan [naam bedrijf]. 5.3. [naam bedrijf] voert in dit kader aan dat [naam] op 16 april 2024, namens [naam bedrijf], mondeling overeenstemming heeft bereikt met [gedaagden] over de verkoop van het perceel aan [naam bedrijf] voor een bedrag van € 250.000,-. Partijen hebben elkaar op die dag de hand geschud en [gedaagden] hebben daarbij bewoordingen gebruikt als “een man een man, een woord een woord”.
Volledig
Vervolgens hebben partijen op 26 september 2024 in persoon en tussen 26 september 2024 en 1 oktober 2024 telefonisch afgesproken dat [gedaagden] in overleg zou treden met [naam bedrijf] als een derde geïnteresseerd zou zijn in de koop van het perceel en dat [gedaagden] een ‘ breakfee ’ van € 50.000,- aan [naam bedrijf] zouden betalen als een dergelijke verkoop aan een derde zou plaatsvinden. Die afspraken heeft [naam] per e-mail aan [gedaagden] bevestigd en [gedaagden] hebben die afspraken destijds niet tegengesproken. In reactie op de e-mail van [naam] hebben [gedaagden] bovendien de leveringsakte waarmee het perceel aan hen was geleverd aan [naam] toegestuurd. Voor zover partijen geen specifieke afspraak zouden hebben gemaakt voor het geval waarin [gedaagden] het perceel aan een derde zouden verkopen voor bedrag lager dan € 300.000,- betoogt [naam bedrijf] dat de afspraak tussen partijen een leemte bevat. In dat geval brengt een redelijke uitleg van de tussen partijen gemaakte afspraken mee dat [gedaagden] een breakfee aan [naam bedrijf] verschuldigd zijn die bestaat uit het verschil tussen de uiteindelijke verkoopprijs (€ 287.500,-) en de verkoopprijs die partijen overeen waren gekomen van € 250.000,-. 5.4. [gedaagden] betwisten dat mondeling overeenstemming is bereikt. Zij erkennen dat op 16 april 2024 is gesproken over de mogelijke verkoop van het perceel voor een bedrag van ten minste € 250.000,-, maar betogen dat dat gesprek slechts oriënterend van aard was. Zij hebben de inhoud van de e-mails die [naam] aan hen heeft gestuurd ook nooit bevestigd. Zij hebben de leveringsakte aan [naam] toegestuurd in het kader van de oriënterende gesprekken, omdat die leveringsakte informatie over het perceel bevatte waarin [naam] geïnteresseerd was. Ter zitting hebben [gedaagden] nog aangevoerd dat zelfs als de door [naam] aan hen gemailde afspraak tot het betalen van een ‘ breakfee ’ zou zijn gemaakt niet is voldaan aan de voorwaarden voor het ontstaan van een betalingsverplichting van [gedaagden] Uit de e-mail van [naam] volgt immers dat pas een betalingsverplichting zou ontstaan bij een verkoop aan een derde voor een bedrag van minimaal € 300.000, terwijl [gedaagden] het perceel voor een bedrag van € 287.500,- hebben verkocht. Ten slotte hebben [gedaagden] betwist dat [naam] [naam bedrijf] rechtsgeldig zou hebben vertegenwoordigd in de gesprekken met [gedaagden] 5.5. Partijen zijn het, gelet op het voorgaande, niet eens over de inhoud van de tussen hen gevoerde gesprekken. De rechtbank is van oordeel dat ook uit de door partijen overgelegde correspondentie niet kan worden afgeleid wat er op 16 april 2024 en tussen 26 september en 1 oktober 2024 precies tussen partijen is besproken. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of er sprake is geweest van een mondeling aanvaard aanbod en dus van de totstandkoming van een overeenkomst tussen partijen. [naam] heeft zijn beleving van de met [gedaagden] gevoerde gesprekken weliswaar per e-mail aan [gedaagden] gestuurd, maar [gedaagden] hebben die inhoud niet expliciet bevestigd. Dat [gedaagden] de afspraken niet hebben tegengesproken en [naam] op enig moment, op herhaaldelijk verzoek, de eigendomsakte hebben toegestuurd kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet redelijkerwijs zijn opgevat als een impliciete bevestiging van die afspraken. Dat sluit immers niet uit dat ( [gedaagden] hebben aangenomen dat) partijen zich nog in een oriënterende fase bevonden. 5.6. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [naam bedrijf] opdragen in het bewijs van feiten die kunnen leiden tot de conclusie dat zij op 16 april 2024 en tussen 26 september en 1 oktober 2024 met [gedaagden] heeft afgesproken dat [gedaagden] (a) het perceel aan [naam bedrijf] zouden verkopen voor een bedrag van € 250.000,-, dan wel (b) in overleg met [naam bedrijf] zouden treden over de verkoop van het perceel aan een derde en (c) een ‘ breakfee ’ van € 50.000 aan [naam bedrijf] zouden betalen bij een dergelijke verkoop aan een derde (ook) bij een verkoopprijs onder de € 300.000,-. 5.7. Indien [naam bedrijf] slaagt in het bewijs dat de drie hierboven genoemde afspraken met [gedaagden] zijn gemaakt, is de vordering van [naam bedrijf], die is gebaseerd op het bestaan van deze afspraken, toewijsbaar. Voor het geval dat [naam bedrijf] niet slaagt in het bewijs van de drie hierboven genoemde afspraken houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. draagt [naam bedrijf] op te bewijzen feiten die kunnen leiden tot de conclusie dat zij op 16 april 2024 en tussen 26 september en 1 oktober 2024 met [gedaagden] heeft afgesproken dat [gedaagden] (a) het perceel aan [naam bedrijf] zouden verkopen voor een bedrag van € 250.000,-, dan wel (b) in overleg met [naam bedrijf] zouden treden over de verkoop van het perceel aan een derde en (c) een ‘ breakfee ’ van € 50.000 aan [naam bedrijf] zouden betalen bij een dergelijke verkoop aan een derde (ook) bij een verkoopprijs onder de € 300.000,-, 6.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 25 maart 2026 voor uitlating door [naam bedrijf] of zij bewijs wil leveren door het horen van getuigen en zo ja, door welke getuigen, 6.3. bepaalt dat, als [naam bedrijf] getuigen wil laten horen, dat getuigenverhoor zal plaatsvinden op 28 april 2026 , op de zitting van mr. M.E. Vos, in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100-125, 6.4. bepaalt dat [gedaagden] , indien deze getuigen in contra-enquête willen voorbrengen, dat getuigenverhoor ook zal plaatsvinden op 28 april 2026 , 6.5. bepaalt dat als partijen op 28 april 2026 verhinderd zijn, [naam bedrijf] de getuigen en de verhinderdagen van alle partijen hun advocaten en getuigen in de maanden april tot en met juni 2026 dan moet opgeven op de onder 6.2 genoemde roldatum, waarna een nieuwe datum voor het getuigenverhoor en de contra-enquête zal worden bepaald, 6.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor en de contra-enquête alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen, 6.7. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Vos en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. 1980/3977
Volledig
Vervolgens hebben partijen op 26 september 2024 in persoon en tussen 26 september 2024 en 1 oktober 2024 telefonisch afgesproken dat [gedaagden] in overleg zou treden met [naam bedrijf] als een derde geïnteresseerd zou zijn in de koop van het perceel en dat [gedaagden] een ‘ breakfee ’ van € 50.000,- aan [naam bedrijf] zouden betalen als een dergelijke verkoop aan een derde zou plaatsvinden. Die afspraken heeft [naam] per e-mail aan [gedaagden] bevestigd en [gedaagden] hebben die afspraken destijds niet tegengesproken. In reactie op de e-mail van [naam] hebben [gedaagden] bovendien de leveringsakte waarmee het perceel aan hen was geleverd aan [naam] toegestuurd. Voor zover partijen geen specifieke afspraak zouden hebben gemaakt voor het geval waarin [gedaagden] het perceel aan een derde zouden verkopen voor bedrag lager dan € 300.000,- betoogt [naam bedrijf] dat de afspraak tussen partijen een leemte bevat. In dat geval brengt een redelijke uitleg van de tussen partijen gemaakte afspraken mee dat [gedaagden] een breakfee aan [naam bedrijf] verschuldigd zijn die bestaat uit het verschil tussen de uiteindelijke verkoopprijs (€ 287.500,-) en de verkoopprijs die partijen overeen waren gekomen van € 250.000,-. 5.4. [gedaagden] betwisten dat mondeling overeenstemming is bereikt. Zij erkennen dat op 16 april 2024 is gesproken over de mogelijke verkoop van het perceel voor een bedrag van ten minste € 250.000,-, maar betogen dat dat gesprek slechts oriënterend van aard was. Zij hebben de inhoud van de e-mails die [naam] aan hen heeft gestuurd ook nooit bevestigd. Zij hebben de leveringsakte aan [naam] toegestuurd in het kader van de oriënterende gesprekken, omdat die leveringsakte informatie over het perceel bevatte waarin [naam] geïnteresseerd was. Ter zitting hebben [gedaagden] nog aangevoerd dat zelfs als de door [naam] aan hen gemailde afspraak tot het betalen van een ‘ breakfee ’ zou zijn gemaakt niet is voldaan aan de voorwaarden voor het ontstaan van een betalingsverplichting van [gedaagden] Uit de e-mail van [naam] volgt immers dat pas een betalingsverplichting zou ontstaan bij een verkoop aan een derde voor een bedrag van minimaal € 300.000, terwijl [gedaagden] het perceel voor een bedrag van € 287.500,- hebben verkocht. Ten slotte hebben [gedaagden] betwist dat [naam] [naam bedrijf] rechtsgeldig zou hebben vertegenwoordigd in de gesprekken met [gedaagden] 5.5. Partijen zijn het, gelet op het voorgaande, niet eens over de inhoud van de tussen hen gevoerde gesprekken. De rechtbank is van oordeel dat ook uit de door partijen overgelegde correspondentie niet kan worden afgeleid wat er op 16 april 2024 en tussen 26 september en 1 oktober 2024 precies tussen partijen is besproken. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of er sprake is geweest van een mondeling aanvaard aanbod en dus van de totstandkoming van een overeenkomst tussen partijen. [naam] heeft zijn beleving van de met [gedaagden] gevoerde gesprekken weliswaar per e-mail aan [gedaagden] gestuurd, maar [gedaagden] hebben die inhoud niet expliciet bevestigd. Dat [gedaagden] de afspraken niet hebben tegengesproken en [naam] op enig moment, op herhaaldelijk verzoek, de eigendomsakte hebben toegestuurd kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet redelijkerwijs zijn opgevat als een impliciete bevestiging van die afspraken. Dat sluit immers niet uit dat ( [gedaagden] hebben aangenomen dat) partijen zich nog in een oriënterende fase bevonden. 5.6. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [naam bedrijf] opdragen in het bewijs van feiten die kunnen leiden tot de conclusie dat zij op 16 april 2024 en tussen 26 september en 1 oktober 2024 met [gedaagden] heeft afgesproken dat [gedaagden] (a) het perceel aan [naam bedrijf] zouden verkopen voor een bedrag van € 250.000,-, dan wel (b) in overleg met [naam bedrijf] zouden treden over de verkoop van het perceel aan een derde en (c) een ‘ breakfee ’ van € 50.000 aan [naam bedrijf] zouden betalen bij een dergelijke verkoop aan een derde (ook) bij een verkoopprijs onder de € 300.000,-. 5.7. Indien [naam bedrijf] slaagt in het bewijs dat de drie hierboven genoemde afspraken met [gedaagden] zijn gemaakt, is de vordering van [naam bedrijf], die is gebaseerd op het bestaan van deze afspraken, toewijsbaar. Voor het geval dat [naam bedrijf] niet slaagt in het bewijs van de drie hierboven genoemde afspraken houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. draagt [naam bedrijf] op te bewijzen feiten die kunnen leiden tot de conclusie dat zij op 16 april 2024 en tussen 26 september en 1 oktober 2024 met [gedaagden] heeft afgesproken dat [gedaagden] (a) het perceel aan [naam bedrijf] zouden verkopen voor een bedrag van € 250.000,-, dan wel (b) in overleg met [naam bedrijf] zouden treden over de verkoop van het perceel aan een derde en (c) een ‘ breakfee ’ van € 50.000 aan [naam bedrijf] zouden betalen bij een dergelijke verkoop aan een derde (ook) bij een verkoopprijs onder de € 300.000,-, 6.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 25 maart 2026 voor uitlating door [naam bedrijf] of zij bewijs wil leveren door het horen van getuigen en zo ja, door welke getuigen, 6.3. bepaalt dat, als [naam bedrijf] getuigen wil laten horen, dat getuigenverhoor zal plaatsvinden op 28 april 2026 , op de zitting van mr. M.E. Vos, in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100-125, 6.4. bepaalt dat [gedaagden] , indien deze getuigen in contra-enquête willen voorbrengen, dat getuigenverhoor ook zal plaatsvinden op 28 april 2026 , 6.5. bepaalt dat als partijen op 28 april 2026 verhinderd zijn, [naam bedrijf] de getuigen en de verhinderdagen van alle partijen hun advocaten en getuigen in de maanden april tot en met juni 2026 dan moet opgeven op de onder 6.2 genoemde roldatum, waarna een nieuwe datum voor het getuigenverhoor en de contra-enquête zal worden bepaald, 6.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor en de contra-enquête alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen, 6.7. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Vos en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. 1980/3977