Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-13
ECLI:NL:RBROT:2026:3408
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,109 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3408 text/xml public 2026-04-29T12:07:16 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-13 11722470 CV EXPL 25-12640 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3408 text/html public 2026-04-29T12:06:40 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3408 Rechtbank Rotterdam , 13-03-2026 / 11722470 CV EXPL 25-12640 Huurovereenkomst bedrijfsruimte. Vordering tot ontbinding en ontruiming wegens huurachterstand. Volgens gedaagde is zij geen partij bij de huurovereenkomst en is de huurovereenkomst al eerder geeindigd. De vorderingen van eiseres worden toegewezen en gedaagde moet de bedrijfsruimte verlaten en de huurachterstand betalen met rente en kosten. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11722470 CV EXPL 25-12640 datum uitspraak: 13 maart 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Dulip Aoc 2 B.V., vestigingsplaats: Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch, eiseres, gemachtigde: mr. E.A.J.M. van de Wijngaard. tegen 1 [gedaagde 1] , vestigingsplaats: [plaats] , gedaagde sub a, 2 [gedaagde 2] , woonplaats: [plaats] , gedaagde sub b, 3 [gedaagde 3] , woonplaats: [plaats] , gedaagde sub c, gemachtigde: mr. Yves van Oel. Eiseres wordt hierna ‘Dulip’ genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk ‘ [gedaagden] ’ genoemd en afzonderlijk ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’, en ‘ [gedaagde 3] ’. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 16 mei 2025, met bijlagen; het antwoord, met bijlagen; de nadere producties van Dulip. 1.2. Op 19 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: De heer [naam 1] namens Dulip, bijgestaan door zijn gemachtigde, [naam 2] . Tevens was aanwezig mr. M.Y. van Oel, als gemachtigde van [gedaagden] . 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [gedaagde 1] huurt sinds 1 september 2023 de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] van Dulip. De huurovereenkomst ziet op de periode van 1 september 2023 tot 31 augustus 2028. De maandelijkse huurprijs is op dit moment € 18.366,42. 2.2. Volgens Dulip heeft [gedaagden] een huurachterstand van € 251.159,37 laten ontstaan. Daarom vordert Dulip in deze procedure dat [gedaagden] wordt veroordeeld om de bedrijfsruimte te verlaten en de huurachterstand te betalen, met boete(rente) en kosten. Ook eist Dulip dat [gedaagden] de toekomstige huurtermijnen moet betalen tot aan de datum van de ontruiming en dat [gedaagden] een schadevergoeding aan haar betaalt van € 18.366,42 per maand tot aan de dag dat Dulip de bedrijfsruimte aan een derde heeft verhuurd. 2.3. [gedaagden] betwist dat zij contractspartij is bij de huurovereenkomst waar Dulip haar vordering op baseert. [gedaagden] zou slechts als tussenpersoon fungeren voor de daadwerkelijke huurder, [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). [bedrijf] zou zelf geen huurovereenkomst met Dulip hebben kunnen sluiten, omdat het bedrijf daarvoor nog te jong was. [gedaagden] geeft verder aan dat zij de door Dulip gevorderde schadevergoeding buitenproportioneel acht en dat deze vordering onvoldoende concreet is gemaakt. Ook stelt [gedaagden] zich op het standpunt dat het boetebeding in de toepasselijke algemene voorwaarden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Tot slot maakt [gedaagden] bezwaar tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagden] is contractspartij bij de huurovereenkomst 2.4. Tussen partijen is allereerst in geschil of Dulip ontvankelijk is in haar vorderingen. [gedaagden] stelt zich op het standpunt dat zij geen partij was bij de huurovereenkomst, maar slechts als tussenpersoon heeft gehandeld namens een derde, namelijk [bedrijf] . Volgens [gedaagden] is Dulip daarom niet ontvankelijk in haar vorderingen. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. 2.5. Het antwoord op de vraag of iemand bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam en dus als contractspartij is opgetreden of enkel als vertegenwoordiger van een ander is opgetreden, waarbij die ander dus als contractspartij moet worden aangemerkt, hangt af van hetgeen de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. 2.6. Vast staat dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] in hun hoedanigheid als vennoten van [gedaagde 1] de huurovereenkomst hebben ondertekend. Volgens [gedaagden] hebben [gedaagde 3] en [gedaagde 2] dit enkel gedaan in hun hoedanigheid als tussenpersoon voor [bedrijf] . [gedaagden] heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij voorafgaand aan of bij het sluiten van de huurovereenkomst aan Dulip heeft medegedeeld dat zij uitsluitend als tussenpersoon handelde en niet zelf gebonden wenste te zijn aan de huurovereenkomst. Evenmin is gesteld of gebleken dat Dulip uit gedragingen van [gedaagden] redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat niet [gedaagden] , maar een derde partij als huurder moest worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat [bedrijf] met regelmaat de maandelijkse huur heeft betaald, wil nog niet zeggen dat Dulip op basis daarvan moest begrijpen dat [bedrijf] haar contractspartij was. Op grond van artikel 6:30 BW kan een verbintenis immers door een ander dan de schuldenaar worden nagekomen. Betaling door een derde brengt daarom niet zonder meer mee dat deze derde contractspartij is geworden, noch dat Dulip daaruit had moeten afleiden dat die derde haar contractspartij is. Ook het feit dat de bestuurder van [bedrijf] in de huurovereenkomst als contactpersoon is aangemerkt, is daartoe onvoldoende. Het opnemen van een contactpersoon betekent niet zonder meer dat deze persoon als contractspartij moet worden aangemerkt, zeker niet wanneer de overeenkomst uitdrukkelijk door een andere partij is ondertekend. 2.7. Nu [gedaagden] geen andere feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat zij enkel als tussenpersoon handelde en daarmee geen contractspartij is bij de huurovereenkomst met Dulip, gaat de kantonrechter aan dit standpunt voorbij. Dit betekent dat [gedaagden] als huurder moet worden aangemerkt en hoofdelijk aansprakelijk is voor de nakoming van de verplichtingen die uit de huurovereenkomst voortvloeien. [gedaagden] moet de gevorderde huurachterstand, berekend tot en met januari 2026, betalen 2.8. Dulip vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de huurachterstand, inclusief servicekosten, berekend tot januari 2026. [gedaagden] heeft aangevoerd dat partijen hebben afgesproken dat de huurovereenkomst per 15 oktober 2025 zou eindigen en dat de bedrijfsruimte ook op die datum is ontruimd. Daarmee is volgens [gedaagden] uitvoering gegeven aan de afspraken die partijen onderling hebben gemaakt, en is de huurovereenkomst geëindigd. 2.9. Dulip betwist dat het bedrijfspand al is opgeleverd en dat de huurovereenkomst is geëindigd. Dulip geeft aan nog steeds geen toegang te hebben tot het bedrijfspand. Verder hebben partijen weliswaar gesproken over een mogelijk einde van de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden per 15 oktober 2025, maar tot een definitieve overeenstemming zijn zij niet gekomen. Nu de huurovereenkomst niet is geëindigd en de bedrijfsruimte niet is ontruimd, loopt de huurovereenkomst door, tezamen met de betalingsverplichting van [gedaagden] , aldus Dulip. 2.10. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] , gelet op de gemotiveerde betwisting van Dulip, onvoldoende heeft onderbouwd dat de bedrijfsruimte is ontruimd en dat daarmee de huurovereenkomst is geëindigd. [gedaagden] heeft geen stukken overgelegd of anderszins omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat de bedrijfsruimte inderdaad op 15 oktober 2025 is ontruimd en opgeleverd aan Dulip. Dat de huurovereenkomst tussen partijen als gevolg van de door [gedaagden] gestelde ontruiming, per deze datum is geëindigd, is evenmin vast komen te staan. [gedaagden] geeft zelf aan dat geen beëindigingsovereenkomst is getekend tussen partijen.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3408 text/xml public 2026-04-29T12:07:16 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-13 11722470 CV EXPL 25-12640 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3408 text/html public 2026-04-29T12:06:40 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3408 Rechtbank Rotterdam , 13-03-2026 / 11722470 CV EXPL 25-12640 Huurovereenkomst bedrijfsruimte. Vordering tot ontbinding en ontruiming wegens huurachterstand. Volgens gedaagde is zij geen partij bij de huurovereenkomst en is de huurovereenkomst al eerder geeindigd. De vorderingen van eiseres worden toegewezen en gedaagde moet de bedrijfsruimte verlaten en de huurachterstand betalen met rente en kosten. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11722470 CV EXPL 25-12640 datum uitspraak: 13 maart 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Dulip Aoc 2 B.V., vestigingsplaats: Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch, eiseres, gemachtigde: mr. E.A.J.M. van de Wijngaard. tegen 1 [gedaagde 1] , vestigingsplaats: [plaats] , gedaagde sub a, 2 [gedaagde 2] , woonplaats: [plaats] , gedaagde sub b, 3 [gedaagde 3] , woonplaats: [plaats] , gedaagde sub c, gemachtigde: mr. Yves van Oel. Eiseres wordt hierna ‘Dulip’ genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk ‘ [gedaagden] ’ genoemd en afzonderlijk ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’, en ‘ [gedaagde 3] ’. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 16 mei 2025, met bijlagen; het antwoord, met bijlagen; de nadere producties van Dulip. 1.2. Op 19 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: De heer [naam 1] namens Dulip, bijgestaan door zijn gemachtigde, [naam 2] . Tevens was aanwezig mr. M.Y. van Oel, als gemachtigde van [gedaagden] . 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [gedaagde 1] huurt sinds 1 september 2023 de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] van Dulip. De huurovereenkomst ziet op de periode van 1 september 2023 tot 31 augustus 2028. De maandelijkse huurprijs is op dit moment € 18.366,42. 2.2. Volgens Dulip heeft [gedaagden] een huurachterstand van € 251.159,37 laten ontstaan. Daarom vordert Dulip in deze procedure dat [gedaagden] wordt veroordeeld om de bedrijfsruimte te verlaten en de huurachterstand te betalen, met boete(rente) en kosten. Ook eist Dulip dat [gedaagden] de toekomstige huurtermijnen moet betalen tot aan de datum van de ontruiming en dat [gedaagden] een schadevergoeding aan haar betaalt van € 18.366,42 per maand tot aan de dag dat Dulip de bedrijfsruimte aan een derde heeft verhuurd. 2.3. [gedaagden] betwist dat zij contractspartij is bij de huurovereenkomst waar Dulip haar vordering op baseert. [gedaagden] zou slechts als tussenpersoon fungeren voor de daadwerkelijke huurder, [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). [bedrijf] zou zelf geen huurovereenkomst met Dulip hebben kunnen sluiten, omdat het bedrijf daarvoor nog te jong was. [gedaagden] geeft verder aan dat zij de door Dulip gevorderde schadevergoeding buitenproportioneel acht en dat deze vordering onvoldoende concreet is gemaakt. Ook stelt [gedaagden] zich op het standpunt dat het boetebeding in de toepasselijke algemene voorwaarden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Tot slot maakt [gedaagden] bezwaar tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagden] is contractspartij bij de huurovereenkomst 2.4. Tussen partijen is allereerst in geschil of Dulip ontvankelijk is in haar vorderingen. [gedaagden] stelt zich op het standpunt dat zij geen partij was bij de huurovereenkomst, maar slechts als tussenpersoon heeft gehandeld namens een derde, namelijk [bedrijf] . Volgens [gedaagden] is Dulip daarom niet ontvankelijk in haar vorderingen. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. 2.5. Het antwoord op de vraag of iemand bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam en dus als contractspartij is opgetreden of enkel als vertegenwoordiger van een ander is opgetreden, waarbij die ander dus als contractspartij moet worden aangemerkt, hangt af van hetgeen de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. 2.6. Vast staat dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] in hun hoedanigheid als vennoten van [gedaagde 1] de huurovereenkomst hebben ondertekend. Volgens [gedaagden] hebben [gedaagde 3] en [gedaagde 2] dit enkel gedaan in hun hoedanigheid als tussenpersoon voor [bedrijf] . [gedaagden] heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij voorafgaand aan of bij het sluiten van de huurovereenkomst aan Dulip heeft medegedeeld dat zij uitsluitend als tussenpersoon handelde en niet zelf gebonden wenste te zijn aan de huurovereenkomst. Evenmin is gesteld of gebleken dat Dulip uit gedragingen van [gedaagden] redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat niet [gedaagden] , maar een derde partij als huurder moest worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat [bedrijf] met regelmaat de maandelijkse huur heeft betaald, wil nog niet zeggen dat Dulip op basis daarvan moest begrijpen dat [bedrijf] haar contractspartij was. Op grond van artikel 6:30 BW kan een verbintenis immers door een ander dan de schuldenaar worden nagekomen. Betaling door een derde brengt daarom niet zonder meer mee dat deze derde contractspartij is geworden, noch dat Dulip daaruit had moeten afleiden dat die derde haar contractspartij is. Ook het feit dat de bestuurder van [bedrijf] in de huurovereenkomst als contactpersoon is aangemerkt, is daartoe onvoldoende. Het opnemen van een contactpersoon betekent niet zonder meer dat deze persoon als contractspartij moet worden aangemerkt, zeker niet wanneer de overeenkomst uitdrukkelijk door een andere partij is ondertekend. 2.7. Nu [gedaagden] geen andere feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat zij enkel als tussenpersoon handelde en daarmee geen contractspartij is bij de huurovereenkomst met Dulip, gaat de kantonrechter aan dit standpunt voorbij. Dit betekent dat [gedaagden] als huurder moet worden aangemerkt en hoofdelijk aansprakelijk is voor de nakoming van de verplichtingen die uit de huurovereenkomst voortvloeien. [gedaagden] moet de gevorderde huurachterstand, berekend tot en met januari 2026, betalen 2.8. Dulip vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de huurachterstand, inclusief servicekosten, berekend tot januari 2026. [gedaagden] heeft aangevoerd dat partijen hebben afgesproken dat de huurovereenkomst per 15 oktober 2025 zou eindigen en dat de bedrijfsruimte ook op die datum is ontruimd. Daarmee is volgens [gedaagden] uitvoering gegeven aan de afspraken die partijen onderling hebben gemaakt, en is de huurovereenkomst geëindigd. 2.9. Dulip betwist dat het bedrijfspand al is opgeleverd en dat de huurovereenkomst is geëindigd. Dulip geeft aan nog steeds geen toegang te hebben tot het bedrijfspand. Verder hebben partijen weliswaar gesproken over een mogelijk einde van de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden per 15 oktober 2025, maar tot een definitieve overeenstemming zijn zij niet gekomen. Nu de huurovereenkomst niet is geëindigd en de bedrijfsruimte niet is ontruimd, loopt de huurovereenkomst door, tezamen met de betalingsverplichting van [gedaagden] , aldus Dulip. 2.10. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] , gelet op de gemotiveerde betwisting van Dulip, onvoldoende heeft onderbouwd dat de bedrijfsruimte is ontruimd en dat daarmee de huurovereenkomst is geëindigd. [gedaagden] heeft geen stukken overgelegd of anderszins omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat de bedrijfsruimte inderdaad op 15 oktober 2025 is ontruimd en opgeleverd aan Dulip. Dat de huurovereenkomst tussen partijen als gevolg van de door [gedaagden] gestelde ontruiming, per deze datum is geëindigd, is evenmin vast komen te staan. [gedaagden] geeft zelf aan dat geen beëindigingsovereenkomst is getekend tussen partijen.
Volledig
Verder zijn er geen stukken overlegd waaruit blijkt dat partijen inderdaad tot een overeenstemming ten aanzien van het eindigen van de huurovereenkomst zijn gekomen. Nu dit door Dulip wordt betwist, en [gedaagden] haar standpunt op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, gaat de kantonrechter hieraan voorbij. Bovenstaande betekent dat [gedaagden] ook na 15 oktober 2025 nog een betalingsverplichting had jegens Dulip. 2.11. Dulip heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een specificatie van de actuele huurachterstand overgelegd. Daaruit volgt dat de huurachterstand, berekend tot en met januari 2026, € 251.159,37 bedraagt. [gedaagden] heeft verder de juistheid van de specificatie niet betwist. Het bovenstaande betekent dat de vordering van Dulip wordt toegewezen en [gedaagden] de huurachterstand van € 251.159,37 aan Dulip moet betalen. De huurovereenkomst wordt ontbonden 2.12. De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagden] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat [gedaagden] een huurachterstand heeft laten ontstaan van ruim dertien maanden. [gedaagden] heeft verder geen financiële zekerheid kunnen geven dat zij de huurachterstand kan inlopen en de huur in de toekomst wel op tijd en volledig kan betalen. Onder deze omstandigheden kan van Dulip niet worden verwacht dat zij de huurovereenkomst met [gedaagden] voortzet. De huurovereenkomst wordt daarom ontbonden. 2.13. Omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagden] de bedrijfsruimte al heeft ontruimd, wordt de door Dulip gevorderde ontruiming toegewezen. [gedaagden] moet de bedrijfsruimte met al haar spullen verlaten. Dulip heeft niet uitgelegd waarom zij wil dat [gedaagden] de bedrijfsruimte binnen drie dagen na betekening van dit vonnis ontruimt. De kantonrechter zal de ontruimingstermijn dan ook in redelijkheid bepalen op veertien dagen na betekening van dit vonnis. [gedaagden] moet een gebruiksvergoeding en een schadevergoeding betalen 2.14. Tot de dag van ontruiming moet [gedaagden] een gebruiksvergoeding van € 18.366,42 per maand betalen (artikel 7:225 BW). Dulip eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagden] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW). 2.15. [gedaagden] is ook aansprakelijk voor de schade van Dulip vanaf de ontruiming tot de oorspronkelijke einddatum van de huurovereenkomst (artikel 6:277 BW). De omvang van deze schade kan nog niet worden begroot. Daarom wordt [gedaagden] veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding op te maken bij staat (artikel 612 Rv). [gedaagden] € 14.220,55 moet incassokosten betalen 2.16. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen op grond van artikel 28.1 van de toepasselijke algemene voorwaarden. Daarin is afgesproken dat Dulip aanspraak maakt op incassokosten ter hoogte van 15% van de hoofdsom. Het gevorderde bedrag van € 14.220,55 wordt daarom toegewezen. 2.17. [gedaagden] heeft nog aangevoerd dat de gevorderde incassokosten niet toewijsbaar zijn omdat deze enerzijds niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets en anderzijds onvoldoende is gesteld dan wel gebleken dat Dulip werkzaamheden heeft uitgevoerd die voor vergoeding in aanmerking komen. Dit verweer treft geen doel. Het gaat hier om professionele handelspartijen die de verschuldigdheid van deze kosten contractueel zijn overeengekomen. Verder heeft Dulip voldoende gesteld dat zij incassowerkzaamheden heeft verricht. [gedaagden] moet een bedrag van € 5.100,- aan contractuele boetes betalen 2.18. In artikel 23.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden is een boete(rente)beding opgenomen. Daarin staat dat als de huur niet op tijd wordt betaald, [gedaagden] een direct opeisbare boete aan Dulip moet betalen van 1% van de verschuldigde huurprijs, met een minimum van € 300,- per maand. Dulip vordert dat [gedaagden] deze boete aan haar moet betalen over de maanden dat zij de huur niet op tijd heeft betaald. Volgens Dulip heeft [gedaagden] de huur over de maanden september 2024 tot en met januari 2026 niet betaald en is daarom een boete van € 5.100,- aan haar verschuldigd. Dit bedrag wordt toegewezen. 2.19. [gedaagden] heeft nog aangevoerd dat het boete(rente)beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW). De kantonrechter gaat hieraan voorbij. Het is vaste rechtspraak dat de kantonrechter zeer terughoudend moet zijn bij de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [gedaagden] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien zij vast komen te staan, voldoende zwaarwegend zijn om tot het oordeel te komen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om het door Dulip gevorderde bedrag aan contractuele boete(rente) toe te wijzen. De boete(rente) over de openstaande bedragen 2.20. Dulip vordert tevens de contractuele boete(rente) van 1% per maand met een minimum van € 300,- per maand over de openstaande bedragen vanaf de dag der dagvaarding tot de dag dat de gehele vordering is voldaan. 2.21. De contractuele boeterente over de verschuldigde huurtermijnen vanaf 1 februari 2026 tot aan de datum van ontbinding van de huurovereenkomst (vandaag), wordt toegewezen voor zover [gedaagden] in verzuim is met de betaling van dit bedrag. 2.22. De gevorderde contractuele boeterente over de gebruiksvergoeding c.q. de schadevergoeding wordt afgewezen. De contractuele boeterente vindt immers zijn grondslag in de huurovereenkomst en de daarbij behorende algemene huurvoorwaarden. Deze bestaan na ontbinding niet meer. Over de gebruiksvergoeding c.q. schadevergoeding wordt daarom wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW toegewezen. 2.23. De contractuele boeterente over de op het moment van dagvaarden reeds verbeurde boetes wordt eveneens afgewezen. Niet is gesteld of gebleken dat deze over de verbeurde boetes overeen is gekomen. De kantonrechter wijst daarom de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toe. Daarbij geldt dat over een boete pas rente verschuldigd is na schriftelijke aanmaning (artikel 6:119 BW jo. 6:82 BW), doch in ieder geval vanaf het moment van dagvaarden. De kantonrechter wijst daarom de wettelijke rente toe over de op het moment van dagvaarden reeds verbeurde boetes (van in totaal € 2.700,-) vanaf 16 mei 2025. Niet is gebleken dat Dulip [gedaagden] schriftelijk heeft aangemaand tot betaling van boetes die na de dagvaarding zijn verbeurd, zodat daarover geen rente wordt toegewezen. 2.24. De gevorderde contractuele boeterente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat deze over de buitengerechtelijke incassokosten is overeengekomen. Daarom wordt over de buitengerechtelijke incassokosten de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW toegewezen vanaf 16 mei 2025. [gedaagden] moet de proceskosten betalen 2.25. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagden] , omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). Zij zijn daarvoor hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:7 BW). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagden] aan Dulip moeten betalen op € 244,99 aan dagvaardingskosten, € 1.461,- aan griffierecht, € 2.020,- aan salaris voor de gemachtigde ( 2 punten x € 1.010) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 3.869,99. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.26. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Dulip dat eist en [gedaagden] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1.
Volledig
Verder zijn er geen stukken overlegd waaruit blijkt dat partijen inderdaad tot een overeenstemming ten aanzien van het eindigen van de huurovereenkomst zijn gekomen. Nu dit door Dulip wordt betwist, en [gedaagden] haar standpunt op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, gaat de kantonrechter hieraan voorbij. Bovenstaande betekent dat [gedaagden] ook na 15 oktober 2025 nog een betalingsverplichting had jegens Dulip. 2.11. Dulip heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een specificatie van de actuele huurachterstand overgelegd. Daaruit volgt dat de huurachterstand, berekend tot en met januari 2026, € 251.159,37 bedraagt. [gedaagden] heeft verder de juistheid van de specificatie niet betwist. Het bovenstaande betekent dat de vordering van Dulip wordt toegewezen en [gedaagden] de huurachterstand van € 251.159,37 aan Dulip moet betalen. De huurovereenkomst wordt ontbonden 2.12. De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagden] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat [gedaagden] een huurachterstand heeft laten ontstaan van ruim dertien maanden. [gedaagden] heeft verder geen financiële zekerheid kunnen geven dat zij de huurachterstand kan inlopen en de huur in de toekomst wel op tijd en volledig kan betalen. Onder deze omstandigheden kan van Dulip niet worden verwacht dat zij de huurovereenkomst met [gedaagden] voortzet. De huurovereenkomst wordt daarom ontbonden. 2.13. Omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagden] de bedrijfsruimte al heeft ontruimd, wordt de door Dulip gevorderde ontruiming toegewezen. [gedaagden] moet de bedrijfsruimte met al haar spullen verlaten. Dulip heeft niet uitgelegd waarom zij wil dat [gedaagden] de bedrijfsruimte binnen drie dagen na betekening van dit vonnis ontruimt. De kantonrechter zal de ontruimingstermijn dan ook in redelijkheid bepalen op veertien dagen na betekening van dit vonnis. [gedaagden] moet een gebruiksvergoeding en een schadevergoeding betalen 2.14. Tot de dag van ontruiming moet [gedaagden] een gebruiksvergoeding van € 18.366,42 per maand betalen (artikel 7:225 BW). Dulip eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagden] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW). 2.15. [gedaagden] is ook aansprakelijk voor de schade van Dulip vanaf de ontruiming tot de oorspronkelijke einddatum van de huurovereenkomst (artikel 6:277 BW). De omvang van deze schade kan nog niet worden begroot. Daarom wordt [gedaagden] veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding op te maken bij staat (artikel 612 Rv). [gedaagden] € 14.220,55 moet incassokosten betalen 2.16. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen op grond van artikel 28.1 van de toepasselijke algemene voorwaarden. Daarin is afgesproken dat Dulip aanspraak maakt op incassokosten ter hoogte van 15% van de hoofdsom. Het gevorderde bedrag van € 14.220,55 wordt daarom toegewezen. 2.17. [gedaagden] heeft nog aangevoerd dat de gevorderde incassokosten niet toewijsbaar zijn omdat deze enerzijds niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets en anderzijds onvoldoende is gesteld dan wel gebleken dat Dulip werkzaamheden heeft uitgevoerd die voor vergoeding in aanmerking komen. Dit verweer treft geen doel. Het gaat hier om professionele handelspartijen die de verschuldigdheid van deze kosten contractueel zijn overeengekomen. Verder heeft Dulip voldoende gesteld dat zij incassowerkzaamheden heeft verricht. [gedaagden] moet een bedrag van € 5.100,- aan contractuele boetes betalen 2.18. In artikel 23.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden is een boete(rente)beding opgenomen. Daarin staat dat als de huur niet op tijd wordt betaald, [gedaagden] een direct opeisbare boete aan Dulip moet betalen van 1% van de verschuldigde huurprijs, met een minimum van € 300,- per maand. Dulip vordert dat [gedaagden] deze boete aan haar moet betalen over de maanden dat zij de huur niet op tijd heeft betaald. Volgens Dulip heeft [gedaagden] de huur over de maanden september 2024 tot en met januari 2026 niet betaald en is daarom een boete van € 5.100,- aan haar verschuldigd. Dit bedrag wordt toegewezen. 2.19. [gedaagden] heeft nog aangevoerd dat het boete(rente)beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW). De kantonrechter gaat hieraan voorbij. Het is vaste rechtspraak dat de kantonrechter zeer terughoudend moet zijn bij de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [gedaagden] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien zij vast komen te staan, voldoende zwaarwegend zijn om tot het oordeel te komen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om het door Dulip gevorderde bedrag aan contractuele boete(rente) toe te wijzen. De boete(rente) over de openstaande bedragen 2.20. Dulip vordert tevens de contractuele boete(rente) van 1% per maand met een minimum van € 300,- per maand over de openstaande bedragen vanaf de dag der dagvaarding tot de dag dat de gehele vordering is voldaan. 2.21. De contractuele boeterente over de verschuldigde huurtermijnen vanaf 1 februari 2026 tot aan de datum van ontbinding van de huurovereenkomst (vandaag), wordt toegewezen voor zover [gedaagden] in verzuim is met de betaling van dit bedrag. 2.22. De gevorderde contractuele boeterente over de gebruiksvergoeding c.q. de schadevergoeding wordt afgewezen. De contractuele boeterente vindt immers zijn grondslag in de huurovereenkomst en de daarbij behorende algemene huurvoorwaarden. Deze bestaan na ontbinding niet meer. Over de gebruiksvergoeding c.q. schadevergoeding wordt daarom wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW toegewezen. 2.23. De contractuele boeterente over de op het moment van dagvaarden reeds verbeurde boetes wordt eveneens afgewezen. Niet is gesteld of gebleken dat deze over de verbeurde boetes overeen is gekomen. De kantonrechter wijst daarom de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toe. Daarbij geldt dat over een boete pas rente verschuldigd is na schriftelijke aanmaning (artikel 6:119 BW jo. 6:82 BW), doch in ieder geval vanaf het moment van dagvaarden. De kantonrechter wijst daarom de wettelijke rente toe over de op het moment van dagvaarden reeds verbeurde boetes (van in totaal € 2.700,-) vanaf 16 mei 2025. Niet is gebleken dat Dulip [gedaagden] schriftelijk heeft aangemaand tot betaling van boetes die na de dagvaarding zijn verbeurd, zodat daarover geen rente wordt toegewezen. 2.24. De gevorderde contractuele boeterente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat deze over de buitengerechtelijke incassokosten is overeengekomen. Daarom wordt over de buitengerechtelijke incassokosten de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW toegewezen vanaf 16 mei 2025. [gedaagden] moet de proceskosten betalen 2.25. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagden] , omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). Zij zijn daarvoor hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:7 BW). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagden] aan Dulip moeten betalen op € 244,99 aan dagvaardingskosten, € 1.461,- aan griffierecht, € 2.020,- aan salaris voor de gemachtigde ( 2 punten x € 1.010) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 3.869,99. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.26. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Dulip dat eist en [gedaagden] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1.