Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-20
ECLI:NL:RBROT:2026:3405
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,026 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:3405 text/xml public 2026-04-09T16:40:37 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-20 11797346 CV EXPL 25-15498 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3405 text/html public 2026-04-09T16:36:20 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3405 Rechtbank Rotterdam , 20-02-2026 / 11797346 CV EXPL 25-15498 Vordering ontbinding en ontruiming woonruimte wegens huurachterstand. Vordering toegewezen. Geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wegens oneerlijk beding. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11797346 CV EXPL 25-15498 datum uitspraak: 20 februari 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Stichting Hef Wonen, vestigingsplaats: Rotterdam, eiseres, gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V., tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘Hef Wonen’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 7 juli 2025, met bijlagen; het antwoord; het e-mailbericht van Hef Wonen van 5 januari 2026, met bijlage. 1.2. Op 19 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: mevrouw [persoon A] , namens de gemachtigde van Hef Wonen en de heer [gedaagde] . 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [gedaagde] huurt vanaf 13 juli 2017 een woning van Hef Wonen aan de [adres] te [woonplaats] . De huur is nu € 988,03 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. Hef Wonen eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te verlaten. 2.2. [gedaagde] erkent de huurachterstand en geeft aan dat zijn voormalige partner altijd de huur betaalde aan de verhuurder. Hij wist niet dat zij gestopt was met het betalen van de huur. Inmiddels geeft [gedaagde] aan dat hij hoofdbewoner is geworden van de woning en dat hij hulp aan het zoeken is voor zijn schulden. [gedaagde] woont samen met zijn nieuwe partner, die op dit moment zwanger is. 2.3. De kantonrechter wijst de vordering van Hef Wonen toe. Dat betekent dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te verlaten en de huurachterstand aan Hef Wonen te betalen. Hierna zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel komt. [gedaagde] moet een huurachterstand van € 3.658,21 betalen 2.4. Volgens Hef Wonen heeft [gedaagde] , berekend tot januari 2026, een huurachterstand van € 3.658,21. [gedaagde] erkent dat hij een huurachterstand heeft laten ontstaan en heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] daarom om € 3.658,21 aan Hef Wonen te betalen. De huurovereenkomst wordt ontbonden 2.5. De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. 2.6. De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat de huurachterstand is opgelopen tot bijna vier maanden en dat [gedaagde] al langere tijd problemen heeft met het tijdig en volledig betalen van de huur. [gedaagde] heeft aangegeven dat zijn betalingsproblemen het gevolg zijn van persoonlijke omstandigheden, waaronder de beëindiging van de relatie met zijn voormalige partner. Volgens [gedaagde] betaalde zijn ex-partner altijd de huur en was hij er niet van op de hoogte dat zij daarmee was gestopt. Deze omstandigheid dient voor eigen rekening en risico van [gedaagde] te komen, nu hij zelf contractueel medehuurder was en daarmee hoofdelijk aansprakelijk voor nakoming van de verplichtingen die uit de huurovereenkomst voortvloeien. De persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] leiden er niet toe dat ontbinding van de huurovereenkomst onder de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd is. Daarbij is ook van belang dat [gedaagde] geen waarborg heeft geboden voor een behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst in de toekomst. Hoewel [gedaagde] heeft aangegeven dat hij op 13 augustus 2025 een intake heeft gehad bij de gemeente [naam gemeente] in verband met financiële hulpverlening en dat hij is doorverwezen naar Zuidweg & Partners, heeft Hef Wonen aangegeven nog niets van Zuidweg & Partners te hebben vernomen. Het is daarom op dit moment nog onzeker óf en op welke termijn [gedaagde] de huurachterstand kan gaan inlopen. Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden niet van Hef Wonen kan worden verlangd dat zij de huurovereenkomst voortzet. 2.7. Hef Wonen heeft tijdens de zitting wel aangegeven bereid te zijn een eventueel voorstel voor een betalingsregeling van de schuldhulpverlening in overweging te nemen. In dat geval dient dit vonnis slechts als een stok achter de deur. Het is daarvoor wel van essentieel belang dat dat [gedaagde] op zeer korte termijn, met ondersteuning van schuldhulpverlening, zijn financiële zaken op orde brengt, zodat de lopende huur kan worden betaald. Ook wordt van hem verwacht dat hij actief meewerkt aan het opstellen van een concreet betalingsvoorstel aan Hef Wonen. [gedaagde] moet dan wel (nu) in beweging komen. [gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen 2.8. Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. De ontruimingstermijn zal, gelet op het belang van het kindje dat bij [gedaagde] en zijn partner op komst is, worden gesteld op twee maanden na betekening van het vonnis. 2.9. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 988,03 per maand betalen (artikel 7:225 BW). Hef Wonen eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur. [gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen 2.10. De kantonrechter wijst de incassokosten af omdat de bepaling in de huurovereenkomst over de buitengerechtelijke kosten oneerlijk is. In de huurovereenkomst is de volgende bepaling opgenomen: “ Overige kosten Alle ter uitvoering van deze overeenkomst te maken of gemaakte kosten, waaronder begrepen administratiekosten, omzetbelasting alsmede alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, die de huurder of verhuurder maakt, omdat de wederpartij enige bepaling van de overeenkomst en de daarbij behorende Algemene huurvoorwaarden niet nakomt, zijn voor rekening van de partij die de wanprestatie pleegt.” 2.11. Deze bepaling wijkt in het nadeel van de consument af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW). Een bepaling die de handelaar recht geeft op buitengerechtelijke kosten is op zich toegestaan, maar dan moet wel zijn voldaan aan de voorwaarde dat de bepaling de handelaar geen recht mag geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. Aan deze voorwaarde is hier niet voldaan, omdat in de bepaling is opgenomen dat alle buitengerechtelijke kosten door de wanpresterende partij moeten worden betaald aan de wederpartij die de kosten heeft gemaakt. De bepaling is daarom oneerlijk zodat de vergoeding voor incassokosten wordt afgewezen. [gedaagde] moet rente betalen 2.12. De rente wordt toegewezen, omdat Hef Wonen genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De rente bedraagt, berekend tot en met 7 juli 2025, € 754,84. Verder geen oneerlijke bepalingen 2.13. De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 2.14.