Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-19
ECLI:NL:RBROT:2026:3383
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
2,001 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:3383 text/xml public 2026-04-09T15:08:49 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-19 11870341 VZ VERZ 25-5950 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3383 text/html public 2026-04-09T15:07:41 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3383 Rechtbank Rotterdam , 19-02-2026 / 11870341 VZ VERZ 25-5950 Arbeidszaak. Afwijzing verzoek tot vernietiging ontslag op staande voet. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11870341 VZ VERZ 25-5950 datum uitspraak: 19 februari 2026 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van [werknemer] , woonplaats: [woonplaats] , verzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek, gemachtigde: mr. M.H. de Lange, tegen Smit Mobile Equipment B.V. , vestigingsplaats: Oud Beijerland, verweerster, verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek, gemachtigde: mr. drs. T.J. Post. De partijen worden hierna ‘ [werknemer] ’ en ‘Smit Mobile Equipment’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het verzoekschrift, ontvangen op 5 september 2025, met bijlagen; het verweerschrift met voorwaardelijk tegenverzoek, met bijlagen; het verweerschrift tegen het voorwaardelijk tegenverzoek, met bijlagen; de spreekaantekeningen van Smit Mobile Equipment. 1.2. Op 22 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting met partijen en hun gemachtigden besproken. 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [werknemer] werkte sinds 1 november 2022 bij Smit Mobile Equipment als [naam functie] . Hij is op 25 juli 2025 op staande voet ontslagen. In die ontslagbrief staat onder andere: ‘(…) Op donderdag 24 juli jl. meldde zich in de ochtend een werknemer, die aangaf zijn arbeidsovereenkomst met ons op te zeggen omdat hij niet meer met u wilde samenwerken. Later die ochtend verscheen een andere werknemer, die aangaf te overwegen zijn arbeidsovereenkomst om dezelfde reden op te zeggen. De werknemers gaven onder meer aan zich bedreigd en geïntimideerd te voelen. Naar aanleiding van de meldingen hebben wij u naar huis gestuurd en onderzoek verricht. Wij hebben zes werknemers gesproken, die ons inzicht hebben gegeven in hun ervaringen met betrekking tot de samenwerking met u. (…) Op basis van de verklaringen constateren wij het volgende. Verschillende werknemers geven aan door u te zijn bedreigd. Dit gebeurde soms zonder voor die werknemers duidelijke reden, en soms nadat een inhoudelijke opmerking over uw werkzaamheden was gemaakt. Direct en indirect maakt u opmerkingen waaruit volgt dat u “weet waar een bepaalde collega woont”, u geeft aan naar het huis van een collega te zullen komen, u geeft aan dat een collega “maar over zijn schouders moet kijken”, u geeft aan dat u collega’s gaat pakken, u daagt een collega uit het gevecht aan te gaan, u geeft aan pistolen in uw auto te hebben, u ‘heeft een collega uitgescholden voor homo, etc. Meerdere collega’s hebben ons laten weten om deze redenen niet langer met u te willen samenwerken, zich onveilig en geïntimideerd te voelen, bang voor u te zijn en/of bij ons te willen vertrekken vanwege uw gedrag (…) De meerdere onafhankelijke verklaringen, in aanvulling op de eerdere waarschuwing, hebt u simpelweg weersproken door aan te geven zich geen dergelijke voorvallen te kunnen herinneren. Voor ons is, ten opzichte van uw blote ontkenning, voldoende aannemelijk geworden dat u, door uw opmerkingen en/of gedrag, één of meer van uw collega’s heeft geïntimideerd, bedreigd, beledigd en/of bang gemaakt. Wij zijn als werkgever verplicht om een veilige werkomgeving te bieden aan onze werknemers. Dergelijk gedrag hoort daar niet bij en is onacceptabel. (…) Gezien de ernst van de gedraging(en) mag duidelijk zijn dat wij geen enkel vertrouwen meer hebben in een voortzetting van de arbeidsrelatie, van ons kan redelijkerwijs niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. (…) Alle in deze brief genoemde omstandigheden vormen in onderlinge samenhang maar ook op zichzelf een dringende reden op grond waarvan wij u per direct op staande voet ontslaan. Een afweging van uw persoonlijke omstandigheden heeft ons niet tot een andere conclusie doen bewegen, zodat uw arbeidsovereenkomst op vrijdag 25 juli 2025 met onmiddellijke ingang is geëindigd. Deze brief dient als bevestiging van het aan uw gegeven ontslag op staande voet. ’ 2.2. [werknemer] is het niet eens met dit ontslag en verzoekt vernietiging daarvan, wedertewerkstelling en betaling van salaris, met wettelijke verhoging en rente. Smit Mobile Equipment vindt dat het verzoek moet worden afgewezen. Als het ontslag wel wordt vernietigd, verzoekt zij de arbeidsovereenkomst te ontbinden. [werknemer] is het daar niet mee eens en wil als de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Het verzoek van [werknemer] wordt afgewezen. Het ontslag op staande voet blijft dus in stand. Hierna wordt uitgelegd waarom. Dringende reden 2.3. Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW kan een partij de arbeidsovereenkomst onverwijld opzeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Niet in geschil is dat aan de voorwaarde van onverwijldheid is voldaan. [werknemer] betwist dat sprake is van een dringende reden. Geoordeeld wordt echter dat die reden er wel is. Met een dringende reden wordt bedoeld één of meer eigenschappen en/of gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband (artikel 7:678 lid 1 BW). Dat deze situatie zich voordoet, kan worden vastgesteld op basis van de ontslagbrief die steun vindt in verklaringen van vijf collega’s van [werknemer] , aangevuld met WhatsAppberichten. Die verklaringen komen erop neer dat [werknemer] zich tegenover hen schuldig heeft gemaakt aan bedreigend en intimiderend gedrag, zowel onder als buiten werktijd, en dat zij om die reden (liever) niet met hem willen samenwerken. 2.4. [werknemer] heeft erkend dat het klopt wat collega [naam collega] heeft verklaard. Daarin staat dat hij al geruime tijd vervelende ervaringen heeft met [werknemer] , wat bevestigd wordt door overgelegde WhatsAppberichten van [werknemer] aan hem. Zo heeft [werknemer] [naam collega] op vrijdagavond 10 januari 2025 gevraagd om adresgegevens van een collega, door hem aangeduid als “die kleine kanker rat”, en toen [naam collega] die niet wilde gegeven, heeft [werknemer] hem op dreigende toon gevraagd naar zijn adres om langs te komen om het met geweld op te lossen. Later die avond heeft [werknemer] hem geappt dat hij in de buurt was en dat [naam collega] naar buiten moest komen zonder de politie te alarmeren. [naam collega] heeft dit als zeer bedreigend en stressvol ervaren voor hem en zijn gezin. In de daarop volgende werkweek heeft [werknemer] volgens [naam collega] tijdens het werk scheldwoorden en bedreigingen naar hem geuit. Volgens [naam collega] was [werknemer] duidelijk aan het uitdagen en op zoek naar een confrontatie. Dit heeft geresulteerd in een aantal ziekmeldingen door [naam collega] omdat de druk door [werknemer] ervoor zorgde dat hij niet lekker in zijn vel zat en hij zich niet op zijn werk kon concentreren. Toen [werknemer] afwezig was door ziekte was de sfeer op het werk ineens een stuk aangenamer, maar sinds [werknemer] weer gedeeltelijk aan het werk is nemen de spanningen weer toe. 2.5. De andere vier verklaringen kloppen volgens [werknemer] niet. Hij heeft echter niets naar voren kunnen brengen om aan de juistheid ervan te gaan twijfelen. Ook de inhoud van de verklaringen geven geen aanleiding voor twijfel. De verschillen zijn zodanig opvallend dat niet kan worden gezegd dat ze op elkaar zijn afgestemd. [werknemer] heeft ook niet duidelijk kunnen maken hoe en waarom verklaringen op die manier in zijn nadeel zouden zijn afgelegd die niet kloppen. Hierbij komt dat het in de verklaringen beschreven gedrag niet op zichzelf staat.