Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-20
ECLI:NL:RBROT:2026:3028
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,040 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:3028 text/xml public 2026-03-23T15:54:24 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-20 C/10/705111 / FA RK 25-6247 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3028 text/html public 2026-03-23T15:53:52 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3028 Rechtbank Rotterdam , 20-03-2026 / C/10/705111 / FA RK 25-6247 Wijziging van het geslacht in die zin dat het geslacht wordt vermeld met X en wijziging voornaam. Rechtbank Rotterdam Team familie Zaaknummer / rekestnummer: C/10/705111 / FA RK 25-6247 Beschikking van 20 maart 2026 over wijziging geboorteakte en wijziging voornaam in de zaak van: [persoon A] , hierna: [persoon A] , wonende te [woonplaats] , advocaat mr. K.S.M. Smienk te De Meern. Als belanghebbende wordt aangemerkt: de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag , hierna: de ambtenaar, zetelend te Den Haag. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen van [persoon A] , ingekomen op 13 augustus 2025; de deskundigenverklaring van [persoon B] van 8 september 2025; het bericht van de ambtenaar, ingekomen op 22 januari 2026. 1.2. [persoon A] heeft afgezien van een mondelinge behandeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om een mondelinge behandeling te gelasten en zal de zaak op de stukken afdoen. 2 De vaststaande feiten 2.1. [persoon A] is geboren op [geboortedatum] 1980, [geboorteplaats] en bezit de Nederlandse nationaliteit. 2.2. Aan [persoon A] is, de volgende voornaam gegeven: [voornaam 1] . 2.3. Op basis van de geboorteakte is [persoon A] in de registers van de burgerlijke stand opgenomen als zijnde van het vrouwelijk geslacht. 2.4. [persoon A] heeft de Nederlandse nationaliteit. 3 De beoordeling 3.1. [persoon A] verzoekt de ambtenaar te gelasten aan diens geboorteakte een latere vermelding toe te voegen van wijziging van het geslacht, in die zin dat het geslacht X zal zijn. Daarnaast verzoekt [persoon A] diens voornaam te wijzigen in [voornaam 2] en de ambtenaar te gelasten deze wijziging aan diens geboorteakte toe te voegen. 3.2. [persoon A] heeft aan diens verzoeken ten grondslag gelegd dat [persoon A] een non-binaire beleving van diens gender heeft en zich niet identificeert als man of als vrouw. 3.3. De ambtenaar stemt in met het verzoek aan de geboorteakte een latere vermelding toe te voegen van wijziging van het geslacht. 3.4. Geslacht 3.4.1. De rechtbank overweegt dat op dit moment geen wettelijke grondslag bestaat voor een wijziging van de geslachtsregistratie in een geboorteakte naar een X of een andere geslachtsneutrale aanduiding. Het is in beginsel aan de wetgever hiervoor een voorziening te treffen. De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciële beslissing van 4 maart 2022 geconcludeerd dat, zolang er geen wettelijke regeling is, het aan de rechter is om in elke concrete zaak aan de hand van de aard en inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden van het geval te beslissen (ECLI:NL:HR:2022:336). Inmiddels zijn er opnieuw prejudiciële vragen gesteld. In zijn uitspraak van 19 december 2025 heeft de Hoge Raad afgezien van het beantwoorden van die prejudiciële vragen. Dit omdat "de ontwikkelingen nadien, waaruit blijkt dat het onderwerp de aandacht van het parlement en de regering heeft behouden, de Hoge Raad geen aanleiding geven om nu anders te beslissen" (ECLI:NL:HR:2025:1959). 3.4.2. Met het intrekken van het wetsvoorstel 35825 is er op dit moment, anders dan ten tijde van de uitspraak van de Hoge Raad van 4 maart 2022, geen zicht op wetgeving in de nabije toekomst waarmee genderneutrale registratie in een geboorteakte wettelijk mogelijk zal worden gemaakt. Toch is de Hoge Raad in de uitspraak van 19 december 2025 niet overgegaan tot beantwoording van de prejudiciële vragen en is verwezen naar de eerdere uitspraak van 4 maart 2022. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor wat betreft de non-binaire geslachtsregistratie geen sprake van een kentering in de politieke en maatschappelijke opvatting. Dat een geslachtsneutrale registratie in Nederland steeds breder wordt aanvaard, blijkt onder meer uit het feit dat op 25 oktober 2025 zeven politieke partijen (waaronder de vier van de vijf partijen die daarna bij de verkiezingen de meeste stemmen hebben gekregen: D66, CDA, VVD en GroenLinks-PvdA) het “Regenboog Stembusakkoord 2025” hebben ondertekend. Daarin is het voornemen opgenomen voor "een wettelijke mogelijkheid om, zonder tussenkomst van de rechter, de geslachtsvermelding in officiële documenten zoals het paspoort te laten doorhalen met een 'X' op dezelfde wijze als die vermelding wijst van V naar M of andersom". Ook uit (recente) jurisprudentie blijkt een consistente lijn waarin verzoeken tot wijziging van de geslachtsregistratie naar een non-binaire aanduiding worden toegewezen. De intrekking van het wetsvoorstel is voor geen enkele rechtbank of hof aanleiding geweest om beslissingen op voorliggende verzoeken aan te houden. De rechtbank constateert daarom dat er nog altijd sprake is van een maatschappelijke erkenning en (een trend naar) juridische erkenning van een neutrale geslachtelijke identiteit en dat het aan de rechter is om in elke concrete zaak aan de hand van de aard en inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden van het geval te beslissen. 3.4.3. De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige verzoek tot wijziging van de geslachtsaanduiding op dezelfde wijze moet worden benaderd als verzoeken op grond van artikel 1:28 BW, die zien op personen die de - door een deskundige getoetste en onderschreven - overtuiging hebben tot het ‘andere geslacht’ te behoren. Dit artikel voorziet niet in de mogelijkheid om te kiezen voor een non-binaire geslachtsaanduiding. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een ongerechtvaardigd en ongeoorloofd onderscheid op tussen personen die de overtuiging hebben tot het andere geslacht te behoren en personen die de overtuiging hebben buiten de exclusief mannelijke of vrouwelijk geslachtsaanduiding te vallen (non-binair), als bedoeld in artikel 26 IVBPR en artikel 1 lid 2 van Protocol nr. 12 EVRM. 3.4.4. De rechtbank stelt vast dat [persoon A] zich niet identificeert als man of vrouw en dat de geslachtsvermelding man of vrouw niet overeen komt met de innerlijke overtuiging van [persoon A] . Deze overtuiging bestaat al geruime tijd en wordt door [persoon A] uitgedragen in contacten met derden. Er is dan ook sprake van een duurzame overtuiging over diens genderidentiteit. Verder stelt de rechtbank vast dat de beslissing een wijziging van de geslachtsaanduiding te vragen niet lichtzinnig heeft genomen. De rechtbank overweegt op dat punt als volgt. 3.4.5. Op grond van artikel 1:28a BW moet bij een verzoek om wijziging van het geslacht naar het andere geslacht in de geboorteakte een deskundigenverklaring worden overgelegd. De rechtbank stelt vast dat een dergelijke verklaring van een deskundige in de onderhavige zaak is overgelegd. Omdat een verzoek om een non-binaire geslachtsaanduiding niet wettelijk is geregeld, geldt de eis van een deskundigenverklaring ook niet. De rechtbank toetst in de regel zelf of er aanwijzingen zijn dat het verzoek lichtzinnig wordt gedaan, aan de hand van een verklaring van betrokkene zelf. In deze zaak heeft betrokkene, die de Nederlandse taal niet goed machtig is, geen eigen verklaring ingebracht, maar een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 1:28a BW. De deskundige geeft te kennen dat [persoon A] blijk van heeft gegeven de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte weloverwogen te blijven wensen. De deskundige heeft geen reden om aan de gegrondheid te twijfelen. De rechtbank volgt dit. 3.4.6. [persoon A] heeft er daarom recht op en belang bij dat diens akte van geboorte in overeenstemming wordt gebracht met het feit dat die zich niet identificeert als man of vrouw. Ontzegging van een geslachtsregistratie overeenkomstig die innerlijke overtuiging zou in strijd zijn met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).