Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-20
ECLI:NL:RBROT:2026:2889
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,953 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2889 text/xml public 2026-04-16T16:07:20 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-20 ROT 26/674 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2889 text/html public 2026-04-16T16:06:29 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2889 Rechtbank Rotterdam , 20-03-2026 / ROT 26/674 Het spoedeisend belang is niet aannemelijk gemaakt nadat verzoeker meerdere keren daartoe in de gelegenheid is gesteld. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/674 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2026 in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: [persoon A] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van een aanvraag voor een Wajonguitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. 3. Bij brief van 27 januari 2026 is verzoeker door de rechtbank erop gewezen dat het verzoekschrift om een voorlopige voorziening niet aan de gestelde voorwaarden voldoet. Aan verzoeker is gevraagd het spoedeisend belang nader te onderbouwen en een kopie toe te sturen van het bestreden besluit (van 1 oktober 2025). Nadat hierop geen reactie was ingekomen, is op 11 februari 2026 een rappelbrief verstuurd. De gemachtigde van verzoeker heeft op 24 februari 2026 laten weten deze brief pas toen te hebben ontvangen en heeft verzocht om uitstel van de termijn om te reageren. Bij brief van 24 februari 2026 heeft de rechtbank dit verzoek gehonoreerd en verzoeker een week de tijd gegeven om te reageren. Op 25 februari 2026 heeft de gemachtigde van verzoeker gereageerd en een kopie van het bestreden besluit meegestuurd en geen nadere toelichting gegeven op het spoedeisend belang. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie, waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Conclusie en gevolgen 4. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek als kennelijk ongegrond afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2889 text/xml public 2026-04-16T16:07:20 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-20 ROT 26/674 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2889 text/html public 2026-04-16T16:06:29 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2889 Rechtbank Rotterdam , 20-03-2026 / ROT 26/674 Het spoedeisend belang is niet aannemelijk gemaakt nadat verzoeker meerdere keren daartoe in de gelegenheid is gesteld. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/674 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2026 in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: [persoon A] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van een aanvraag voor een Wajonguitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. 3. Bij brief van 27 januari 2026 is verzoeker door de rechtbank erop gewezen dat het verzoekschrift om een voorlopige voorziening niet aan de gestelde voorwaarden voldoet. Aan verzoeker is gevraagd het spoedeisend belang nader te onderbouwen en een kopie toe te sturen van het bestreden besluit (van 1 oktober 2025). Nadat hierop geen reactie was ingekomen, is op 11 februari 2026 een rappelbrief verstuurd. De gemachtigde van verzoeker heeft op 24 februari 2026 laten weten deze brief pas toen te hebben ontvangen en heeft verzocht om uitstel van de termijn om te reageren. Bij brief van 24 februari 2026 heeft de rechtbank dit verzoek gehonoreerd en verzoeker een week de tijd gegeven om te reageren. Op 25 februari 2026 heeft de gemachtigde van verzoeker gereageerd en een kopie van het bestreden besluit meegestuurd en geen nadere toelichting gegeven op het spoedeisend belang. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie, waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Conclusie en gevolgen 4. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek als kennelijk ongegrond afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.