Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-11
ECLI:NL:RBROT:2026:2802
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,905 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2802 text/xml public 2026-04-14T08:26:50 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-11 C/10/713778 / KG ZA 26-72 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2802 text/html public 2026-04-14T08:26:16 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2802 Rechtbank Rotterdam , 11-03-2026 / C/10/713778 / KG ZA 26-72 Kort geding. Executiegeschil ontruiming. Afwijzing. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/713778 / KG ZA 26-72 Vonnis in kort geding van 11 maart 2026 in de zaak van STICHTING NIEUW VAARWATER in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, advocaat: mr. V.T.E. Kuijpers, tegen STICHTING HAVENSTEDER , gevestigd te Rotterdam, gedaagde partij, advocaat: mr. Y.F. Rijswijk. Partijen worden hierna de bewindvoerder en Havensteder genoemd. 1 De zaak in het kort In dit executiegeschil vordert de bewindvoerder de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 24 december 2025 te schorsen zolang in hoger beroep nog geen uitspraak is gedaan, zodat [eiser] in afwachting van deze procedure in de woning mag blijven wonen. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af. 2 De procedure 2.1. Het dossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 23 februari 2026, met producties 1 en 2; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5. 2.2. De mondelinge behandeling heeft op 4 maart 2026 plaatsgevonden. 3 De feiten 3.1. [eiser] huurt sinds 27 juli 2015 een woning, gelegen aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: ‘de woning’), van Havensteder. 3.2. Bij vonnis in kort geding van 24 december 2025 heeft de kantonrechter van deze rechtbank [eiser] veroordeeld om de woning te ontruimen vanwege langdurige en ernstige overlast en geen concreet zicht op aanzienlijke verbetering. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.3. De bewindvoerder heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter. Er is nog geen memorie van grieven ingediend. 3.4. De ontruiming van de woning staat gepland op 16 maart 2026. 4 Het geschil 4.1. De bewindvoerder vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 24 december 2025 (zaaknummer 11925136 VV EXPL 25-617), zolang in het tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep geen einduitspraak is gewezen door het gerechtshof, met veroordeling van Havensteder in de kosten van deze procedure 4.2. Havensteder voert verweer. Havensteder concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met kostenveroordeling. 5 De beoordeling 5.1. Het uitgangspunt in een executiegeschil is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en de daaraan ten grondslag liggende vastgestelde feiten en oordelen. De kans van slagen van een aangewend of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, tenzij sprake is van een kennelijke misslag. 5.2. Omdat het vonnis van 24 december 2025 zonder nadere motivering uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is een belangenafweging in deze procedure aan de orde. Het belang van [eiser] komt neer op behoud van de woning in afwachting van de beoordeling in het door de bewindvoerder ingestelde hoger beroep. Het belang van Havensteder is dat er een einde wordt gemaakt aan de overlastgevende situatie. 5.3. De kantonrechter heeft in het vonnis van 24 december 2025 een uitgebreide belangenafweging gemaakt. Dat vonnis en die belangenafweging vormen het uitgangspunt in deze procedure. De bewindvoerder stelt in de dagvaarding dat het belang van de minderjarige zoon van [eiser] moet worden meegewogen. Havensteder stelt daar tegenover dat de kantonrechter deze belangen al heeft meegewogen door [eiser] een lange ontruimingstermijn te gunnen. Havensteder voert tevens aan dat de minderjarige zoon van [eiser] sinds 12 januari 2026 niet meer bij haar woont, maar in een crisis-pleeggezin is geplaatst. [eiser] heeft ter zitting erkend dat haar zoon inmiddels (tijdelijk) bij één van haar beste vrienden verblijft. [eiser] stelt vervolgens dat zij na ontruiming van de woning niet direct een andere woning kan betrekken en zij is aangewezen op het Leger des Heils of de reguliere vrouwenopvang. Dat [eiser] mogelijk dakloos zou kunnen worden, is inherent aan een ontruiming en is in het vonnis van 24 december 2025 al meegewogen. Daartegenover staan de belangen van Havensteder als woningcorporatie die op grond van de Woningwet verplicht is de leefbaarheid in de wijk te waarborgen. Havensteder heeft naar andere huurders de verplichting om op te treden tegen overlastgevende situaties. 5.4. Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om de belangenafweging anders te laten uitvallen dan de kantonrechter heeft gedaan. De vordering wordt afgewezen. 5.5. De bewindvoerder krijgt ongelijk. De bewindvoerder moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Havensteder worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 760,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.684,00 6 De beslissing De voorzieningenrechter 6.1. wijst de vorderingen af, 6.2. veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 1.684,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend, 6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. 3608/1729
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2802 text/xml public 2026-04-14T08:26:50 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-11 C/10/713778 / KG ZA 26-72 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2802 text/html public 2026-04-14T08:26:16 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2802 Rechtbank Rotterdam , 11-03-2026 / C/10/713778 / KG ZA 26-72 Kort geding. Executiegeschil ontruiming. Afwijzing. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/713778 / KG ZA 26-72 Vonnis in kort geding van 11 maart 2026 in de zaak van STICHTING NIEUW VAARWATER in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, advocaat: mr. V.T.E. Kuijpers, tegen STICHTING HAVENSTEDER , gevestigd te Rotterdam, gedaagde partij, advocaat: mr. Y.F. Rijswijk. Partijen worden hierna de bewindvoerder en Havensteder genoemd. 1 De zaak in het kort In dit executiegeschil vordert de bewindvoerder de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 24 december 2025 te schorsen zolang in hoger beroep nog geen uitspraak is gedaan, zodat [eiser] in afwachting van deze procedure in de woning mag blijven wonen. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af. 2 De procedure 2.1. Het dossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 23 februari 2026, met producties 1 en 2; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5. 2.2. De mondelinge behandeling heeft op 4 maart 2026 plaatsgevonden. 3 De feiten 3.1. [eiser] huurt sinds 27 juli 2015 een woning, gelegen aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: ‘de woning’), van Havensteder. 3.2. Bij vonnis in kort geding van 24 december 2025 heeft de kantonrechter van deze rechtbank [eiser] veroordeeld om de woning te ontruimen vanwege langdurige en ernstige overlast en geen concreet zicht op aanzienlijke verbetering. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.3. De bewindvoerder heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter. Er is nog geen memorie van grieven ingediend. 3.4. De ontruiming van de woning staat gepland op 16 maart 2026. 4 Het geschil 4.1. De bewindvoerder vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 24 december 2025 (zaaknummer 11925136 VV EXPL 25-617), zolang in het tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep geen einduitspraak is gewezen door het gerechtshof, met veroordeling van Havensteder in de kosten van deze procedure 4.2. Havensteder voert verweer. Havensteder concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met kostenveroordeling. 5 De beoordeling 5.1. Het uitgangspunt in een executiegeschil is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en de daaraan ten grondslag liggende vastgestelde feiten en oordelen. De kans van slagen van een aangewend of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, tenzij sprake is van een kennelijke misslag. 5.2. Omdat het vonnis van 24 december 2025 zonder nadere motivering uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is een belangenafweging in deze procedure aan de orde. Het belang van [eiser] komt neer op behoud van de woning in afwachting van de beoordeling in het door de bewindvoerder ingestelde hoger beroep. Het belang van Havensteder is dat er een einde wordt gemaakt aan de overlastgevende situatie. 5.3. De kantonrechter heeft in het vonnis van 24 december 2025 een uitgebreide belangenafweging gemaakt. Dat vonnis en die belangenafweging vormen het uitgangspunt in deze procedure. De bewindvoerder stelt in de dagvaarding dat het belang van de minderjarige zoon van [eiser] moet worden meegewogen. Havensteder stelt daar tegenover dat de kantonrechter deze belangen al heeft meegewogen door [eiser] een lange ontruimingstermijn te gunnen. Havensteder voert tevens aan dat de minderjarige zoon van [eiser] sinds 12 januari 2026 niet meer bij haar woont, maar in een crisis-pleeggezin is geplaatst. [eiser] heeft ter zitting erkend dat haar zoon inmiddels (tijdelijk) bij één van haar beste vrienden verblijft. [eiser] stelt vervolgens dat zij na ontruiming van de woning niet direct een andere woning kan betrekken en zij is aangewezen op het Leger des Heils of de reguliere vrouwenopvang. Dat [eiser] mogelijk dakloos zou kunnen worden, is inherent aan een ontruiming en is in het vonnis van 24 december 2025 al meegewogen. Daartegenover staan de belangen van Havensteder als woningcorporatie die op grond van de Woningwet verplicht is de leefbaarheid in de wijk te waarborgen. Havensteder heeft naar andere huurders de verplichting om op te treden tegen overlastgevende situaties. 5.4. Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om de belangenafweging anders te laten uitvallen dan de kantonrechter heeft gedaan. De vordering wordt afgewezen. 5.5. De bewindvoerder krijgt ongelijk. De bewindvoerder moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Havensteder worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 760,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.684,00 6 De beslissing De voorzieningenrechter 6.1. wijst de vorderingen af, 6.2. veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 1.684,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend, 6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. 3608/1729