Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-11
ECLI:NL:RBROT:2026:2782
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,931 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2782 text/xml public 2026-04-14T08:31:20 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-11 C/10/677333 / HA ZA 24 - 314 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2782 text/html public 2026-04-14T08:30:54 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2782 Rechtbank Rotterdam , 11-03-2026 / C/10/677333 / HA ZA 24 - 314 Eindvonnis na tussenvonnis. Terugbetaling van geldsom. Waardering van opgedragen bewijs over de gestelde toedracht. Bewijs niet geleverd. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/677333 / HA ZA 24-314 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van [eiseres] , te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. G.P. Dayala, tegen [gedaagde] , te [plaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. J.O. Bohr. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 12 maart 2025 (hierna: het tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; - de akte uitlating na tussenvonnis, met producties, zijdens [eiseres] ; - het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 15 juli 2025; - de akte uitlating na enquête, met producties en een usb-stick, zijdens [eiseres] ; - de conclusie na enquête, zijdens [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Deze procedure betreft de (terug)vordering door [eiseres] van een bedrag van € 30.020,69 (hierna: het geldbedrag) van [gedaagde] , die dit bedrag volgens [eiseres] van een bankrekening van Stichting [Naam stichting] (hierna: de stichting) heeft overgemaakt op zijn eigen zakelijke rekening. 2.2. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank aan [eiseres] opgedragen om te bewijzen: ( a) dat het geldbedrag dat zij van [gedaagde] vordert aan haar toebehoort, en ( b) dat tussen haar en [gedaagde] is afgesproken dat [gedaagde] het geldbedrag van de rekening van de stichting zou overmaken naar een bankrekening van [eiseres] in Nederland en voorts dat hij het geldbedrag in strijd met die afspraken heeft overgemaakt op een niet aan [eiseres] toebehorende rekening (van [bedrijf] , d.i. zijn zakelijke rekening). 2.3. [eiseres] heeft zichzelf, haar dochter mevrouw [naam 1] , de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] doen horen. In contra-enquête heeft [gedaagde] zichzelf doen horen. 2.4. De verklaring van [eiseres] geldt als die van een partijgetuige. Voor haar verklaring geldt daarom de beperking van artikel 164 lid 2 (oud) Rv, welk artikel nog op deze procedure toepasselijk is omdat de procedure voor 1 januari 2025 is aangespannen. Op grond van genoemd artikel kan [eiseres] verklaring geen bewijs in haar voordeel opleveren als er geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zulke essentiële punten betreffen, dat zij haar verklaring als partijgetuige voldoende geloofwaardig maken. 2.5. De rechtbank acht [eiseres] geslaagd in bewijsopdracht a. [eiseres] geeft een begrijpelijke en consistente verklaring voor het feit dat het geldbedrag op de rekening van de stichting is gestort (d.i.: de enige voor [eiseres] beschikbare eurorekening om de opbrengst van de verkoop van een stuk land in Suriname op te storten, terwijl het bovendien financieel voordelig leek dit bedrag op de rekening van een stichting te storten). Deze verklaring wordt door de overige gehoorde getuigen, waaronder [gedaagde] , ook niet tegengesproken. Bovendien is niet gebleken dat de (bankrekening van de) stichting voor nog een ander doel diende dan voor het stallen van het geldbedrag door [eiseres] of dat die nog door anderen wordt gebruikt. 2.6. Zoals onder 4.6 van het tussenvonnis is overwogen betekent dit dat [eiseres] (en niet de stichting) in beginsel aanspraak kan maken op (terug)betaling van het geldbedrag en zij dus ontvankelijk is in haar vorderingen. 2.7. De rechtbank komt daarmee toe aan de vraag of [eiseres] is geslaagd in bewijsopdracht b. In dit bewijs acht de rechtbank [eiseres] niet geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. 2.7.1. Tegenover elkaar staan enerzijds de lezing van [eiseres] , namelijk dat [gedaagde] haar zou helpen het geldbedrag van de bankrekening van de stichting over te maken naar de Nederlandse bankrekening van [eiseres] , omdat het 'gevaar liep'. Vervolgens heeft [gedaagde] het geldbedrag naar zijn eigen zakelijke rekening overgemaakt en beloofd dit aan [eiseres] door te betalen. Deze betaling heeft nooit plaatsgevonden. De lezing van [gedaagde] anderzijds is dat [eiseres] hem dit geldbedrag heeft terugbetaald voor de kosten (hypotheekgelden, kosten aanschaf auto, auto-onderhoud, gezamenlijke vakanties en meer), die [gedaagde] voor [eiseres] had voldaan. 2.7.2. De rechtbank kan niet vaststellen of de lezing van [eiseres] of die van [gedaagde] de juiste is. De bewijslast van de afspraken omtrent het geldbedrag rust, als overwogen, op [eiseres] . Dat betekent dat haar lezing bewezen dient te worden. Alleen [eiseres] verklaart omtrent de gang van zaken uit eigen waarneming. De overige door [eiseres] gehoorde getuigen bevestigen weliswaar haar lezing, maar geven alle aan dat zij dit weten omdat zij het van [eiseres] hebben gehoord. Geen van deze getuigen is echter aanwezig geweest bij de gesprekken waarin [eiseres] en [gedaagde] afspraken hebben gemaakt over de overmaking van het geldbedrag. 2.7.3. Dan is er ook nog de geluidsopname van een gesprek dat [naam 1] en [naam 2] later met [gedaagde] hebben gevoerd toen laatstgenoemde bezig was met een verhuizing. Naar het oordeel van de rechtbank bevat die geluidsopname geen eenduidige erkenning van [gedaagde] dat hij het geldbedrag diende terug te betalen. Bovendien moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder [gedaagde] zijn uitlatingen deed: hij werd onverwacht geconfronteerd met zijn minnares en een vriend van [eiseres] , dit in aanwezigheid van zijn vrouw en terwijl hij aan het verhuizen was. Voor de hand ligt dat [gedaagde] voornamelijk bezig is geweest zo snel mogelijk en op welke wijze dan ook een einde aan het gesprek te maken. 2.7.4. Er zijn dus geen aanvullende bewijzen voorhanden die zodanig sterk zijn en zulke essentiële punten betreffen, dat zij de verklaring van [eiseres] als partijgetuige voldoende geloofwaardig maken. 2.8. De rechtbank merkt op dat daarmee niet gezegd is dat de lezing van [gedaagde] de juiste is. De rechtbank acht deze lezing niet geheel logisch en consistent, gelet op de in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie en de verschillende (elkaar tegensprekende) facturen, waarvoor [gedaagde] geen begrijpelijke verklaring heeft kunnen geven. Maar, als gezegd, de bewijslast – en daarmee het bewijsrisico – rust niet op [gedaagde] . 2.9. Nu de feitelijke grondslag waarop [eiseres] haar vordering tot terugbetaling baseert niet is komen vast te staan, komt die vordering niet voor toewijzing in aanmerking. 2.10. [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 87,00 - salaris advocaat € 2.926,00 (3,5 punten × € 836,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.202,00 3 De beslissing De rechtbank 3.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af, 3.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 3.202,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. [2111/2537]
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2782 text/xml public 2026-04-14T08:31:20 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-11 C/10/677333 / HA ZA 24 - 314 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2782 text/html public 2026-04-14T08:30:54 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2782 Rechtbank Rotterdam , 11-03-2026 / C/10/677333 / HA ZA 24 - 314 Eindvonnis na tussenvonnis. Terugbetaling van geldsom. Waardering van opgedragen bewijs over de gestelde toedracht. Bewijs niet geleverd. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/677333 / HA ZA 24-314 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van [eiseres] , te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. G.P. Dayala, tegen [gedaagde] , te [plaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. J.O. Bohr. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 12 maart 2025 (hierna: het tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; - de akte uitlating na tussenvonnis, met producties, zijdens [eiseres] ; - het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 15 juli 2025; - de akte uitlating na enquête, met producties en een usb-stick, zijdens [eiseres] ; - de conclusie na enquête, zijdens [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Deze procedure betreft de (terug)vordering door [eiseres] van een bedrag van € 30.020,69 (hierna: het geldbedrag) van [gedaagde] , die dit bedrag volgens [eiseres] van een bankrekening van Stichting [Naam stichting] (hierna: de stichting) heeft overgemaakt op zijn eigen zakelijke rekening. 2.2. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank aan [eiseres] opgedragen om te bewijzen: ( a) dat het geldbedrag dat zij van [gedaagde] vordert aan haar toebehoort, en ( b) dat tussen haar en [gedaagde] is afgesproken dat [gedaagde] het geldbedrag van de rekening van de stichting zou overmaken naar een bankrekening van [eiseres] in Nederland en voorts dat hij het geldbedrag in strijd met die afspraken heeft overgemaakt op een niet aan [eiseres] toebehorende rekening (van [bedrijf] , d.i. zijn zakelijke rekening). 2.3. [eiseres] heeft zichzelf, haar dochter mevrouw [naam 1] , de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] doen horen. In contra-enquête heeft [gedaagde] zichzelf doen horen. 2.4. De verklaring van [eiseres] geldt als die van een partijgetuige. Voor haar verklaring geldt daarom de beperking van artikel 164 lid 2 (oud) Rv, welk artikel nog op deze procedure toepasselijk is omdat de procedure voor 1 januari 2025 is aangespannen. Op grond van genoemd artikel kan [eiseres] verklaring geen bewijs in haar voordeel opleveren als er geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zulke essentiële punten betreffen, dat zij haar verklaring als partijgetuige voldoende geloofwaardig maken. 2.5. De rechtbank acht [eiseres] geslaagd in bewijsopdracht a. [eiseres] geeft een begrijpelijke en consistente verklaring voor het feit dat het geldbedrag op de rekening van de stichting is gestort (d.i.: de enige voor [eiseres] beschikbare eurorekening om de opbrengst van de verkoop van een stuk land in Suriname op te storten, terwijl het bovendien financieel voordelig leek dit bedrag op de rekening van een stichting te storten). Deze verklaring wordt door de overige gehoorde getuigen, waaronder [gedaagde] , ook niet tegengesproken. Bovendien is niet gebleken dat de (bankrekening van de) stichting voor nog een ander doel diende dan voor het stallen van het geldbedrag door [eiseres] of dat die nog door anderen wordt gebruikt. 2.6. Zoals onder 4.6 van het tussenvonnis is overwogen betekent dit dat [eiseres] (en niet de stichting) in beginsel aanspraak kan maken op (terug)betaling van het geldbedrag en zij dus ontvankelijk is in haar vorderingen. 2.7. De rechtbank komt daarmee toe aan de vraag of [eiseres] is geslaagd in bewijsopdracht b. In dit bewijs acht de rechtbank [eiseres] niet geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. 2.7.1. Tegenover elkaar staan enerzijds de lezing van [eiseres] , namelijk dat [gedaagde] haar zou helpen het geldbedrag van de bankrekening van de stichting over te maken naar de Nederlandse bankrekening van [eiseres] , omdat het 'gevaar liep'. Vervolgens heeft [gedaagde] het geldbedrag naar zijn eigen zakelijke rekening overgemaakt en beloofd dit aan [eiseres] door te betalen. Deze betaling heeft nooit plaatsgevonden. De lezing van [gedaagde] anderzijds is dat [eiseres] hem dit geldbedrag heeft terugbetaald voor de kosten (hypotheekgelden, kosten aanschaf auto, auto-onderhoud, gezamenlijke vakanties en meer), die [gedaagde] voor [eiseres] had voldaan. 2.7.2. De rechtbank kan niet vaststellen of de lezing van [eiseres] of die van [gedaagde] de juiste is. De bewijslast van de afspraken omtrent het geldbedrag rust, als overwogen, op [eiseres] . Dat betekent dat haar lezing bewezen dient te worden. Alleen [eiseres] verklaart omtrent de gang van zaken uit eigen waarneming. De overige door [eiseres] gehoorde getuigen bevestigen weliswaar haar lezing, maar geven alle aan dat zij dit weten omdat zij het van [eiseres] hebben gehoord. Geen van deze getuigen is echter aanwezig geweest bij de gesprekken waarin [eiseres] en [gedaagde] afspraken hebben gemaakt over de overmaking van het geldbedrag. 2.7.3. Dan is er ook nog de geluidsopname van een gesprek dat [naam 1] en [naam 2] later met [gedaagde] hebben gevoerd toen laatstgenoemde bezig was met een verhuizing. Naar het oordeel van de rechtbank bevat die geluidsopname geen eenduidige erkenning van [gedaagde] dat hij het geldbedrag diende terug te betalen. Bovendien moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder [gedaagde] zijn uitlatingen deed: hij werd onverwacht geconfronteerd met zijn minnares en een vriend van [eiseres] , dit in aanwezigheid van zijn vrouw en terwijl hij aan het verhuizen was. Voor de hand ligt dat [gedaagde] voornamelijk bezig is geweest zo snel mogelijk en op welke wijze dan ook een einde aan het gesprek te maken. 2.7.4. Er zijn dus geen aanvullende bewijzen voorhanden die zodanig sterk zijn en zulke essentiële punten betreffen, dat zij de verklaring van [eiseres] als partijgetuige voldoende geloofwaardig maken. 2.8. De rechtbank merkt op dat daarmee niet gezegd is dat de lezing van [gedaagde] de juiste is. De rechtbank acht deze lezing niet geheel logisch en consistent, gelet op de in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie en de verschillende (elkaar tegensprekende) facturen, waarvoor [gedaagde] geen begrijpelijke verklaring heeft kunnen geven. Maar, als gezegd, de bewijslast – en daarmee het bewijsrisico – rust niet op [gedaagde] . 2.9. Nu de feitelijke grondslag waarop [eiseres] haar vordering tot terugbetaling baseert niet is komen vast te staan, komt die vordering niet voor toewijzing in aanmerking. 2.10. [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 87,00 - salaris advocaat € 2.926,00 (3,5 punten × € 836,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.202,00 3 De beslissing De rechtbank 3.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af, 3.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 3.202,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. [2111/2537]