Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-11
ECLI:NL:RBROT:2026:2495
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,073 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2495 text/xml public 2026-04-01T09:35:04 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-11 C/10/689515 / HA ZA 24-1017 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2495 text/html public 2026-04-01T09:34:26 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2495 Rechtbank Rotterdam , 11-03-2026 / C/10/689515 / HA ZA 24-1017 Verdeling van gemeenschap huwelijkse goederen. Onderlinge draagplicht schulden. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/689515 / HA ZA 24-1017 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van [naam man] , wonende te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verweerder in reconventie, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. S. Kandemir, tegen [naam vrouw] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. T. Erdal. 1 De kern van het geschil Partijen zijn gescheiden. Zij hebben een schuld aan de kinderopvang. De man vindt dat de vrouw deze volledig moet betalen. De vrouw vordert van de man een vergoeding voor de in de woning achtergelaten inboedel, afgifte van persoonlijke goederen en van het bruiloftsgoud, en dat de man moet bijdragen aan haar schuld bij het UWV. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat de man de helft van de schuld aan het UWV zal dragen. De rechtbank oordeelt dat partijen in hun onderlinge verhouding bij helfte draagplichtig zijn voor de schuld aan de kinderopvang en dat de man aan de vrouw een vergoeding ad € 1.750,- moet betalen voor de inboedel die bij de man is en aan hem wordt toegedeeld. De door de vrouw gevorderde afgifte van persoonlijke goederen en het bruiloftsgoud wordt afgewezen. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 6 november 2024, met producties 1 tot en met 7; de conclusie van antwoord in conventie tevens vordering in reconventie van 19 februari 2025, met producties 1 tot en met 7; de brieven van de rechtbank van 3 maart 2025, waarin mondelinge behandeling is bepaald op 6 mei 2025; het B2-formulier van de man van 6 mei 2025, dat mr. Kandemir zich heeft onttrokken; het bericht van de rechtbank van 6 mei 2025, dat de mondelinge behandeling van die dag geen doorgang vindt; de herhaalde advocaatstelling van mr. Kandemir als advocaat van de man van 4 juni 2025; de brieven van de rechtbank van 20 juni 2025, waarin is mondelinge behandeling is bepaald op 31 oktober 2025; de conclusie van antwoord in reconventie van 17 oktober 2025 (tegen roldatum 31 oktober 2025), met vier producties wederom genummerd 1 tot en met 4, feitelijk 8 tot en met 11. - de mondelinge behandeling van 31 oktober 2025; - de tijdens de mondelinge behandeling door de vrouw overgelegde brieven van het UWV. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. Partijen zijn op 23 december 2012 met elkaar getrouwd in Turkije. Zij hebben tot februari 2017 in Turkije samengewoond. In februari 2017 is de vrouw naar Nederland gegaan en in augustus 2017 de man. Zij woonden nadien aanvankelijk in bij de ouders van de vrouw, en nadat zij een huurwoning kregen toegewezen woonden zij samen in de hen toegewezen echtelijke (huur)woning. Vanaf begin 2018 beschikte de man over een verblijfsvergunning, waarmee hij aan de slag kon om geld te verdienen. 3.2. Ten tijde van het huwelijk had de man - en op dit moment heeft de man - alleen de Turkse nationaliteit. De vrouw had - en heeft op dit moment - zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. 3.3. Partijen hebben een zoon, geboren op [geboortedatum] 2018. 3.4. Op 12 april 2021 heeft de vrouw samen met haar zoon de echtelijke woning abrupt verlaten, onder begeleiding van de politie. 3.5. Op 30 juli 2021 heeft de vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij deze rechtbank. Bij beschikking van 10 mei 2022 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Op 16 juni 2022 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.6. De vrouw heeft bij dagvaarding van 31 juli 2022 een kort geding aanhangig gemaakt tegen de man om toegang te krijgen tot de woning zodat zij persoonlijke spullen van haarzelf en haar zoon kon ophalen. De Voorzieningenrechter heeft de vordering van de vrouw toegewezen. 3.7. Bij vonnis van deze rechtbank (kantonrechter) van 2 november 2023 zijn partijen veroordeeld om aan Stichting PIT kinderopvang & onderwijs (hierna: PIT) te betalen € 1.932,60 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2023, alsmede € 1.041,83 aan proceskosten. De hoofdsom betreft het toegewezen deel (de helft) van een vordering van PIT voor overeengekomen kinderopvang, gefactureerd over de maanden oktober 2021 tot en met februari 2022 en over de maanden mei 2022 tot en met oktober 2022. 4. Het geschil in conventie 4.1. De man vordert (verkort) om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. Primair : De vrouw te veroordelen het bedrag van € 1.932,60 met daarbij de wettelijke rente vanaf 1 juni 2023, alsmede de proceskosten van € 1.041,83, in totaal € 2.974,43 te betalen aan de man, met daarbij de wettelijke rente vanaf 1 juni 2023, althans een bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren; Subsidiair : De vrouw te veroordelen de helft van het bedrag van € 1.932,60 met daarbij de wettelijke rente vanaf 1 juni 2023, alsmede de helft van de proceskosten van € 1.041,83, in totaal € 1.487,22 te betalen aan de man, met daarbij de wettelijke rente vanaf 1 juni 2023, althans een bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren; Meer subsidiair : te bepalen dat de vrouw bij helfte draagplichtig is voor de schuld bij PIT ten bedrage van € 1.932,60 met daarbij de wettelijke rente vanaf 1 juni 2023, alsmede de proceskosten van € 1.041,83, in totaal € 2.974,43; II. de vrouw te veroordelen in de proceskosten. 4.2. De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. in reconventie 4.3. De vrouw vordert – samengevat – de rechtbank om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat de man de inboedel toebedeelt krijgt, met vergoeding van € 7.500,-, zijnde de helft van de waarde van de inboedel, aan de vrouw wegens overbedeling; II. de man te veroordelen tot afgifte van de persoonlijke goederen van de vrouw, subsidiair tot betaling van € 2.500,-, zijnde de waarde daarvan; III. te bepalen dat de man de gouden sieraden en muntstukken moet afgeven aan de vrouw, dan wel dat de man € 15.000,-, zijnde de waarde daarvan, aan de vrouw moet betalen, dan wel dat de man de helft van de waarde daarvan aan de vrouw moet betalen; IV. te bepalen dat de man bij helfte draagplichtig is voor de schuld bij het UWV ter hoogte van € 13.501,16; V. de man te veroordelen in de proceskosten. 4.4. De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. 5 De beoordeling in conventie en reconventie (Internationale) bevoegdheid en toepasselijk recht 5.1. Gelet op het internationale karakter van de zaak beoordeelt de rechtbank ambtshalve of zij internationaal bevoegd is. Voor zover de vorderingen zien op de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen, is de rechtbank Rotterdam bevoegd op grond van artikel 6 sub a Hvv en artikel 99 Rv, omdat partijen op het tijdstip van het aanbrengen van deze zaak hun gewone verblijfplaats hebben in haar werkgebied. Voor de overige vorderingen is de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 4 Brussel I-bis en artikel 99 Rv, om dezelfde reden bevoegd. 5.2. Op de huwelijksgemeenschap van partijen is Turks huwelijksvermogensrecht van toepassing (artikel 4 lid 2 sub 2 aanhef en onder b HHvv ), omdat partijen de Turkse nationaliteit gemeenschappelijk hebben en zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Turkije hadden. 5.3.
Volledig
Ten slotte is op de wijze van procederen Nederlands recht van toepassing (artikel 10:3 BW), ook wanneer Turks recht materieelrechtelijk van toepassing is. in conventie De schuld aan PIT en de onderlinge draagplicht 5.4. De primaire en subsidiaire vorderingen van de man worden afgewezen. De man lijkt zijn primaire en subsidiaire vordering in te steken als een regresvordering, waarbij de bedoeling van de man dus zou zijn dat de vrouw wordt veroordeeld aan hem de gevorderde bedragen te betalen. Dat is niet toewijsbaar, reeds omdat de man niet stelt dat hij de schuld aan PIT volledig heeft voldaan noch stelt dat hij de schuld aan PIT voor meer dan de helft heeft voldaan. Hij stelt slechts dat hij erop aflost maar stelt niet hoeveel hij heeft afgelost. Indien de man met zijn primaire vordering beoogde een verklaring voor recht te verkrijgen omtrent de volledige draagplicht van de vrouw ten aanzien van de schuld, dan wel, met zijn subsidiaire vordering, een verklaring voor recht te verkrijgen over de draagplicht van de vrouw voor de helft van de schuld, had hij zijn vordering anders moeten formuleren. Overigens zou, als dat zijn bedoeling is geweest, het onderscheid tussen de subsidiaire en meer subsidiaire vordering van de man verdwijnen. Om die reden begrijpt de rechtbank de primaire en subsidiaire vordering van de man toch als regresvordering. 5.5. Meer subsidiair vordert de man te bepalen dat de vrouw bij helfte draagplichtig is voor de schuld bij PIT ten bedrage van € 1.932,60 met daarbij de wettelijke rente vanaf 1 juni 2023, alsmede de proceskosten van € 1.041,83, in totaal € 2.974,43. Deze vordering wordt toegewezen. De vrouw heeft daartegen geen verweer gevoerd. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het navolgende. 5.6. De man stelt dat hetgeen partijen aan PIT moeten betalen ingevolge het vonnis van de kantonrechter, alleen door de vrouw moet worden gedragen. Zijn meer subsidiaire vordering sluit bij die stelling niet aan. Al hetgeen de man ter onderbouwing van de beweerde volledige draagplicht van de vrouw naar voren heeft gebracht (dat de man geen weet heeft gehad van door de vrouw afgenomen kinderopvang bij PIT, dat hij daarvan eerst op de hoogte was nadat hij de dagvaarding van PIT had ontvangen, en dat de zoon van partijen nooit naar PIT toe is gegaan), hetgeen allemaal overigens gemotiveerd door de vrouw is weersproken, kan daarom onbesproken blijven. 5.7. Volgens de vrouw heeft de kantonrechter al geoordeeld dat partijen beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn, en had de man in hoger beroep moeten gaan als hij niet mede-draagplichtig meent te zijn. Die stelling van de vrouw is onjuist. De vrouw verwart hoofdelijke aansprakelijkheid met onderlinge draagplicht. Over de onderlinge draagplicht heeft de kantonrechter niet geoordeeld. De kantonrechter heeft in zijn vonnis, in overweging 2.5, geoordeeld dat “de facturen zien op de kosten van kinderopvang. Deze kosten vallen onder de noemer kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen als bedoeld in artikel 1:84 lid 1 BW, zodat beide ouders voor deze verbintenissen aansprakelijk zijn (artikel 1:85 BW). Dat [naam vrouw] alle kinderbijslag, kindgebonden budget en kinderalimentatie heeft ontvangen, zoals [naam man] stelt, maakt het voorgaande niet anders. Immers, hoe tussen [naam man] en [naam vrouw] de schuld aan PIT moet worden gedeeld en gedragen, is tussen hen en regardeert PIT niet. ” De man heeft in zoverre belang bij zijn meer subsidiaire vordering omtrent de draagplicht. in reconventie De man krijgt de inboedel toebedeeld en moet de vrouw daarvoor € 1.750,- vergoeden 5.8. Het verweer van de man houdt in dat de inboedel feitelijk al is verdeeld tussen beide partijen omdat de vrouw al inboedelstukken onder zich heeft genomen. De vrouw zou al een diepvries en diverse andere zware en grote spullen hebben opgehaald in een aantal keer, nog voordat de vrouw het kort geding aanhangig maakte. 5.9. Volgens de vrouw heeft zij nooit de kans gehad inboedelgoederen op te halen. Zij heeft met een kort geding moeten bewerkstelligen dat zij haar persoonlijke spullen, kleding en schoenen en die van de zoon van partijen heeft kunnen ophalen. Al de dag na haar vertrek uit de woning had de man een ander slot op de deur geplaatst. 5.10. Naar het oordeel van de rechtbank ontbeert het verweer van de man logica, en heeft hij dat op zitting niet kunnen ophelderen. Het valt niet in te zien dat als de vrouw de woning heeft verlaten “ op sokken en onder politiebegeleiding ” (zoals de vrouw stelt en de man niet heeft betwist) én zij nadien een kort geding heeft moeten voeren om op een later moment nog persoonlijke spullen, kleding en schoenen op te kunnen halen, dat de vrouw die persoonlijke spullen dan niet al eerder (maar na haar vertrek) zou hebben meegenomen als zij voorafgaand aan het kort geding wel grote en zware inboedelstukken heeft kunnen meenemen uit de woning. Het verweer van de man dat de vrouw al inboedelstukken onder zich heef genomen wordt daarom verworpen. 5.11. Omdat de inboedel feitelijk bij de man is gebleven deelt de rechtbank de inboedel aan de man toe. Het betreft de stukken die zijn opgesomd door de vrouw in productie 6 van de vrouw, onder de kopjes keuken, woonkamer, slaapkamer groot en slaapkamer [naam] , maar niet de persoonlijke goederen die de vrouw opsomt en evenmin het new born fotoalbum van [naam] . 5.12. De rechtbank begroot de waarde van de inboedelstukken uit de opsomming naar redelijkheid en billijkheid op € 3.500,-. Hierbij wordt opgemerkt dat dat de geschatte waarde is die een opkoper ervoor zou geven. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan van een hogere waarde niet worden uitgegaan. De rechtbank veroordeelt de man om uit hoofde van overbedeling aan de vrouw € 1.750,- te vergoeden. De gevorderde afgifte van persoonlijke goederen wordt afgewezen 5.13. De vrouw vordert de man te veroordelen tot afgifte van haar persoonlijke goederen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw hiermee doelt op de in randnummer 29 van de conclusie van antwoord in conventie tevens vordering in reconventie opgesomde goederen, te weten: fotoalbums van [naam] , de bestuurbare auto van [naam] , gouden sieraden en een parelketting, en haar tassen. 5.14. De man betwist dat hij nog over de genoemde persoonlijke goederen beschikt, behalve waar het gaat om de auto van hun zoon. 5.15. Over de auto is de rechtbank van oordeel dat het niet om een persoonlijk goed van de vrouw gaat, maar om een cadeau aan hun zoon. Beide ouders kunnen er waarde aan hechten om dat voor hun zoon te bewaren (hij zal er inmiddels uitgegroeid zijn). Daarom valt niet in te zien waarom de man de auto aan de vrouw zou moeten afgeven, tenzij de man de auto (op enig moment) niet meer wil bewaren. 5.16. De vrouw heeft haar stelling dat de man de verdere persoonlijke spullen nog heeft, onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd na de betwisting door de man. De vrouw is namelijk in de gelegenheid geweest om haar persoonlijke spullen op te halen in de woning, maar heeft geen bewijsstuk van wat ze toen wel en niet heeft meegenomen. De vrouw heeft ook geen bewijsaanbod gedaan dat hierop ziet. Zodoende is niet vast komen te staan dat de man nog beschikt over de fotoalbums van [naam] , de gouden sieraden en de parelketting, en de tassen van de vrouw. 5.17. De rechtbank wijst daarom de vordering tot afgifte van de persoonlijke goederen af, evenals de subsidiaire vordering tot betaling aan haar van € 2.500,- voor die goederen. De gevorderde afgifte van het bruiloftsgoud wordt afgewezen 5.18. Volgens de vrouw zijn de gouden sieraden en muntstukken die zij tijdens de bruiloft van partijen in Turkije geschonken heeft gekregen in de kluis in het huis in Turkije gelegd. Dat huis is in eigendom van de vader van de man. Het goud zou daar zijn achtergebleven toen partijen naar Nederland verhuisden. 5.19. Volgens de man heeft de vrouw nog in de huwelijksnacht het bruiloftsgoud aan haar ouders afgegeven en heeft hij het nooit meer teruggezien. 5.20. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat zij niet kan bewijzen dat het goud in het bezit van de man is, noch wat de waarde ervan is. 5.21.