Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-01-29
ECLI:NL:RBROT:2026:2466
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,052 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:2466 text/xml public 2026-03-31T10:35:48 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-01-29 11567552 CV EXPL 25-872 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2466 text/html public 2026-03-31T10:34:52 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:2466 Rechtbank Rotterdam , 29-01-2026 / 11567552 CV EXPL 25-872 Aanneming van werk, auto, verborgen schade, meerwerk RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 11567552 CV EXPL 25-872 datum uitspraak: 29 januari 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van de besloten vennootschap [naam 1] AUTOSCHADE B.V. , gevestigd te Hendrik Ido Ambacht, eiser, gemachtigde: [naam 2] tegen de besloten vennootschap INLAND MARINE SUPPLIES B.V. , gevestigd te Zwijndrecht, gedaagde. De partijen worden hierna ‘ [naam 1] ’ en ‘IMS’ genoemd. 1 De procedure 1.1 Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 24 februari 2025, met bijlagen; de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, met bijlagen; de conclusie van antwoord in reconventie, met bijlagen. 1.2 Op 5 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [naam 3] , namens [naam 1] , bijgestaan door mr. H. Schoone, en [naam 4] , namens IMS. 2 De feiten 2.1 Op 2 februari 2024 is een Mercedes-Benz V-Klasse (verder: de auto) van IMS betrokken geweest bij een verkeersongeluk. De auto werd op dat moment bestuurd door de heer [naam 5] van IMS en heeft daarbij schade opgelopen. 2.2 Op 5 februari 2024 is de auto bij [naam 1] aangeboden om te laten herstellen. Het assurantiekantoor van IMS heeft een schade-expert ingeschakeld die de schade aan de auto op zichtbare basis heeft beoordeeld. De schade-expert heeft een maximum schadebedrag van € 27.528,86 vastgesteld waarvoor [naam 1] de herstelwerkzaamheden mocht verrichten. 2.3 [naam 1] heeft bij de reparatie van de auto naast zichtbare schade ook niet-zichtbare, verborgen schade ontdekt. 2.4 Op 29 maart 2024 heeft [naam 1] een factuur voor een bedrag van € 27.528,86 (verder: factuur 1) aan IMS gestuurd, met daarop het verzoek de factuur binnen 30 dagen na factuurdatum te betalen. Deze factuur zag op de reparatie van de zichtbare schade aan de auto. 2.5 Nadat [naam 1] aan IMS had laten weten dat de auto hersteld was, heeft IMS de auto op 17 mei 2024 opgehaald. 2.6 Op 8 juni 2024 heeft [naam 1] een factuur voor een bedrag van € 2.564,10 (verder: factuur 2) aan IMS gestuurd, met daarop het verzoek de factuur binnen 14 dagen na factuurdatum te betalen. Deze factuur zag op reparatie van de verborgen schade aan de auto. 2.7 De verzekeraar van IMS heeft geen dekking verleend voor de kosten van het herstel van de auto. Partijen hebben vervolgens meerdere keren contact met elkaar gehad over de betaling van de facturen. Op 2 augustus 2024 heeft IMS een bedrag van € 5.000,00 betaald aan [naam 1] . 2.8 IMS heeft de auto in januari 2025 bij Mercedes-Benz dealer en garage Van Mossel Vans and Trucks (verder: Van Mossel) gebracht om reparaties te laten uitvoeren. IMS heeft hiervoor kosten gemaakt van in ieder geval € 7.047,34. 2.9 IMS heeft in een brief van 27 maart 2025 medegedeeld dat zij de overeenkomst met [naam 1] (gedeeltelijk) ontbindt. 3 Het geschil in conventie 3.1 [naam 1] vordert na eisvermindering ter zitting dat de kantonrechter IMS, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling aan [naam 1] van: een bedrag van € 24.995,00 te verminderen met een bedrag van € 300,00 exclusief BTW; het restant te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening; en de proceskosten. 3.2 [naam 1] legt aan haar vordering nakoming van een overeengekomen betalingsverbintenis ten grondslag. IMS is op grond van de tussen partijen overeengekomen overeenkomst tot het repareren van de auto van IMS een bedrag van (€ 27.528,86 + € 2.564,10 - € 5.000,00 - € 363,00 =) € 24.729,96 verschuldigd. Daarnaast zijn de verschenen rente tot datum dagvaarding ad € 1.839,74 en buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.225,16 verschuldigd. Om proceseconomische redenen heeft [naam 1] haar vordering gematigd tot € 24.995,00. 3.3 De conclusie van IMS strekt tot afwijzing van de vorderingen van [naam 1] . IMS betwist primair dat er sprake is van een overeenkomst tussen [naam 1] en IMS. Subsidiair betwist IMS dat zij factuur 2 verschuldigd is omdat zij geen opdracht heeft gegeven voor de werkzaamheden waarop de factuur ziet. IMS voert verder als verweer dat de overeenkomst is ontbonden omdat de auto niet volledig en/of goed is gerepareerd en gebreken vertoonde. in reconventie 3.4 IMS vordert dat de kantonrechter [naam 1] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling aan IMS van: een bedrag van € 7.047,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen dan wel vanaf de dag van de conclusie van antwoord tot aan de dag van algehele voldoening; en de proceskosten inclusief de nakosten. IMS vordert verder een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen IMS en [naam 1] , voor zover deze bestaat, gedeeltelijk is ontbonden. 3.5 IMS legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [naam 1] is tekortgeschoten in haar verbintenis om de auto deugdelijk te repareren, ook na ingebrekestelling. Hierdoor heeft IMS de overeenkomst die ziet op de werkzaamheden van factuur 2 mogen ontbinden. IMS vordert daarnaast de schade die zij heeft geleden, zijnde de kosten die zij aan Van Mossel heeft moeten betalen voor het herstel van de gebreken aan de auto. 3.6 De conclusie van [naam 1] strekt tot afwijzing van de vorderingen. [naam 1] betwist dat zij de herstelwerkzaamheden ondeugdelijk heeft uitgevoerd en zij betwist dat zij in verzuim verkeert. [naam 1] voert als verweer dat IMS niet tijdig heeft geklaagd. 4 De beoordeling in conventie Overeenkomst tussen [naam 1] en IMS? 4.1 Op grond van artikel 6:217 lid 1 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en aanvaarding daarvan. Voor de beantwoording van de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, is niet uitsluitend bepalend wat zij uitdrukkelijk hebben verklaard, maar komt het aan op wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mochten afleiden . 4.2 IMS heeft ter zitting aangegeven dat zij opdracht heeft gegeven voor het verrichten van de herstelwerkzaamheden waarop factuur 1 ziet en tevens erkend dat factuur 1 door haar betaald moet worden. De overeenkomst tussen partijen ten aanzien van de werkzaamheden waarop factuur 1 ziet, wordt dus niet betwist en de hoofdsom die hierop ziet is in beginsel dan ook toewijsbaar aangezien [naam 1] hiervoor voldoende heeft gesteld. 4.3 Ten aanzien van de werkzaamheden waarop factuur 2 ziet, heeft [naam 1] gesteld dat zij voorafgaand aan en tijdens het herstel met IMS heeft besproken dat bij schade van deze aard ook verborgen schade aan het licht kon komen. Omdat overschrijding van het door de schade-expert begrote bedrag zou leiden tot een total-loss verklaring, hetgeen IMS wilde voorkomen, zou het herstel van eventueel onzichtbare schade sowieso voor eigen rekening van IMS komen. Volgens [naam 1] heeft IMS daarmee ingestemd en opdracht gegeven tot volledig herstel van de auto, waarbij de kosten die het door de schade-expert vastgestelde bedrag zouden overstijgen voor rekening van IMS zouden komen. Ter motivering draagt [naam 1] onder andere aan dat IMS en zij ook na ontvangst van factuur 2 meermaals contact hadden, maar dat IMS tijdens die momenten van contact niet vroeg waarom de kosten van factuur 2 gemaakt waren. 4.4 IMS heeft betwist dat zij opdracht heeft gegeven voor de werkzaamheden waarop factuur 2 ziet. Deze betwisting is echter niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Ter zitting heeft [naam 4] verklaard dat zij niet wist of IMS zou hebben toegezegd de kosten boven het door de schade-expert begrote bedrag te betalen en dat IMS “erover wilde praten”. [naam 4] was zelf niet betrokken bij de totstandkoming van de afspraken en kon hierover geen concrete verklaringen afleggen.
Volledig
4.5 Gelet op de gemotiveerde stellingen van [naam 1] en het ontbreken van een voldoende concrete en onderbouwde betwisting door IMS is de kantonrechter van oordeel dat IMS haar betwisting onvoldoende heeft onderbouwd. Uit correspondentie tussen [naam 1] en IMS blijkt nergens dat IMS dit standpunt innam; het was de gemachtigde van IMS die dit als eerste aangaf. Het had op de weg van IMS gelegen om, als zij de gestelde instemming met volledig herstel betwistte, deze betwisting te onderbouwen met duidelijke en concrete verklaringen over wat wel en niet is afgesproken, bijvoorbeeld door IMS te laten vertegenwoordigen door iemand die uit eigen hand hierover kon verklaren of door die informatie mee te geven aan [naam 4] . Dat heeft IMS nagelaten. Dat tussen partijen ook ten aanzien van de werkzaamheden waarop factuur 2 ziet een overeenkomst tot stand is gekomen is onderbouwd gesteld door [naam 1] maar onvoldoende gemotiveerd betwist door IMS en komt daarom vast te staan. 4.6 Partijen hebben ten aanzien van de werkzaamheden waarop factuur 2 ziet geen vast bedrag afgesproken waarvoor deze werkzaamheden verricht zouden worden. In dat geval geldt op grond van de wet dat de opdrachtgever een redelijke prijs verschuldigd is. 4.7 [naam 1] heeft het bedrag van factuur 2 onderbouwd met een specificatie van de verrichte werkzaamheden en de daarvoor in rekening gebrachte kosten. IMS heeft de redelijkheid van de prijs niet betwist. Onder deze omstandigheden gaat de kantonrechter ervan uit dat het bedrag van factuur 2 een redelijke prijs is voor de verrichte werkzaamheden. Dit betekent dat IMS dit bedrag moet betalen en dat ook de vordering van [naam 1] tot betaling van factuur 2 daarom in beginsel toewijsbaar is. Klachtplicht in verband met het beroep op gedeeltelijke ontbinding 4.8 IMS heeft zich in deze procedure beroepen op gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst vanwege gestelde gebreken aan de door [naam 1] herstelde auto van IMS. Ter zitting heeft IMS verduidelijkt dat de ontbinding alleen ziet op de overeenkomst ten aanzien van de werkzaamheden van factuur 2. Een dergelijk beroep veronderstelt dat IMS zich nog kan beroepen op een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [naam 1] . 4.9 Op grond van artikel 6:89 BW verliest een schuldeiser zijn rechten indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij een gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, daarover heeft geklaagd bij de schuldenaar. Indien niet tijdig is geklaagd, kan de schuldeiser geen beroep meer doen op de gestelde tekortkoming, zodat ook een beroep op ontbinding niet kan slagen. De kantonrechter zal daarom eerst beoordelen of IMS heeft voldaan aan de op haar rustende klachtplicht. Pas als dat het geval is, komt de kantonrechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep op gedeeltelijke ontbinding. Heeft IMS voldaan aan de klachtplicht? 4.10 Bij de beoordeling van de vraag of IMS tijdig heeft geklaagd, is van belang dat op [naam 1] de stelplicht en bewijslast rust van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat IMS niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd nadat zij de gebreken heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken. Daartegenover rust op IMS de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat en wanneer zij heeft geklaagd. 4.11 De auto is op 17 mei 2024 door [naam 1] aan IMS opgeleverd. IMS heeft ter zitting aangegeven dat zij kort na oplevering gebreken opmerkte. Het betrof volgens IMS: een schuifdeur die niet naar behoren werkte, een linker koplamp die niet goed werkte, veiligheidsgordels die niet naar behoren werkten, het gebruik van een inferieure voorruitcamera, niet opgeruimde glasresten en een scheef hangende bumper. De kantonrechter zal deze gebreken aanduiden als ‘de eerste gebreken’. [naam 1] heeft gesteld dat IMS hierover niet concreet heeft geklaagd. IMS heeft aangegeven niet te weten wanneer zij heeft geklaagd, maar dat het in ieder geval een langere tijd heeft geduurd vanwege grote drukte aan haar kant, waardoor zij er geen melding van kon maken of over kon klagen. Eerst bij brief van 14 november 2024 heeft IMS concreet geklaagd bij [naam 1] over deze eerste gebreken. 4.12 Alleen ten aanzien van de linker koplamp heeft [naam 1] aangegeven dat hierover, voordat de brief van 14 november 2024 werd gestuurd, door IMS is geklaagd. [naam 1] heeft ter zitting haar eis verminderd ten aanzien van de kosten voor dit onderdeel zijnde € 300,00 exclusief BTW. De kantonrechter gaat ervan uit dat het om een bedrag van € 363,00 inclusief BTW gaat. De gevorderde hoofdsom bedraagt na eisvermindering derhalve (€ 24.995,00 inclusief BTW - € 363,00 inclusief BTW =) € 24.632,00 inclusief BTW. 4.13 Nu vaststaat dat IMS de eerste gebreken kort na oplevering heeft opgemerkt en IMS verder niet heeft onderbouwd dat en zo ja, wanneer zij over de overige van de eerste gebreken heeft geklaagd, eerder dan 14 november 2024, is de kantonrechter van oordeel dat IMS, door zes maanden te wachten met concreet klagen over de eerste gebreken, niet tijdig heeft geklaagd en ten aanzien hiervan dus niet heeft voldaan aan haar klachtplicht. 4.14 Omdat de auto in januari 2025 een storing vertoonde, heeft IMS de auto gebracht bij Van Mossel voor reparatie. Daarbij zijn volgens IMS aanvullende gebreken aan het licht gekomen: een doorgebrande pyrozekering, een dynamo die niet meer oplaadde, een vastzittende krukaspoelie en olievervuiling door een gebroken olieretourleiding. Deze gebreken zullen worden aangeduid als ‘de latere gebreken’. IMS heeft over deze gebreken niet geklaagd bij [naam 1] en haar ook niet in de gelegenheid gesteld ze te herstellen, omdat IMS naar eigen zeggen geen vertrouwen meer had in [naam 1] . Omdat IMS ten aanzien van de latere gebreken überhaupt niet heeft geklaagd, heeft IMS ook ten aanzien van deze gebreken niet voldaan aan de klachtplicht. 4.15 Nu de kantonrechter heeft geoordeeld dat IMS niet heeft voldaan aan de klachtplicht, kan zij zich niet meer beroepen op de door haar gestelde gebreken. Dat betekent dat deze gebreken niet meer aan [naam 1] kunnen worden tegengeworpen en dus ook niet de grondslag van gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst kunnen zijn. Geen grond voor gedeeltelijke ontbinding; IMS moet [naam 1] betalen 4.16 Omdat het beroep van IMS op gedeeltelijke ontbinding faalt, blijft de overeenkomst onverkort in stand. Dit brengt mee dat IMS de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen moet nakomen. Nu [naam 1] haar vordering heeft beperkt tot een bedrag van € 24.632,00 en het totaal verschuldigde bedrag aan openstaande facturen hoger is, zal de vordering worden toegewezen. Wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten 4.17 [naam 1] heeft naast betaling van de hoofdsom wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Vast staat dat de oorspronkelijke, volledige vordering van [naam 1] de voor kantonzaken geldende bevoegdheidsgrens overschreed. [naam 1] heeft haar vordering daarom beperkt tot een bedrag van € 24.995,00, waarop zij vervolgens een eisvermindering van € 363,00 heeft toegepast. De vordering bedraagt daarmee € 24.632,00. 4.18 Nu de kantonrechter de vordering van [naam 1] tot betaling van beide facturen tot dit bedrag toewijsbaar acht, kan in het midden blijven of en in hoeverre IMS daarnaast verschenen wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. Toewijzing daarvan zou ertoe leiden dat de door [naam 1] zelf gestelde begrenzing van haar vordering wordt overschreden. Wel zal de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding worden toegewezen omdat IMS toen in verzuim verkeerde. in reconventie Geen verklaring voor recht 4.19 IMS heeft een verklaring voor recht gevorderd dat de overeenkomst tussen [naam 1] en IMS gedeeltelijk is ontbonden. Nu de kantonrechter heeft geoordeeld dat IMS geen beroep op gedeeltelijke ontbinding toekomt, bestaat er geen grond voor toewijzing van deze vordering. De vordering zal daarom worden afgewezen.