Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-14
ECLI:NL:RBROT:2026:215
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/10158 uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2026 in de zaak tussen [verzoeker], verzoeker (gemachtigde: mr. L.A. Fischer), en het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (gemachtigden: mr. R. Yahya en mr. C.J. Dekker). Samenvatting Het college heeft met het bestreden besluit de aanvraag van verzoeker om toelating tot de opvang voor ontheemde Oekraïners afgewezen. Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Uit de toepasselijke wet- en regelgeving volgt dat het college niet de gehele toegang tot opvang aan verzoeker mag onthouden. Verzoeker dient als ontheemde Oekraïner in de minimale basisvoorzieningen te worden voorzien, zoals een fatsoenlijk onderkomen of middelen om huisvesting te vinden. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat het college vanaf twee weken na bekendmaking van deze uitspraak voorziet in opvang. Daarnaast bepaalt de voorzieningenrechter dat het college een dwangsom verbeurt indien zij niet binnen de termijn van twee weken voldoet aan de getroffen voorlopige voorziening. Procesverloop 1.1. Met het bestreden besluit van 9 december 2025 heeft het college de aanvraag van verzoeker om toelating tot de opvanglocatie Mrija voor ontheemde Oekraïners in Vlaardingen afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college, vergezeld van J.C. Gerritse. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten. 2. Na de zitting, op 8 januari 2026, heeft de gemachtigde van verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om met toepassing van artikel 8:84, vijfde lid, in verbinding met artikel 8:72, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan het college een dwangsom op te leggen ter nakoming van de uitspraak. 2.1. De voorzieningenrechter heeft hierop het onderzoek in deze zaak op 9 januari 2026 heropend en het college verzocht om uiterlijk 12 januari 2026 op het verzoek om oplegging van een dwangsom te reageren. Het college heeft op 12 januari 2026 gereageerd en daarbij aangegeven zich tegen het opleggen van een dwangsom te verzetten. 2.2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb zonder nadere zitting uitspraak, omdat zij over voldoende informatie beschikt om uitspraak te doen en partijen door het achterwege laten van een nadere zitting niet in hun belangen worden geschaad. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wat is er gebeurd? 3. Verzoeker heeft zich eerder bij de opvanglocatie Mrija in Vlaardingen gemeld op 2 oktober 2025. Daarbij is hem mondeling de toegang tot de locatie ontzegd. Met de brief van 28 oktober 2025 heeft het college de weigering schriftelijk aan verzoeker bevestigd. Verzoeker heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 3.1. Met de uitspraak van 18 november 2025 (ROT 25/8666) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het college de melding van 2 oktober 2025 had moeten opvatten als een aanvraag en het college opgedragen de als aanvraag op te vatten melding alsnog inhoudelijk in behandeling te nemen. De voorzieningenrechter heeft daarbij ook bepaald dat verzoeker, omdat hij langer dan 28 dagen buiten de opvang is geweest en is uitgeschreven uit de basisregistratie personen, opnieuw het registratie- en plaatsingsproces zal moeten doorlopen en zich Valt verzoeker onder de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne (TwooO)? 8. Niet in geschil is dat verzoeker tijdelijke bescherming geniet als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom een ‘ontheemde’ is als bedoeld in artikel 1 van de TwooO (definitiebepaling). Is op verzoeker een uitsluitingsgrond van toepassing (artikel 4 van de RooO)? 9. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de RooO kan het college een ontheemde uitsluiten van de opvang indien: a. de ontheemde rechtens van zijn vrijheid is ontnomen; b. door de Minister belast met de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 is geoordeeld dat betrokkene tijdelijke bescherming wordt geweigerd vanwege het bepaalde in artikel 28 van de Richtlijn ; c. de ontheemde tevens de Nederlandse nationaliteit bezit. 9.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen van deze uitsluitingsgronden zich hier voordoet. Zoals eerder geoordeeld in de uitspraak van 18 november 2025 , is de uitsluitingsgrond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de RooO op verzoeker niet langer van toepassing, omdat zijn voorlopige hechtenis met ingang van 1 oktober 2025 is geschorst. De voorzieningenrechter volgt het college daarbij niet in het standpunt dat deze uitsluitingsgrond ook na heenzending uit detentie van toepassing blijft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het niet zo zijn dat een ontheemde blijvend wordt tegengeworpen dat hem/haar rechtens de vrijheid is ontnomen, ook nadat - zoals in dit geval - de voorlopige hechtenis is geschorst. Verder is de uitsluitingsgrond onder b. hier niet aan de orde. Niet gebleken is dat de minister van Asiel en Migratie verzoeker tijdelijke bescherming heeft geweigerd. Tot slot doet ook de uitsluitingsgrond onder c. zich hier niet voor, omdat verzoeker enkel de Oekraïense nationaliteit bezit. Mocht het college alle verstrekkingen beperken of intrekken (artikelen 6 en 7 van de RooO)? 10. Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de RooO kan het college de verstrekkingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de RooO beperken of intrekken indien de ontheemde ernstig inbreuk maakt op de verplichtingen, zoals neergelegd in het huishoudelijk reglement als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de RooO. 10.1. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker door het plegen van een ernstig economisch misdrijf heeft gehandeld in strijd met het huishoudelijk reglement. Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de RooO mag het college de verstrekkingen, waaronder onderdak in een opvangvoorziening, beëindigen indien een betrokkene zich niet houdt aan het huishoudelijk reglement of ernstig geweld pleegt tegen medebewoners. Dit wordt door verzoeker ook niet ontkend. Het is evenwel de vraag of de bevoegdheid van het college om hiertegen op te treden zo ver gaat dat het college verzoeker de gehele toegang tot opvang mag onthouden, zonder in enig alternatief te voorzien. 10.2. Uit de toelichting op artikel 7 van de RooO volgt dat dit artikel bedoeld is om het mogelijk te maken de verstrekkingen zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de RooO te beperken of beëindigen wegens onder meer geweld, maar dat de ontheemde daarbij altijd in de basisvoorzieningen moet worden voorzien. Die basisvoorzieningen betreffen onder meer een fatsoenlijk onderkomen of middelen om huisvesting te vinden. Dit uitgangspunt volgt ook uit het door de minister van Justitie en Veiligheid opgestelde ‘Handelingsperspectief aanpak overlast door vluchtelingen uit Oekraïne in gemeentelijke opvang’ en het daarvan onderdeel uitmakende ‘Maatregelenpakket bij overlast voortkomend uit onaangepast en ongeoorloofd gedrag in gemeentelijke opvang’ (maatregelenpakket). Hierin wordt expliciet overwogen dat ook een overlastgevende ontheemde uit Oekraïne recht op een bepaalde mate van opvang behoudt. Dat recht eindigt pas in de gevallen genoemd in artikel 4 van de RooO, welke gevallen, zoals hiervoor is overwogen, in verz