Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-01-30
ECLI:NL:RBROT:2026:1359
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,046 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:1359 text/xml public 2026-02-12T15:22:58 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-01-30 ROT 24/8989 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1359 text/html public 2026-02-12T15:19:43 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:1359 Rechtbank Rotterdam , 30-01-2026 / ROT 24/8989 Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat per 1 juni 2022 het beleid wordt gehanteerd dat er niet per dier, maar per vervoersbeweging een boete wordt opgelegd. Volgens dit interne beleid wordt het standaardbedrag verdubbeld op grond van artikel 2.3 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren wanneer sprake is van drie of meer niet-transportwaardige dieren per vervoersbeweging, om recht te doen aan de ernst van de overtreding en het dierenwelzijn. Dat is in deze zaak aan de orde. In dit geval heeft de overtreding namelijk niet bij slechts één rund (waar het standaardboetebedrag op is gebaseerd) tot (een risico op) aantasting van haar welzijn geleid, maar bij drie runderen. De risico's en/of gevolgen van de overtreding - namelijk dat eiseres er niet voor heeft gezorgd dat zij alleen dieren laat vervoeren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport - zijn in dit geval dus ernstig, althans ernstiger dan wanneer eiseres slechts één niet-transportwaardig dier had laten vervoeren. Nu in dit geval sprake is van drie niet-transportwaardige dieren tijdens het bewuste transport waarbij bovendien één rund 100% drachtig was en het bij alledrie de runderen een vervoer over een lange afstand (van meer dan 100 kilometer) betrof, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat in dit geval sprake is van een ernstige situatie en vindt de rechtbank de boete van € 3.000,- passend en geboden. Beroep ongegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/8989 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres (gemachtigde: [persoon A] ), en [verweerder] , voorheen de [voormalige naam verweerder] , verweerder, (gemachtigde: mr. F. Peters van Nijenhof. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 19 augustus 2024 (het bestreden besluit) waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het boetebesluit van 26 april 2024 ongegrond heeft verklaard. Bij het boetebesluit heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 3.000,- vanwege overtreding van bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften. 1.1. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit 2. Op 25 oktober 2023 heeft een toezichthouder van de NVWA een rapport van bevindingen opgesteld naar aanleiding van een analyse over het vervoer van runderen met een draagtijd van 90% of meer, over een afstand van 50 kilometer of meer. Op basis daarvan heeft verweerder aan eiseres de boete opgelegd en deze bij het bestreden besluit gehandhaafd. 2.1. In het rapport heeft de toezichthouder, voor zover hier van belang, het volgende beschreven: “Bevindingen Op 4 september 2023 ontving ik, toezichthouder [persoon B] , een overzicht van drie runderen waarvan middels een selectie uit het Identificatie en Registratie systeem (I&R systeem) was vastgesteld dat de runderen in de laatste 10% van de dracht ter vervoer was afgestaan naar een ander bedrijf. Ik, toezichthouder [persoon B] , zag in dit overzicht dat: Het een rund betrof met levensnummer NL [nummer X] ; • dit rund op 11 juli 2023 was afgevoerd naar een bedrijf in [plaats 2] ; • dit rund was afgevoerd van het bedrijf met UBN [nummer Y] , welke toebehoort aan [eiseres] ; • de afstand tussen de bedrijven 215 kilometer was; • dit rund op 25 juli 2023 heeft gekalfd; • dit rund op 04 oktober 2022 is geïnsemineerd; • er tussen de afvoerdatum en het moment van afkalven 14 dagen zaten; • het rund op de dag van afvoer 280 dagen drachtig was, wat overeenkomt met een dracht van 100% (de gemiddelde draagtijd van runderen is 280 dagen). Het een rund betrof met levensnummer NL [nummer Z] ; • dit rund op 11 juli 2023 was afgevoerd naar een bedrijf in [plaats 3] ; • dit rund was afgevoerd van het bedrijf met UBN [nummer Y] , welke toebehoort aan [eiseres] ; • de afstand tussen de bedrijven 225 kilometer was; • dit rund op 30 juli 2023 heeft gekalfd; • dit rund op 26 oktober 2022 is geïnsemineerd; • er tussen de afvoerdatum en het moment van afkalven 19 dagen zaten; • het rund op de dag van afvoer 258 dagen drachtig was, wat overeenkomt met een dracht van 92,14% (de gemiddelde draagtijd van runderen is 280 dagen). Het een rund betrof met levensnummer NL [nummer A] ; • dit rund op 11 juli 2023 was afgevoerd naar een bedrijf in [plaats 3] ; • dit rund is afgevoerd van het bedrijf met UBN [nummer Y] , welke toebehoort aan [eiseres] ; • de afstand tussen deze bedrijven is 225 kilometer; • dit rund op 24 juli 2023 heeft gekalfd; • dit rund op 07 oktober 2022 is geïnsemineerd; • er tussen de afvoerdatum en het moment van afkalven 13 dagen zaten; • het rund op de dag van afvoer 277 dagen drachtig was, wat overeenkomt met een dracht van 98,93% (de gemiddelde draagtijd van runderen is 280 dagen).” 3. Op grond van het rapport van bevindingen van 25 oktober 2023 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “De houder op de plaats van vertrek liet op 11 juli 2023 drie runderen vervoeren die niet geschikt waren voor het voorgenomen transport, omdat het drachtige dieren betrof, waarvan de draagtijd reeds voor 90% of meer gevorderd was.” Volgens verweerder heeft eiser daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, en gelezen in samenhang met artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 8, eerste lid, en Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en 2, onder c, van de Transportverordening . Verweerder heeft eiser daarvoor een boete opgelegd van € 3.000,-. Omdat eiseres drie niet transportwaardige dieren heeft vervoerd, zijn de gevolgen voor het dierenwelzijn volgens verweerder zodanig ernstig dat verweerder de boete op grond van artikel 2.3, aanhef en onderdeel b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren heeft verdubbeld (van € 1.500,- naar € 3.000,-). Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser het beboetbare feit heeft gepleegd en of verweerder daarvoor terecht een boete heeft gegeven. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. 6. Eiseres bestrijdt niet dat zij de vermeende overtreding heeft begaan. Eiseres betoogt dat verweerder de boete ten onrechte heeft verdubbeld. De toelichting op artikel 2.3, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren rechtvaardigt de verdubbeling van de boete niet. Volgens eiseres gaat het niet om een artikel dat leidt tot verdubbeling op grond van kwantitatieve motieven, maar op grond van kwalitatieve motieven. De ernst van de gevolgen of de risico’s zien op een beoordeling van de overtreding, en niet op het aantal dieren zoals in deze situatie wel is gebeurd, aldus eiseres. 6.1. Nu verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de haar verweten overtreding heeft begaan, was verweerder bevoegd daarvoor een boete op te leggen. In de bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 1.500,-. Omdat de risico’s of de gevolgen van de overtreding voor het dierenwelzijn volgens verweerder ernstig zijn, is de boete met toepassing van artikel 2.3, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren verdubbeld. 7.