Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-18
ECLI:NL:RBROT:2026:1356
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,078 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:1356 text/xml public 2026-05-11T13:19:44 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-18 ROT 25/749 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1356 text/html public 2026-05-11T13:18:08 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:1356 Rechtbank Rotterdam , 18-02-2026 / ROT 25/749 Wmo 2015. Afwijzing maatwerkvoorziening omdat de Zvw een voorliggende voorziening is en de gewenste ondersteuning bij het huishouden onder gebruikelijke hulp valt. Beroep ongegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/749 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen [naam eiser 1] en [naam eiser 2] , uit [plaats] , eisers (gemachtigde: mr. M. el Idrissi), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam , het college (gemachtigden: mr. T. Baltus en mr. W. Breure). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft geoordeeld dat eisers niet in aanmerking komen voor een ondersteuning op grond van de Wmo 2015 . Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor hulp bij de zelfzorg en een tandem op grond van de Wmo 2015. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 23 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, bijgestaan door hun gemachtigde, en de gemachtigden van het college (vanwege de weersomstandigheden via videobellen). Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eisers hebben zich bij het college gemeld om in aanmerking te komen voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015, omdat [naam eiser 1] ( [naam eiser 1] ) vanwege zijn aandoeningen afhankelijk is van hulp bij zijn zelfzorg. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat hulp bij zelfzorg niet onder de Wmo 2015 valt, maar onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). 4. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de Zvw een voorliggende voorziening is en dat de door eisers gewenste ondersteuning bij het huishouden onder gebruikelijke hulp valt. Eisers komen daarom volgens het college niet in aanmerking voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Beoordeling door de rechtbank 5. Eisers voeren aan dat de Wmo 2015 slechts één voorliggende voorziening kent op grond waarvan een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd en dat is de Wet langdurige zorg (Wlz). Eisers hebben al zonder succes geprobeerd een beroep te doen op de Wlz. Volgens eisers is er geen wettelijke grondslag voor het standpunt van het college dat pas na een daadwerkelijke afwijzing van de zorgverzekeraar aanleiding bestaat om nader onderzoek te doen. 6. Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 7. Zoals de Centrale Raad van Beroep (de Raad) in zijn uitspraak van 31 mei 2023 heeft overwogen kan onder ‘eigen kracht’ ook worden verstaan de mogelijkheid om aanspraak te maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan, waaronder de Zvw. Daarnaast volgt uit artikel 3.2.9 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2018 dat ondersteuning binnen het resultaatgebied zelfzorg en gezondheid niet aan de orde kan zijn als de zorg onder de reikwijdte van de Zvw valt. Het college heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de Zvw een voorliggende voorziening is. 8. Uit deze uitspraak van de Raad volgt ook dat college, als het onder verwijzing naar de Zvw, de ‘eigen kracht’ wil tegenwerpen zo nodig contact zal moeten zoeken met de zorgverzekeraar om meer duidelijkheid te krijgen over een mogelijke aanspraak op de voorziening. Dit sluit aan bij de integraliteitsgedachte en de afstemmingsgedachte van de wetgever en komt ook mede tot uitdrukking in artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder f, van de Wmo 2015. Ter zitting heeft het college toegelicht dat in het geval van eisers niet genoeg aanknopingspunten zijn om contact op te nemen met de zorgverzekeraar. Afstemming met de zorgverzekeraar is volgens het college pas mogelijk als eisers bijvoorbeeld een aanvraag in het kader van de Zvw overleggen en er toestemming is om (persoons)gegevens uit te wisselen met de zorgverzekeraar. In bezwaar heeft het college deze informatie dan ook bij eisers opgevraagd, maar niet verkregen. Onder deze omstandigheden kan niet van het college verwacht worden dat het zelfstandig overgaat tot nader onderzoek en dus heeft het college eisers in dit geval de ‘eigen kracht’ tegen kunnen werpen. 9. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat de ondersteuning bij het huishouden, het meegaan naar de huisarts en tandarts, hulp bij medicatie inname, toezicht bij het op- en aflopen van de trap in verband met duizeligheid, en voor het naar buiten gaan ter ontspanning de gebruikelijke hulp te boven gaat. Volgens eisers heeft het college onvoldoende gewicht toegekend aan de persoonlijke (gezins-)situatie. [naam eiser 2] ( [naam eiser 2] ) en de inwonende kinderen kunnen de benodigde hulp namelijk niet bieden omdat de zes kinderen minderjarig zijn en [naam eiser 2] haar handen vol heeft aan de kinderen. Daarnaast gaat de benodigde hulp gezien de intensiteit de gebruikelijke hulp te boven. Eisers voeren aan dat er geen correcte belangenafweging heeft plaatsgevonden waardoor de nadelige gevolgen van de beslissing onevenredig zwaar wegen in verhouding met het besluit te dienen doel. Het college heeft, gezien eisers persoonlijke omstandigheden, ten onrechte geen gebruik gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 10. Uit de Wmo 2015 volgt dat in de situatie van eisers van [naam eiser 2] in beginsel verwacht mag worden dat zij, als echtgenote, gebruikelijke hulp verleent. Dit betekent dat van haar wordt verwacht dat zij de huishoudelijke werkzaamheden en de begeleiding van [naam eiser 1] op zich neemt. Dit is alleen anders wanneer zij daartoe niet of niet volledig in staat zou zijn, bijvoorbeeld als gevolg van – dreigende – overbelasting. Hiervan is niet gebleken. Eisers hebben weliswaar naar voren gebracht dat [naam eiser 2] haar handen vol heeft aan de kinderen, maar deze omstandigheid is – hoewel invoelbaar – onvoldoende om al op grond daarvan aan te nemen dat sprake is van overbelasting die de echtgenote verhindert om gebruikelijke hulp te verlenen. Eisers hebben ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [naam eiser 2] overbelast is. Het gaat voornamelijk om huishoudelijke werkzaamheden, en enige begeleiding van [naam eiser 1] bij zijn doktersafspraken en bij dagelijkse bezigheden.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:1356 text/xml public 2026-05-11T13:19:44 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-18 ROT 25/749 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1356 text/html public 2026-05-11T13:18:08 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:1356 Rechtbank Rotterdam , 18-02-2026 / ROT 25/749 Wmo 2015. Afwijzing maatwerkvoorziening omdat de Zvw een voorliggende voorziening is en de gewenste ondersteuning bij het huishouden onder gebruikelijke hulp valt. Beroep ongegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/749 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen [naam eiser 1] en [naam eiser 2] , uit [plaats] , eisers (gemachtigde: mr. M. el Idrissi), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam , het college (gemachtigden: mr. T. Baltus en mr. W. Breure). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft geoordeeld dat eisers niet in aanmerking komen voor een ondersteuning op grond van de Wmo 2015 . Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor hulp bij de zelfzorg en een tandem op grond van de Wmo 2015. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 23 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, bijgestaan door hun gemachtigde, en de gemachtigden van het college (vanwege de weersomstandigheden via videobellen). Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eisers hebben zich bij het college gemeld om in aanmerking te komen voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015, omdat [naam eiser 1] ( [naam eiser 1] ) vanwege zijn aandoeningen afhankelijk is van hulp bij zijn zelfzorg. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat hulp bij zelfzorg niet onder de Wmo 2015 valt, maar onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). 4. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de Zvw een voorliggende voorziening is en dat de door eisers gewenste ondersteuning bij het huishouden onder gebruikelijke hulp valt. Eisers komen daarom volgens het college niet in aanmerking voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Beoordeling door de rechtbank 5. Eisers voeren aan dat de Wmo 2015 slechts één voorliggende voorziening kent op grond waarvan een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd en dat is de Wet langdurige zorg (Wlz). Eisers hebben al zonder succes geprobeerd een beroep te doen op de Wlz. Volgens eisers is er geen wettelijke grondslag voor het standpunt van het college dat pas na een daadwerkelijke afwijzing van de zorgverzekeraar aanleiding bestaat om nader onderzoek te doen. 6. Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 7. Zoals de Centrale Raad van Beroep (de Raad) in zijn uitspraak van 31 mei 2023 heeft overwogen kan onder ‘eigen kracht’ ook worden verstaan de mogelijkheid om aanspraak te maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan, waaronder de Zvw. Daarnaast volgt uit artikel 3.2.9 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2018 dat ondersteuning binnen het resultaatgebied zelfzorg en gezondheid niet aan de orde kan zijn als de zorg onder de reikwijdte van de Zvw valt. Het college heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de Zvw een voorliggende voorziening is. 8. Uit deze uitspraak van de Raad volgt ook dat college, als het onder verwijzing naar de Zvw, de ‘eigen kracht’ wil tegenwerpen zo nodig contact zal moeten zoeken met de zorgverzekeraar om meer duidelijkheid te krijgen over een mogelijke aanspraak op de voorziening. Dit sluit aan bij de integraliteitsgedachte en de afstemmingsgedachte van de wetgever en komt ook mede tot uitdrukking in artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder f, van de Wmo 2015. Ter zitting heeft het college toegelicht dat in het geval van eisers niet genoeg aanknopingspunten zijn om contact op te nemen met de zorgverzekeraar. Afstemming met de zorgverzekeraar is volgens het college pas mogelijk als eisers bijvoorbeeld een aanvraag in het kader van de Zvw overleggen en er toestemming is om (persoons)gegevens uit te wisselen met de zorgverzekeraar. In bezwaar heeft het college deze informatie dan ook bij eisers opgevraagd, maar niet verkregen. Onder deze omstandigheden kan niet van het college verwacht worden dat het zelfstandig overgaat tot nader onderzoek en dus heeft het college eisers in dit geval de ‘eigen kracht’ tegen kunnen werpen. 9. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat de ondersteuning bij het huishouden, het meegaan naar de huisarts en tandarts, hulp bij medicatie inname, toezicht bij het op- en aflopen van de trap in verband met duizeligheid, en voor het naar buiten gaan ter ontspanning de gebruikelijke hulp te boven gaat. Volgens eisers heeft het college onvoldoende gewicht toegekend aan de persoonlijke (gezins-)situatie. [naam eiser 2] ( [naam eiser 2] ) en de inwonende kinderen kunnen de benodigde hulp namelijk niet bieden omdat de zes kinderen minderjarig zijn en [naam eiser 2] haar handen vol heeft aan de kinderen. Daarnaast gaat de benodigde hulp gezien de intensiteit de gebruikelijke hulp te boven. Eisers voeren aan dat er geen correcte belangenafweging heeft plaatsgevonden waardoor de nadelige gevolgen van de beslissing onevenredig zwaar wegen in verhouding met het besluit te dienen doel. Het college heeft, gezien eisers persoonlijke omstandigheden, ten onrechte geen gebruik gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 10. Uit de Wmo 2015 volgt dat in de situatie van eisers van [naam eiser 2] in beginsel verwacht mag worden dat zij, als echtgenote, gebruikelijke hulp verleent. Dit betekent dat van haar wordt verwacht dat zij de huishoudelijke werkzaamheden en de begeleiding van [naam eiser 1] op zich neemt. Dit is alleen anders wanneer zij daartoe niet of niet volledig in staat zou zijn, bijvoorbeeld als gevolg van – dreigende – overbelasting. Hiervan is niet gebleken. Eisers hebben weliswaar naar voren gebracht dat [naam eiser 2] haar handen vol heeft aan de kinderen, maar deze omstandigheid is – hoewel invoelbaar – onvoldoende om al op grond daarvan aan te nemen dat sprake is van overbelasting die de echtgenote verhindert om gebruikelijke hulp te verlenen. Eisers hebben ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [naam eiser 2] overbelast is. Het gaat voornamelijk om huishoudelijke werkzaamheden, en enige begeleiding van [naam eiser 1] bij zijn doktersafspraken en bij dagelijkse bezigheden.