Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-06
ECLI:NL:RBROT:2026:1314
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,127 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:1314 text/xml public 2026-03-05T11:52:46 2026-02-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-06 11774798 CV EXPL 25-14707 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0298 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0298 Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/78 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1314 text/html public 2026-02-23T16:05:33 2026-02-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:1314 Rechtbank Rotterdam , 06-02-2026 / 11774798 CV EXPL 25-14707 Voormalig werknemer hoeft dubbel betaalde bonus niet terug te betalen aan werkgever. Het bedrag mag niet verrekend worden met het bedrag waarop werknemer tegenover werkgever nog recht heeft. De ruime formulering van het finale kwijtingsbeding in de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst staat hieraan in de weg. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11774798 CV EXPL 25-14707 datum uitspraak: 6 februari 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser], woonplaats: Amsterdam, eiser in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: mr. A.P.J.M. Verbeek, tegen Koninklijke Vopak N.V., vestigingsplaats: Rotterdam, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, gemachtigde: mr. A. van Toledo. De partijen worden hierna ‘werknemer’ en ‘werkgever’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 18 juni 2025, en de bijlagen 1 tot en met 7; het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen 1 tot en met 15; het antwoord in reconventie; de brief van werkgever, met bijlagen 16 en 17. 1.2. Op 10 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met partijen en hun gemachtigden. 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. Het gaat in deze zaak over een werknemer, die in april 2022 twee keer een bonus van € 52.387,43 bruto heeft ontvangen in plaats van éénmaal. Hij is per 1 september 2023 vertrokken met een vertrekregeling. In de beëindigingsovereenkomst is finale kwijting afgesproken. De vraag is of werknemer de dubbele bonus moet terugbetalen, ondanks een finale kwijting. De kantonrechter beslist dat werknemer niet hoeft terug te betalen. Wat is er gebeurd? 2.2. Werknemer is op 1 november 1996 in dienst getreden bij werkgever. Vanaf 1 februari 2021 heeft werknemer op basis van een detacheringsovereenkomst gewerkt voor een aan werkgever gelieerde vennootschap in België. Vanaf 1 september 2021 past werkgever op het arbeidsinkomen de zogenoemde Tax Equalization Policy toe. Daardoor ontvangt werknemer voor zijn werk in België netto hetzelfde als het geval zou zijn geweest in Nederland. 2.3. Naast het vaste loon is aan werknemer jaarlijks een zogenoemde STIP -bonus uitbetaald. De hoogte van die bonus is voor het jaar 2021 vastgesteld op € 52.387,43 bruto. In april 2022 is deze bonus aan werknemer tweemaal uitbetaald. Uit de salarisspecificaties van april 2022 blijkt het volgende. De ene specificatie noemt als bedrijfsnaam Koninklijke Vopak NV. Dit gaat om een bedrag van € 40.781,55 netto. Deze betaling betrof het vaste loon van de maand april 2022 van € 15.032,85 netto, twee bedragen aan STIP-bonus, namelijk € 19.655,04 netto en € 13.227,83 netto, samen € 32.822,87 netto, en een bedrag aan onbelaste beloningen van € 6.093,66 netto. De andere specificatie is van Vopak Global IT BV. Hierop staat de betaling van STIP-bonus van € 26.455,66 netto . Bij elkaar heeft werknemer in april 2022 dus € 67.237,21 netto uitbetaald gekregen, waarvan € 59.278,53 netto aan STIP-bonus. Kortom, een dubbele bonusbetaling, terwijl hij de helft daarvan had moeten krijgen. 2.4. Bij vaststellingsovereenkomst van 17 april 2023 hebben partijen de arbeidsovereenkomst beëindigd met ingang van 1 september 2023. Werknemer is tot die datum vrijgesteld van werk, met doorbetaling van loon en emolumenten. Hij heeft recht gekregen op een beëindigingsvergoeding van € 284.644,- bruto. Bij het bepalen van de hoogte van de beëindigingsvergoeding is het gemiddelde van de STIP-bonussen 2020, 2021 en 2022 meegenomen, met dien verstande dat over het jaar 2021 is gerekend met éénmaal de STIP-bonus en niet de dubbele STIP-bonus die feitelijk is uitbetaald. Ook is een afspraak opgenomen over uitbetaling van de STIP-bonus 2022. 2.5. De overeenkomst bevat een finaal kwijtingsbeding dat luidt als volgt: “Artikel 11. Finale kwijting 11.1 Werknemer en (de rechtsvoorgangers van) Werkgever erkennen dat behoudens de afspraken zoals vastgelegd in de onderhavige vaststellingsovereenkomst ter afwikkeling van de mogelijke (collectieve) aanspraken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, geen andere afspraken en/of overeenkomsten meer bestaan, althans deze afspraken en/of overeenkomsten teniet worden gedaan met deze vaststellingsovereenkomst die bedoeld de afspraken - om te komen tot een definitieve afwikkeling van de mogelijke (collectieve) aanspraken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst - uitputtend en allesomvattend te regelen. Behoudens uitvoering van het bepaalde in deze overeenkomst verlenen Werknemer en (de rechtsvoorgangers van) Werkgever- waaronder mede begrepen de aan Werkgever gelieerde ondernemingen - elkaar over en weer finale kwijting terzake van alle aanspraken voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan.” Verder is in de overeenkomst nog het volgende opgenomen: “Artikel 14. Vaststellingsovereenkomst 14.1 Het voorgaande geldt als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW. Wijzigingen zijn ongeldig en zonder rechtskracht tenzij beide Partijen zich hiermee schriftelijk akkoord hebben verklaard.” 2.6. Werkgever heeft bij brief van 11 januari 2024 aan werknemer meegedeeld dat gebleken is dat hij in 2022 een dubbele STIP uitbetaling ontvangen heeft en dat het bedrag abusievelijk met de salarisbetaling van april 2022 door twee verschillende entiteiten aan hem is uitbetaald. Te kennen is gegeven dat het teveel betaalde bedrag van € 32.887,87 netto verrekend zal worden met het bedrag dat werknemer nog tegoed heeft van werkgever, na verwerking van de loonbelastingaangifte over de jaren waarin hij deels in Nederland en deels in België heeft gewerkt. 2.7. Werkgever heeft bij brief van 27 maart 2025 aan werknemer meegedeeld, onder vermelding van de netto afspraak (zie 2.2), dat een berekening is gemaakt van het bedrag dat werknemer aan de Belastingdienst moet afdragen over de jaren 2021, 2022 en 2023, namelijk € 59.396,08, en dat, na aftrek van € 32.882,87 aan teveel betaalde STIP bonus 2021, het resterende bedrag van € 26.513,21 aan hem zal worden uitbetaald. Daarbij is werknemer ook meegedeeld dat als de definitieve aanslag hiervan afwijkt dit zal worden gecorrigeerd. 2.8. Werknemer is het niet eens met de verrekening van € 32.882,87 aan STIP-bonus 2021 en hij beroept zich op de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst. 2.9. Werknemer eist (zo begrijpt de kantonrechter) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: te verklaren voor recht dat werkgever gehouden is de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen finale kwijting na te leven en geen vorderingen uit de STIP bonus op werknemer heeft; werkgever te veroordelen tot betaling aan werknemer van € 59.396,08 met rente en boete(s) van de (Belgische) fiscus, en de wettelijke rente; werkgever te veroordelen tot betaling aan werknemer van de proceskosten, waaronder het salaris van de gemachtigde en de (integrale) buitengerechtelijke kosten. 2.10. Werkgever is het hiermee niet eens en concludeert tot afwijzing van de eis van werknemer, althans daarop € 32.882,88 met rente in mindering te brengen. Werkgever eist in reconventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: werknemer te veroordelen tot betaling aan werkgever van € 32.882,88 met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2022, althans vanaf 11 januari 2024, althans vanaf de dag van deze eis; te verklaren voor recht dat werkgever bevoegd is tot verrekening van haar vordering op werknemer; met veroordeling van werknemer in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, met rente. Wat vindt de kantonrechter 2.11.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:1314 text/xml public 2026-04-01T13:42:04 2026-02-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-06 11774798 CV EXPL 25-14707 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0298 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0298 Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/78 JAR 2026/83 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1314 text/html public 2026-02-23T16:05:33 2026-02-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:1314 Rechtbank Rotterdam , 06-02-2026 / 11774798 CV EXPL 25-14707 Voormalig werknemer hoeft dubbel betaalde bonus niet terug te betalen aan werkgever. Het bedrag mag niet verrekend worden met het bedrag waarop werknemer tegenover werkgever nog recht heeft. De ruime formulering van het finale kwijtingsbeding in de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst staat hieraan in de weg. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11774798 CV EXPL 25-14707 datum uitspraak: 6 februari 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser], woonplaats: Amsterdam, eiser in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: mr. A.P.J.M. Verbeek, tegen Koninklijke Vopak N.V., vestigingsplaats: Rotterdam, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, gemachtigde: mr. A. van Toledo. De partijen worden hierna ‘werknemer’ en ‘werkgever’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 18 juni 2025, en de bijlagen 1 tot en met 7; het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen 1 tot en met 15; het antwoord in reconventie; de brief van werkgever, met bijlagen 16 en 17. 1.2. Op 10 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met partijen en hun gemachtigden. 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. Het gaat in deze zaak over een werknemer, die in april 2022 twee keer een bonus van € 52.387,43 bruto heeft ontvangen in plaats van éénmaal. Hij is per 1 september 2023 vertrokken met een vertrekregeling. In de beëindigingsovereenkomst is finale kwijting afgesproken. De vraag is of werknemer de dubbele bonus moet terugbetalen, ondanks een finale kwijting. De kantonrechter beslist dat werknemer niet hoeft terug te betalen. Wat is er gebeurd? 2.2. Werknemer is op 1 november 1996 in dienst getreden bij werkgever. Vanaf 1 februari 2021 heeft werknemer op basis van een detacheringsovereenkomst gewerkt voor een aan werkgever gelieerde vennootschap in België. Vanaf 1 september 2021 past werkgever op het arbeidsinkomen de zogenoemde Tax Equalization Policy toe. Daardoor ontvangt werknemer voor zijn werk in België netto hetzelfde als het geval zou zijn geweest in Nederland. 2.3. Naast het vaste loon is aan werknemer jaarlijks een zogenoemde STIP -bonus uitbetaald. De hoogte van die bonus is voor het jaar 2021 vastgesteld op € 52.387,43 bruto. In april 2022 is deze bonus aan werknemer tweemaal uitbetaald. Uit de salarisspecificaties van april 2022 blijkt het volgende. De ene specificatie noemt als bedrijfsnaam Koninklijke Vopak NV. Dit gaat om een bedrag van € 40.781,55 netto. Deze betaling betrof het vaste loon van de maand april 2022 van € 15.032,85 netto, twee bedragen aan STIP-bonus, namelijk € 19.655,04 netto en € 13.227,83 netto, samen € 32.822,87 netto, en een bedrag aan onbelaste beloningen van € 6.093,66 netto. De andere specificatie is van Vopak Global IT BV. Hierop staat de betaling van STIP-bonus van € 26.455,66 netto . Bij elkaar heeft werknemer in april 2022 dus € 67.237,21 netto uitbetaald gekregen, waarvan € 59.278,53 netto aan STIP-bonus. Kortom, een dubbele bonusbetaling, terwijl hij de helft daarvan had moeten krijgen. 2.4. Bij vaststellingsovereenkomst van 17 april 2023 hebben partijen de arbeidsovereenkomst beëindigd met ingang van 1 september 2023. Werknemer is tot die datum vrijgesteld van werk, met doorbetaling van loon en emolumenten. Hij heeft recht gekregen op een beëindigingsvergoeding van € 284.644,- bruto. Bij het bepalen van de hoogte van de beëindigingsvergoeding is het gemiddelde van de STIP-bonussen 2020, 2021 en 2022 meegenomen, met dien verstande dat over het jaar 2021 is gerekend met éénmaal de STIP-bonus en niet de dubbele STIP-bonus die feitelijk is uitbetaald. Ook is een afspraak opgenomen over uitbetaling van de STIP-bonus 2022. 2.5. De overeenkomst bevat een finaal kwijtingsbeding dat luidt als volgt: “Artikel 11. Finale kwijting 11.1 Werknemer en (de rechtsvoorgangers van) Werkgever erkennen dat behoudens de afspraken zoals vastgelegd in de onderhavige vaststellingsovereenkomst ter afwikkeling van de mogelijke (collectieve) aanspraken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, geen andere afspraken en/of overeenkomsten meer bestaan, althans deze afspraken en/of overeenkomsten teniet worden gedaan met deze vaststellingsovereenkomst die bedoeld de afspraken - om te komen tot een definitieve afwikkeling van de mogelijke (collectieve) aanspraken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst - uitputtend en allesomvattend te regelen. Behoudens uitvoering van het bepaalde in deze overeenkomst verlenen Werknemer en (de rechtsvoorgangers van) Werkgever- waaronder mede begrepen de aan Werkgever gelieerde ondernemingen - elkaar over en weer finale kwijting terzake van alle aanspraken voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan.” Verder is in de overeenkomst nog het volgende opgenomen: “Artikel 14. Vaststellingsovereenkomst 14.1 Het voorgaande geldt als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW. Wijzigingen zijn ongeldig en zonder rechtskracht tenzij beide Partijen zich hiermee schriftelijk akkoord hebben verklaard.” 2.6. Werkgever heeft bij brief van 11 januari 2024 aan werknemer meegedeeld dat gebleken is dat hij in 2022 een dubbele STIP uitbetaling ontvangen heeft en dat het bedrag abusievelijk met de salarisbetaling van april 2022 door twee verschillende entiteiten aan hem is uitbetaald. Te kennen is gegeven dat het teveel betaalde bedrag van € 32.887,87 netto verrekend zal worden met het bedrag dat werknemer nog tegoed heeft van werkgever, na verwerking van de loonbelastingaangifte over de jaren waarin hij deels in Nederland en deels in België heeft gewerkt. 2.7. Werkgever heeft bij brief van 27 maart 2025 aan werknemer meegedeeld, onder vermelding van de netto afspraak (zie 2.2), dat een berekening is gemaakt van het bedrag dat werknemer aan de Belastingdienst moet afdragen over de jaren 2021, 2022 en 2023, namelijk € 59.396,08, en dat, na aftrek van € 32.882,87 aan teveel betaalde STIP bonus 2021, het resterende bedrag van € 26.513,21 aan hem zal worden uitbetaald. Daarbij is werknemer ook meegedeeld dat als de definitieve aanslag hiervan afwijkt dit zal worden gecorrigeerd. 2.8. Werknemer is het niet eens met de verrekening van € 32.882,87 aan STIP-bonus 2021 en hij beroept zich op de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst. 2.9. Werknemer eist (zo begrijpt de kantonrechter) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: te verklaren voor recht dat werkgever gehouden is de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen finale kwijting na te leven en geen vorderingen uit de STIP bonus op werknemer heeft; werkgever te veroordelen tot betaling aan werknemer van € 59.396,08 met rente en boete(s) van de (Belgische) fiscus, en de wettelijke rente; werkgever te veroordelen tot betaling aan werknemer van de proceskosten, waaronder het salaris van de gemachtigde en de (integrale) buitengerechtelijke kosten. 2.10. Werkgever is het hiermee niet eens en concludeert tot afwijzing van de eis van werknemer, althans daarop € 32.882,88 met rente in mindering te brengen. Werkgever eist in reconventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: werknemer te veroordelen tot betaling aan werkgever van € 32.882,88 met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2022, althans vanaf 11 januari 2024, althans vanaf de dag van deze eis; te verklaren voor recht dat werkgever bevoegd is tot verrekening van haar vordering op werknemer; met veroordeling van werknemer in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, met rente. Wat vindt de kantonrechter 2.11.
Volledig
Het bedrag aan STIP-bonus 2021 dat werkgever in april 2022 onverschuldigd betaald heeft aan werknemer, hoeft werknemer niet terug te betalen. Dit bedrag mag dus niet verrekend worden met het bedrag waarop werknemer tegenover werkgever nog recht heeft op grond van de onder 2.2 vermelde Tax Equalization Policy . De ruime finale kwijting die is afgesproken in de vaststellingsovereenkomst staat hieraan in de weg. Dit wordt hierna uitgelegd. Werknemer wist van de dubbele bonusbetaling, werkgever niet 2.12. Werkgever heeft gewezen op een A4-tje, waaruit blijkt dat bij het becijferen van de hoogte van de beëindigingsvergoeding gerekend is met het gemiddelde van de STIP-bonussen 2020, 2021 en 2022. Daarbij is uitgegaan van één STIP-bonus over het jaar 2021 en geen dubbele bonus. De juistheid hiervan is door werknemer niet betwist. Verder staat niet ter discussie dat werkgever ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet op de hoogte was van de dubbel betaalde bonus. Evenmin is weersproken dat sprake is van onverschuldigde betaling door werkgever en ongerechtvaardigde verrijking door werknemer. Werknemer stelt dat hij niet had gemerkt dat hij in april 2022 een dubbele bonusbetaling had ontvangen – hij werkte destijds hele lange dagen – maar de kantonrechter gaat er vanuit dat werknemer wel van die onverschuldigde betaling op de hoogte was ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Werknemer had een hoge positie en werkte laatstelijk als CEO van de aan werkgever gelieerde onderneming in België en was in die rol ook (mede) verantwoordelijkheid voor de financiën. Hij heeft in april 2022 een veelvoud ontvangen van zijn gebruikelijke salaris (€ 67.237,21 netto in plaats van € 15.032,85 netto) en de salarisstroken van de betalingen kon hij raadplegen in het digitale systeem. Bovendien was het bonusbedrag aanzienlijk hoger dan de bonussen die hij in de jaren daarvoor had ontvangen. Niet denkbaar is dat werknemer tegen de tijd dat hij – een jaar later – de vaststellingsovereenkomst tekende, niet had gemerkt dat hij een dubbele bonus had ontvangen. De vordering van werkgever terzake van onverschuldigde betaling, omdat werkgever ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet bekend was met de dubbele STIP-bonusbetaling, stuit in de gegeven situatie echter af op de finale kwijting. Dwaling? 2.13. Werkgever stelt dat de onverschuldigde betaling niet onder de finale kwijting valt, omdat werkgever niet van die betaling op de hoogte was op het moment van het ondertekenen van de finale kwijting. De kantonrechter vat dit op als een beroep op dwaling. De aard van de vaststellingsovereenkomst staat in beginsel aan een succesvol beroep op dwaling in de weg: de specifieke rechtsfiguur van de vaststellingsovereenkomst strekt immers juist tot het beëindigen of het voorkomen van onzekerheid of geschil. De rechter moet terughoudendheid betrachten bij het honoreren van een beroep op dwaling. Over de vaststellingsovereenkomst, in het bijzonder het kwijtingsbeding 2.14. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent wat tussen hen rechtens geldt, zich ten opzichte van elkaar aan een vaststelling daarvan. Dit is bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken . Bij de vaststellingsovereenkomst die tussen partijen tot stand gekomen is, geldt dat ook. Die overeenkomst ziet niet alleen op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met afspraken zoals de datum van beëindiging van het dienstverband en de beëindigingsvergoeding waarop werknemer aanspraak heeft, maar ook op het voorkomen van toekomstige onzekerheid of geschil. Partijen hebben immers afgesproken dat zij - behoudens nakoming van de gemaakte afspraken - over en weer geen andere aanspraken meer hebben voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan. De tekst van het finaal kwijtingsbeding (zie onder 2.5) is op dit punt duidelijk. Gezien de ruime formulering van het finale kwijtingsbeding, waaronder de bewoordingen “mogelijke” en “alle” aanspraken “uitputtend en allesomvattend te regelen”, is de kantonrechter in de gegeven situatie van oordeel dat de kwijting ook betrekking heeft op aanspraken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst waarmee werkgever ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet bekend was, zoals in dit geval de onverschuldigde betaling in verband met de dubbel betaalde STIP-bonus in april 2022. 2.15. Voor dit oordeel is niet alleen de tekst maar ook de datum, de wijze van totstandkoming en de inhoud van de vaststellingsovereenkomst redengevend . De vaststellingsovereenkomst is gesloten op 17 april 2023. Er was toen al een jaar verstreken na de onverschuldigde betaling. Werkgever werd bijgestaan door professionele adviseurs bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst. Beroep op artikel 6:203 BW gaat evenmin op 2.16. Werkgever heeft nog gesteld dat de onverschuldigde betaling niet onder de finale kwijting kan vallen, omdat er op grond van art. 6:203 BW een terugbetalingsplicht bestaat voor werknemer. Hiermee miskent werkgever dat uit artikel 7:902 BW volgt dat een vaststellingsovereenkomst ook geldig is als deze in strijd komt met dwingend recht, tenzij de overeenkomst tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of openbare orde. Dat sprake is van strijd met de goede zeden of openbare orde, is gesteld noch gebleken. Het arrest van 14 februari 2020 2.17. Werkgever heeft ook nog gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2020 , waarin is geoordeeld dat een finale kwijting in een vaststellingsovereenkomst niet zonder meer betekent dat ook afstand is gedaan van een vordering uit onverschuldigde betaling. Dat klopt, maar de vergelijking met deze uitspraak gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. In die zaak ging het om huurders die onverschuldigd hadden betaald aan hun verhuurder. In de onderhavige zaak gaat het om een werknemer, die door een fout van de werkgever tweemaal een bonus heeft ontvangen. Bijna twee jaar nadat de onverschuldigde betaling is verricht, en een jaar nadat finale kwijting is afgesproken, wordt hij door zijn werkgever alsnog aangesproken op terugbetaling. In de relatie tussen werkgever en werknemer past meer terughoudendheid om ondanks de ruime finale kwijting, die juist bedoeld is ook om toekomstige onzekerheid of geschil te voorkomen, toch nog een verplichting tot terugbetaling aan te nemen. Niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar 2.18. Werkgever heeft, mede gelet op wat hiervoor is geoordeeld, onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat het tussen partijen overeengekomen finaal kwijtingsbeding met zich brengt dat werkgever geen vordering meer heeft op grond van onverschuldigd betaalde STIP-bonus 2021. Toewijzing van de door werknemer geëiste verklaring voor recht 2.19. Gelet op het vorenstaande wordt de door werknemer geëiste verklaring voor recht dat werkgever gehouden is om de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen finale kwijting na te leven en geen vorderingen uit de STIP-bonus op werknemer heeft toegewezen. Deze verklaring voor recht wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat dit een beslissing is die niet ten uitvoer kan worden gelegd. Niet duidelijk welk bedrag werkgever nu moet betalen 2.20. Het geëiste bedrag van € 59.396,08 met boete(s) en rente kan niet worden toegewezen. Ter zitting is tussen partijen afgesproken dat een deel van het bedrag dat werkgever onder zich had na de zitting aan werknemer zou worden uitbetaald. Welk bedrag dit precies betrof is voor de kantonrechter niet duidelijk geworden. Daarom wordt werkgever in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van wat hiervoor is geoordeeld een akte te nemen. Hieruit moet blijken welk bedrag werknemer recht heeft. Werkgever moet ook een bruto/netto specificatie overleggen. Werkgever krijgt hiervoor de tijd tot de rolzitting van woensdag 4 maart 2026 om 11.30 uur . Werknemer mag daarna een antwoord-akte nemen. 2.21.
Volledig
Het bedrag aan STIP-bonus 2021 dat werkgever in april 2022 onverschuldigd betaald heeft aan werknemer, hoeft werknemer niet terug te betalen. Dit bedrag mag dus niet verrekend worden met het bedrag waarop werknemer tegenover werkgever nog recht heeft op grond van de onder 2.2 vermelde Tax Equalization Policy . De ruime finale kwijting die is afgesproken in de vaststellingsovereenkomst staat hieraan in de weg. Dit wordt hierna uitgelegd. Werknemer wist van de dubbele bonusbetaling, werkgever niet 2.12. Werkgever heeft gewezen op een A4-tje, waaruit blijkt dat bij het becijferen van de hoogte van de beëindigingsvergoeding gerekend is met het gemiddelde van de STIP-bonussen 2020, 2021 en 2022. Daarbij is uitgegaan van één STIP-bonus over het jaar 2021 en geen dubbele bonus. De juistheid hiervan is door werknemer niet betwist. Verder staat niet ter discussie dat werkgever ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet op de hoogte was van de dubbel betaalde bonus. Evenmin is weersproken dat sprake is van onverschuldigde betaling door werkgever en ongerechtvaardigde verrijking door werknemer. Werknemer stelt dat hij niet had gemerkt dat hij in april 2022 een dubbele bonusbetaling had ontvangen – hij werkte destijds hele lange dagen – maar de kantonrechter gaat er vanuit dat werknemer wel van die onverschuldigde betaling op de hoogte was ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Werknemer had een hoge positie en werkte laatstelijk als CEO van de aan werkgever gelieerde onderneming in België en was in die rol ook (mede) verantwoordelijkheid voor de financiën. Hij heeft in april 2022 een veelvoud ontvangen van zijn gebruikelijke salaris (€ 67.237,21 netto in plaats van € 15.032,85 netto) en de salarisstroken van de betalingen kon hij raadplegen in het digitale systeem. Bovendien was het bonusbedrag aanzienlijk hoger dan de bonussen die hij in de jaren daarvoor had ontvangen. Niet denkbaar is dat werknemer tegen de tijd dat hij – een jaar later – de vaststellingsovereenkomst tekende, niet had gemerkt dat hij een dubbele bonus had ontvangen. De vordering van werkgever terzake van onverschuldigde betaling, omdat werkgever ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet bekend was met de dubbele STIP-bonusbetaling, stuit in de gegeven situatie echter af op de finale kwijting. Dwaling? 2.13. Werkgever stelt dat de onverschuldigde betaling niet onder de finale kwijting valt, omdat werkgever niet van die betaling op de hoogte was op het moment van het ondertekenen van de finale kwijting. De kantonrechter vat dit op als een beroep op dwaling. De aard van de vaststellingsovereenkomst staat in beginsel aan een succesvol beroep op dwaling in de weg: de specifieke rechtsfiguur van de vaststellingsovereenkomst strekt immers juist tot het beëindigen of het voorkomen van onzekerheid of geschil. De rechter moet terughoudendheid betrachten bij het honoreren van een beroep op dwaling. Over de vaststellingsovereenkomst, in het bijzonder het kwijtingsbeding 2.14. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent wat tussen hen rechtens geldt, zich ten opzichte van elkaar aan een vaststelling daarvan. Dit is bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken . Bij de vaststellingsovereenkomst die tussen partijen tot stand gekomen is, geldt dat ook. Die overeenkomst ziet niet alleen op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met afspraken zoals de datum van beëindiging van het dienstverband en de beëindigingsvergoeding waarop werknemer aanspraak heeft, maar ook op het voorkomen van toekomstige onzekerheid of geschil. Partijen hebben immers afgesproken dat zij - behoudens nakoming van de gemaakte afspraken - over en weer geen andere aanspraken meer hebben voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan. De tekst van het finaal kwijtingsbeding (zie onder 2.5) is op dit punt duidelijk. Gezien de ruime formulering van het finale kwijtingsbeding, waaronder de bewoordingen “mogelijke” en “alle” aanspraken “uitputtend en allesomvattend te regelen”, is de kantonrechter in de gegeven situatie van oordeel dat de kwijting ook betrekking heeft op aanspraken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst waarmee werkgever ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet bekend was, zoals in dit geval de onverschuldigde betaling in verband met de dubbel betaalde STIP-bonus in april 2022. 2.15. Voor dit oordeel is niet alleen de tekst maar ook de datum, de wijze van totstandkoming en de inhoud van de vaststellingsovereenkomst redengevend . De vaststellingsovereenkomst is gesloten op 17 april 2023. Er was toen al een jaar verstreken na de onverschuldigde betaling. Werkgever werd bijgestaan door professionele adviseurs bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst. Beroep op artikel 6:203 BW gaat evenmin op 2.16. Werkgever heeft nog gesteld dat de onverschuldigde betaling niet onder de finale kwijting kan vallen, omdat er op grond van art. 6:203 BW een terugbetalingsplicht bestaat voor werknemer. Hiermee miskent werkgever dat uit artikel 7:902 BW volgt dat een vaststellingsovereenkomst ook geldig is als deze in strijd komt met dwingend recht, tenzij de overeenkomst tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of openbare orde. Dat sprake is van strijd met de goede zeden of openbare orde, is gesteld noch gebleken. Het arrest van 14 februari 2020 2.17. Werkgever heeft ook nog gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2020 , waarin is geoordeeld dat een finale kwijting in een vaststellingsovereenkomst niet zonder meer betekent dat ook afstand is gedaan van een vordering uit onverschuldigde betaling. Dat klopt, maar de vergelijking met deze uitspraak gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. In die zaak ging het om huurders die onverschuldigd hadden betaald aan hun verhuurder. In de onderhavige zaak gaat het om een werknemer, die door een fout van de werkgever tweemaal een bonus heeft ontvangen. Bijna twee jaar nadat de onverschuldigde betaling is verricht, en een jaar nadat finale kwijting is afgesproken, wordt hij door zijn werkgever alsnog aangesproken op terugbetaling. In de relatie tussen werkgever en werknemer past meer terughoudendheid om ondanks de ruime finale kwijting, die juist bedoeld is ook om toekomstige onzekerheid of geschil te voorkomen, toch nog een verplichting tot terugbetaling aan te nemen. Niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar 2.18. Werkgever heeft, mede gelet op wat hiervoor is geoordeeld, onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat het tussen partijen overeengekomen finaal kwijtingsbeding met zich brengt dat werkgever geen vordering meer heeft op grond van onverschuldigd betaalde STIP-bonus 2021. Toewijzing van de door werknemer geëiste verklaring voor recht 2.19. Gelet op het vorenstaande wordt de door werknemer geëiste verklaring voor recht dat werkgever gehouden is om de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen finale kwijting na te leven en geen vorderingen uit de STIP-bonus op werknemer heeft toegewezen. Deze verklaring voor recht wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat dit een beslissing is die niet ten uitvoer kan worden gelegd. Niet duidelijk welk bedrag werkgever nu moet betalen 2.20. Het geëiste bedrag van € 59.396,08 met boete(s) en rente kan niet worden toegewezen. Ter zitting is tussen partijen afgesproken dat een deel van het bedrag dat werkgever onder zich had na de zitting aan werknemer zou worden uitbetaald. Welk bedrag dit precies betrof is voor de kantonrechter niet duidelijk geworden. Daarom wordt werkgever in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van wat hiervoor is geoordeeld een akte te nemen. Hieruit moet blijken welk bedrag werknemer recht heeft. Werkgever moet ook een bruto/netto specificatie overleggen. Werkgever krijgt hiervoor de tijd tot de rolzitting van woensdag 4 maart 2026 om 11.30 uur . Werknemer mag daarna een antwoord-akte nemen. 2.21.