Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-02
ECLI:NL:RBROT:2026:1128
Rechtbank Rotterdam Team familie Zaaknummer / rekestnummer: C/10/696310 / FA RK 25-2121 Beschikking van 2 februari 2026 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht, de informatieregeling en de benoeming van een bijzondere curator in de zaak van: [naam man] , hierna: de man, wonende te [woonplaats 1] , advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze, t e g e n [naam vrouw] , hierna: de vrouw, wonende te [woonplaats 2] , advocaat mr. H.E. Visscher te Papendrecht. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 18 maart 2025; het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 31 december 2025; het bericht met bijlage van de man van 1 april 2025. 1.2. De man heeft op 31 december 2025 nog een bericht met bijlage ingediend. Dit bericht is buiten de daarvoor geldende termijn ingediend, en niet gebleken is dat de man het bericht niet eerder had kunnen indienen. De rechtbank heeft aan het begin van de mondelinge behandeling beslist dit bericht in verband met strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. 1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 5 januari 2026. Daarbij zijn verschenen: de man, (telefonisch) bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 1] . 1.4. De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en op 12 januari 2026 met de kinderrechter gesproken. De rechtbank heeft na het gesprek met de minderjarige geen aanleiding gezien een nadere mondelinge behandeling te bepalen of partijen in de gelegenheid te stellen zich schriftelijk uit te laten. 2 De vaststaande feiten 2.1. Partijen zijn de ouders van de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] . 2.2. De man heeft de minderjarige erkend op 6 oktober 2022. 2.3. De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarige. 2.4. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2025 zijn de verzoeken van de man tot vaststelling van een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) en een informatieregeling afgewezen. Kort samengevat zijn de verzoeken afgewezen, omdat de rechtbank niet kon vaststellen of de man inmiddels tot erkenning was overgegaan nadat hij daarvoor vervangende toestemming had verkregen van de rechtbank. De advocaat van de man kon niet meer in contact komen met de man en de vrouw betwistte het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking. Het juridisch ouderschap of het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking zijn vereisten voor vaststelling van een omgangs- en informatieregeling. Ook als wel aan deze vereisten was voldaan, achtte de rechtbank vaststelling van een omgangsregeling niet in het belang van de minderjarige, omdat de contacten begeleid zouden moeten worden en de rechtbank dit niet met de man kon bespreken tijdens een mondelinge behandeling. De vrouw had in verband met de spanning voor haar en de minderjarige verzocht eindbeschikking te wijzen om tot een einde van de procedure te komen. 3 De beoordeling 3.1. Omgangsregeling 3.1.1. De man verzoekt (opnieuw) een (definitieve) omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de man en de minderjarige (uiteindelijk) gedurende een weekend per veertien dagen vanaf vrijdagmiddag na school tot zondagavond 18:00 uur contact hebben, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, jaarlijks tussen partijen in goed onderling overleg te verdelen, waarbij de vrouw de minderjarige brengt naar de man en de man haar terugbrengt naar de vrouw. 3.1.2. De vrouw voert gemotiveerd verweer. 3.1.3. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen op grond van artikel 1:377a lid 2 BW in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over de omgang, tev Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, is het vanwege de leeftijd van de minderjarige en haar identiteitsontwikkeling van belang dat zij een eigen beeld kan vormen van haar vader. Dit beeld is nu gevormd op basis van wat zij uit diverse bronnen heeft gehoord over de man, wat niet bepaald positief is. Uit het verweerschrift van de vrouw blijkt dat zij zelf een belast verleden heeft en zich herkent in de minderjarige met betrekking tot de verzoeken van de man. Hoewel de vrouw aangeeft dat ze contact tussen de man en de minderjarige niet in de weg staat als de minderjarige dat wil, is het volgens de raad ook nodig dat zij hiervoor emotionele toestemming geeft aan de minderjarige. Hoewel de houding van de vrouw jegens de man invoelbaar is vanwege alle gebeurtenissen uit het verleden, is voor de rechtbank onduidelijk in hoeverre de vrouw deze toestemming kan geven en de minderjarige kan stimuleren. 3.1.9. Artikel 1:250 BW bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden over de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om de minderjarige zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen als de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen. 3.1.10. Gebleken is dat zich een belangenstrijd in de zin van het hiervoor genoemde artikel voordoet. De rechtbank ziet de strijd vooral in het krachtenveld waarin de minderjarige zich lijkt te bevinden: aan de ene kant blijft haar vader, ondanks haar leeftijd, via een gerechtelijke procedure proberen om contact af te dwingen, terwijl voor hem, omdat ze elkaar ook wel eens tegenkomen, duidelijk moet zijn dat zij dat niet wil. Aan de andere kant staat de moeder van de minderjarige die met haar mond toestemming geeft voor contact maar mogelijk non verbaal of zelfs onbewust een andere boodschap afgeeft. En in dat krachtenveld staat een inmiddels bijna vijftienjarige die zelf ook echt wat mag vinden van de verzoeken die de man doet. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat dat een te grote taak is voor de minderjarige om alleen uit te voeren. Gelet op de aard van de belangenstrijd acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige noodzakelijk dat een onafhankelijke persoon het belang van de minderjarige zowel in als buiten rechte gaat vertegenwoordigen, alsook een luisterend oor kan bieden aan de minderjarige en haar kan helpen om haar eigen mening te bepalen en ook na te denken over de gevolgen daarvan. 3.1.11. De rechtbank zal de bijzondere curator ambtshalve benoemen met als opdracht de belangen van de minderjarige te behartigen en te onderzoeken wat de minderjarige eigenlijk zelf wil als het gaat om (het contact met) haar vader. Ook wordt de bijzondere curator verzocht te onderzoeken of er nu of in de toekomst mogelijkheden zijn voor contacten tussen de minderjarige en de vader en wat de wensen en behoeften zijn van de minderjarige in dat contact. Als dit mogelijk is, zou de bijzondere curator de minderjarige wellicht kunnen ondersteunen bij het contact, of, als dat niet in haar belang wordt geacht, haar kunnen helpen met het (mentaal) afsluiten van deze procedure, bijvoorbeeld door een gesprek met haar vader, een brief te schrijven aan haar vader of dit namens de minderjarige te doen. Als de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet, dan staat het haar vrij ook een advies uit te brengen over benodigde hulpverlening ten behoeve van de minderjarige of ouders. 3.1.12. De bijzondere curator wordt daarbij verzocht gesprekken te voeren met – in ieder geval, maar niet uitsluitend – de minderjarige, de moeder en de vader individueel. Het staat de bijzondere curator uiteraard vrij gesprekken te voeren met anderen die informatie over de minderjarige kunnen verstrekken. 3.1.13. D Naar het oordeel van de rechtbank is ook in het kader van de informatieregeling sprake van een belangenstrijd tussen ouders in de zin van artikel 1:250 BW. Aan de bijzondere curator wordt dan ook – aanvullend – verzocht te onderzoeken in hoeverre het belang van de minderjarige zich verzet tegen vaststelling van een informatieregeling en met de minderjarige te bespreken hoe zij hiernaar kijkt. 3.2.10. Ook dit verzoek van de man zal dus worden aangehouden in afwachting van het verslag van de bijzondere curator. 3.3. Brief aan [minderjarige] 3.3.1. Onderstaande tekst zal per brief aan de minderjarige worden toegezonden, zodat zij door de kinderrechter op de hoogte wordt gebracht van haar beslissing. ‘Beste [minderjarige] , Op 12 januari 2026 hebben wij elkaar gesproken. Ik heb toen met jou afgesproken te laten weten wat ik heb beslist en waarom. De beslissing is dat je een eigen advocaat krijgt die met jou in gesprek gaat over de verzoeken die je vader heeft gedaan. Dat betekent dus dat ik nog niet heb beslist over of er contact moet zijn en ook niet over of je moeder informatie over jou aan je vader moet geven. Die verzoeken van je vader leg ik in de kast totdat ik iets hoor van jouw advocaat. Eerst maar even over die advocaat, voordat ik uitleg waarom ik dit heb beslist. Die advocaat noemen we ‘bijzondere curator’. Zij, het is een vrouw, is er echt helemaal voor jou. Ze heet [naam 2] en haar kantoor zit in Dordrecht. Ik heb haar gekozen omdat ze zich altijd 100% voor jongeren inzet én ze ook nog eens dichtbij zit. [naam 2] zal contact met jou opnemen en dan met jou alles gaan bespreken. Zij heeft daar mee tijd voor dan ik. Je kunt alles aan haar vertellen. Wat je vertelt, zal zij niet doorvertellen, tenzij jij daarvoor toestemming geeft. [naam 2] heeft de mogelijkheid om, als jij dat oké vindt, ook met je vader en je moeder, apart, te praten. Maar ik vind het gesprek met jou het belangrijkst en dan vervolgens ook de vraag hoe verder. Bijvoorbeeld, daar hadden we het al over, dat je samen met [naam 2] een brief schrijft aan je vader of dat zji voor jou een brief schrijft aan je vader. En [minderjarige] : alles is oké! Je mag zeggen dat je wel contact wilt of geen contact. En [naam 2] gaat met jou op onderzoek uit waarom je wilt wat je wilt. Waarom beslis ik dit nou? Eerder heeft de raad onderzoek gedaan naar het contact tussen jou en je vader. En dat advies was: contact onder begeleiding. Dat is toen niet gebeurd. Ik zou nu kunnen beslissen: nou, dan nu maar contact onder begeleiding maar jij bent inmiddels ook ouder. En tijdens het gesprek was mijn indruk dat jij geen contact met je vader wilt. Ik zou nu ook kunnen beslissen dat er geen contact en geen informatie komt. Maar ik vraag me af of je daar iets mee opschiet. Ik ben bang dat er dan ook na mijn uitspraak nog lang onduidelijkheid blijft, bijvoorbeeld als je vader in hoger beroep gaat. Ik wil het liefste voor jou dat duidelijk wordt, voor jou maar vooral voor je vader (en moeder), wat jij echt wilt en wat er allemaal belangrijk is voor jou, en dat zo snel mogelijk. Ik denk dat [naam 2] daar het beste bij kan helpen. Ik snap heel goed dat ik daarmee wel iets van jou vraag. Want je vader wil iets en nou moet jij weer met iemand praten. Ik hoop dat je het toch als positief gaat zien. Dat we allemaal goed horen wat jij te zeggen hebt. En dat het duidelijkheid en opluchting gaat geven. En als een gesprek niet uitkomt omdat je toetsweek hebt, dan snapt [naam 2] dat echt wel en ik ook. Ik leg de verzoeken van jouw vader drie maanden in de kast, tot 1 juni 2026. Hopelijk kan ik daarna een beslissing nemen. Maar als er meer tijd nodig is, dan kan dat ook. En als het na een week al duidelijk is, dan hoor ik dat wel van [naam 2] . Want ik snap ook dat het vervelend is dat het al zo lang loopt. [minderjarige] , ik hoop dat je tegen [naam 2] net zo open kunt zijn als tegen mij. Want dat heb je hartstikke goed gedaan. Je mag trots zijn op jezelf! Groet van de kinderrechter’ 3.4. Proces