Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-13
ECLI:NL:RBROT:2026:112
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/8429 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen Oort Pluimveehouderij V.O.F., uit Bergentheim, eiseres (gemachtigde: [naam 1]), en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit , verweerder, (gemachtigde: mr. A.F. Kabiri). Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 1.275,- die verweerder met het besluit van 15 maart 2024 (het boetebesluit) aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met die boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die boete. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat is vast komen te staan dat eiseres de haar verweten overtreding heeft begaan, maar dat de boete vanwege tijdsverloop verder gematigd dient te worden. Eiseres krijgt dus gelijk voor zover het de hoogte van de boete betreft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. 2.1. Met het boetebesluit heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 1.275,-. Met het bestreden besluit van 26 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Tevens zijn verschenen [naam 2], toezichthoudend dierenarts, en [naam 3], coördinerend specialistisch inspecteur bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 28 juni 2023 is opgemaakt en ondertekend door een toezichthouder van de NVWA (het rapport). In het rapport staat onder meer het volgende:“Bevinding(en):Datum en tijdstip van de bevinding: 4 oktober 2022, omstreeks 08:30 uur. Tijdens mijn regulier toezicht bevond ik mij rond 08:30 uur in de aanvoerhal van Plukon Dedemsvaart B.V., waar ik de geloste containers met kuikens controleerde. Ik zag meerdere erg volle lades in de twee na laatste geloste stapel containers van wagen 33. Dat de containers van wagen 33 waren, bleek mij uit het feit dat er een bordje met het wagennummer aan de eerste stapel met containers van de rij hing (zie foto 1). Op de daglijst vervoer zag ik dat dit de laatste wagen van koppel 4 was (volgnummer 12) en dat de kuikens afkomstig waren uit stal 2 van “Oort V.O.F.” uit Bergentheim (zie bijlage daglijst vervoer (de 1e wagen 33 met volgnummer 5 was al om 02:15 uur op het slachthuis en was al geslacht om 08:30 uur)). Ik zag dat de lades van de twee na laatste geloste stapel containers erg vol waren met kuikens in vergelijking met de andere ook al redelijk volle lades in de containers afkomstig van wagen 33 (zie foto's 2 t/m 11 en foto's 13 t/m 17 en de 5 filmpjes). Verder zag ik in de erg volle lades dat de kuikens die al dicht op elkaar zaten ook nog eens extreem aan het hijgen waren van warmte/benauwdheid, de koppen naar buiten staken (zie foto 7) en meer onrust vertoonden dan de kuikens in de minder volle lades in deze containers. In de laatste stapel van wagen 33 was één lade helemaal leeg en één lade bijna leeg op 1 kuiken na (zie foto 12). Ik heb de Poultry Welfare Officer (PWO), dit voorval gemeld. Ik heb met hem, gezamenlijk de kuikens uit de twee bovenste lades van de onderste container en de tweede lade van de bovenste container van de twee na laatste stapel van wagen 33 met volgnummer 12 geteld en overgeplaatst naar een lege container. Er zaten in totaal respectievelijk 38, 42 en 49 kuikens in deze volle lades. Volgens de daglijst vervoer (zie bijlage daglijst vervoer) waren er 32 kuikens per Evenmin heeft eiseres de bevindingen en berekeningen van de toezichthouder betwist. Hoewel eiseres er terecht op wijst dat het onwenselijk lang heeft geduurd voordat de toezichthouder het rapport heeft opgesteld, leidt dit niet tot het oordeel dat verweerder het rapport vanwege tijdsverloop niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op basis van het rapport op het standpunt kunnen stellen dat eiseres de haar verweten overtreding heeft begaan. De omstandigheid dat slechts drie lades waren overbeladen en de rest niet, doet niet af aan de geconstateerde overtreding. 6. Eiseres betoogt dat haar van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt. Daartoe wijst zij erop dat zij samenwerkt met een professionele vervoerder en dat de chauffeur duidelijke instructies heeft gekregen. De chauffeur had de overbelading dan ook tijdens het laden moeten zien. Het is volgens eiseres dan ook terecht dat de vervoerder is beboet. Volgens eiseres heeft verweerder ten onrechte ook haar een boete opgelegd. 6.1. De rechtbank overweegt dat het vangen en laden van kuikens een met de verplaatsing samenhangende activiteit is waarop de Transportverordening van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden geconcludeerd dat de overtreding eiseres niet of verminderd kan worden verweten omdat (ook) de vervoerder is beboet. Het gaat hier om de constatering dat er te veel kuikens in een aantal lades van de containers zaten. Eiseres was verantwoordelijk voor het welzijn van de kuikens en ook voor de wijze waarop deze kuikens op haar bedrijf werden gevangen en in containers zijn geladen, door een vangploeg die eiseres daarvoor zelf had ingeschakeld. De vervoerder heeft zijn eigen verantwoordelijkheid. Dat de vervoerder een boete opgelegd heeft gekregen, maakt niet dat eiseres niet meer kon worden beboet. 7. 7.1. Eiseres heeft er in beroep op gewezen dat het rapport pas acht maanden na de constatering is opgesteld en dat zij daarvan vervolgens pas op 29 januari 2024 op de hoogte is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit tijdsverloop er niet toe dat verweerder niet langer bevoegd was een boete op te leggen. Ook het overschrijden van de termijn als bedoeld in artikel 5:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) leidt niet tot het vervallen van de bevoegdheid een boete op te leggen. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres door dit tijdsverloop in haar belangen of bewijspositie is geschaad. Zij had met de uitgebreide bevindingen in het rapport voldoende feitenmateriaal om de bevindingen van de toezichthouder te kunnen tegenspreken. 7.2. Wel bestaat aanleiding om de boete aanvullend te matigen. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat de NVWA inmiddels de Werkinstructie matiging langdurige processen hanteert op grond waarvan een boete bij overschrijding van de primaire beslistermijn met 10% wordt gematigd. Toepassing van dit nieuwe beleid betekent volgens verweerder in dit geval dat de reeds met 15% gematigde boete met nog eens 10% moet worden gematigd tot een bedrag van € 1.147,50. Hoewel de rechtbank in de werkinstructie leest dat in gevallen van cumulatie van de twee matigingssituaties (te laat in kennis stellen en overschrijding van de primaire beslistermijn) wordt gematigd met in totaal 20%, zal de rechtbank de boete op het door verweerder genoemde bedrag vaststellen nu het hier gaat om een afwijking ten gunste van eiseres. Voor verdere matiging ziet de rechtbank geen aanleiding. Conclusie en gevolgen 8. Gelet op het vorenstaande is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en houdt dit besluit geen stand voor wat betreft de boetehoogte. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien. Het primaire besluit zal worden herroepen voor wat betreft de boetehoogte en het boetebedrag zal, gelet op artikel 8:72a van de Awb, worden vastgesteld op € 1.147,50. 9. Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaald