Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-06
ECLI:NL:RBROT:2026:1037
RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11730412 VZ VERZ 25-4055 datum uitspraak: 6 februari 2026 Beschikking van de kantonrechter op grond van artikel 96 Rv in de zaak van [verzoekster] , woonplaats: Huizen, verzoekster, gemachtigden: mrs. L.M. Wezenbeek en L.J.P. van der Werf, en [verweerder] , woonplaats: Haarlem, verweerder, gemachtigde: mr. dr. E.J.A. Franssen. De partijen worden hierna ‘verzoekster’ en ‘verweerder’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het verzoek van verzoekster, met bijlagen; het verweer van verweerder; de schriftelijke reactie van verzoekster, met bijlage; de schriftelijke reactie van verweerder. 1.2. Op verzoek van de partijen hebben zij hun standpunten schriftelijk naar voren gebracht en heeft geen zitting plaatsgevonden. 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. Verzoekster is een pgb-zorgverlener. Zij heeft op basis van een arbeidsovereenkomst op minder dan vier dagen per week zorg verleend aan haar meervoudige gehandicapte neef, de zoon van verweerder. Verweerder is de pgb-budgetvertegenwoordiger en bewindvoerder. Inmiddels is hij ook erfgenaam, aangezien zijn zoon is overleden. Verzoekster valt onder de Regeling Dienstverlening aan Huis. Verzoekster werd via de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) betaald vanuit het persoonsgebonden budget (hierna: pgb) van haar neef. Verzoekster heeft zich op 27 september 2023 ziek gemeld. De eerste zes weken na de ziekmelding is het loon aan verzoekster doorbetaald. Daarna is de loonbetaling gestopt. Verzoekster vindt dat zij niet zes maar 104 weken recht heeft op loon (70%). Volgens verzoekster is sprake van verboden indirecte discriminatie op grond van geslacht en is de wettelijke bepaling op grond waarvan zij tijdens ziekte maar zes weken recht heeft op loon in strijd met Europees en Internationaal recht. Volgens verzoekster bestaat hiervoor geen objectieve rechtvaardiging. Daarom moet de bepaling buiten toepassing blijven en heeft zij op grond van de hoofdregel tijdens ziekte recht 104 weken recht op loon. Verweerder is het hiermee niet eens. Volgens hem is geen sprake van indirecte discriminatie op grond van geslacht. Maar als dat toch zo is, bestaat hier volgens hem een objectieve rechtvaardiging voor. Verweerder voert ook aan dat verzoekster in aanmerking komt voor een Ziektewetuitkering. Verweerder vindt dat de bepaling over de verkorte loondoorbetalingsperiode geldig is en dat hij na zes weken ziekte het loon niet langer hoeft door te betalen. De kantonrechter vindt dat partijen op dit moment onvoldoende belang hebben bij het antwoord op de vraag of de verkorte loondoorbetaling tijdens ziekte buiten toepassing moet blijven, omdat sprake zou zijn van indirecte discriminatie op grond van geslacht. De reden is dat verzoekster waarschijnlijk recht heeft op een Ziektewetuitkering. Dit wordt hierna uitgelegd. Het gezamenlijk verzoek van partijen 2.2. Partijen hebben zich op grond van artikel 96 Rv samen tot de kantonrechter gewend met het verzoek een oordeel te geven over de volgende vragen: “1. Levert de Regeling dienstverlening aan huis, en meer specifiek artikel 7:629 lid 2 aanhef en onder a BW, verboden indirecte discriminatie voor vrouwen op en zou deze Regeling dientengevolge buiten toepassing moeten worden gelaten voor verzoekster? 2. Indien de Regeling dienstverlening aan huis, en meer specifiek artikel 7:629 lid 2 aanhef en onder a BW, inderdaad verboden indirecte discriminatie voor vrouwen oplevert en dientengevolge buiten toepassing zou moeten worden gelaten voor verzoekster, is dan de hoofdregel van artikel 7:629 lid 1 BW van toepassing op verzoekster met als gevolg dat zij recht heeft op een bedrag ter hoogte van EUR 13.694,06, vermeerderd met de wettelijke rente en wettelijke verhoging vanaf de datum dat verweerder de loondoorbetaling aan verzoekster heeft beëindigd (8 november 2023)?” 2.3. Partijen hebben zich de mogelijkheid van hoger beroep voorbehouden. Wat beslist de kantonrechter?