Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-09
ECLI:NL:RBROT:2025:9911
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,664 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11452415 CV EXPL 24-31830
datum uitspraak: 9 mei 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
gevestigd te [plaats] ,
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde] van Van Houwelingen & Partners Gerechtsdeurwaarders & Incasso te Vlaardingen,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert, zonder bijstand van een gemachtigde.
Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 3 december 2024, met bijlagen;
de aantekeningen van het mondelinge antwoord van 17 december 2024;
de aantekeningen van het mondelinge antwoord van 14 januari 2025, met bijlagen;
de akte van [eiseres] , met bijlage.
1.2.
Op 10 april 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [gemachtigde] de gemachtigde van [eiseres] aanwezig was. [gedaagde] was, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt vanaf 7 augustus 2019 een woning van [eiseres] . De huur is nu € 640,69 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. [eiseres] vordert dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen, maar hoeft de woning niet te verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom de kantonrechter tot deze beslissing gekomen is.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 1.809,14 betalen
2.2.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 1.809,14 aan [eiseres] te betalen. De kantonrechter stelt vast dat dit de huurachterstand was op het moment van de zitting, berekend tot en met de maand april 2025.
De huurovereenkomst wordt niet ontbonden
2.3.
De huurovereenkomst wordt niet ontbonden, omdat de kantonrechter de huurachterstand niet ernstig genoeg vindt om de huurovereenkomst te beëindigen (artikel 6:265 BW). Meestal is ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd bij een achterstand van meer dan drie maanden. De huurachterstand bedraagt in dit geval drie huurtermijnen. Hoewel gebleken is dat [gedaagde] de huur niet altijd op tijd betaalt, is de kantonrechter van oordeel dat dit geen omstandigheid is die maakt dat de huurovereenkomst om die reden alsnog ontbonden moet worden. De kantonrechter weegt ook mee dat de huurachterstand in de loop van de procedure is afgenomen en [gedaagde] dus kennelijk van goede wil is om de huurachterstand in te lopen.
[gedaagde] hoeft de woning niet te ontruimen en geen gebruiksvergoeding te betalen.
2.4.
Omdat de huurovereenkomst niet wordt ontbonden, hoeft [gedaagde] de woning niet te ontruimen en ook geen gebruiksvergoeding te betalen. Uiteraard is [gedaagde] wel gehouden de huur te betalen vanaf 1 mei 2025 zolang de huurovereenkomst voortduurt.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen
2.5.
De bepaling over de buitengerechtelijke kosten is oneerlijk. De bepaling wijkt namelijk in het nadeel van de consument af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW) of wekt die indruk. Een bepaling die de handelaar recht geeft op buitengerechtelijke kosten is op zich toegestaan, maar dan moet wel zijn voldaan aan de volgende voorwaarden. De bepaling mag de handelaar geen recht geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. Wel is toegestaan dat in de bepaling geen bedragen worden genoemd of als voor de hoogte van de vergoeding wordt verwezen naar de wet. De bepaling moet ook niet de indruk wekken dat de handelaar eerder dan op grond van de wet recht krijgt op een vergoeding. Als er iets staat over het moment waarop de kosten verschuldigd worden, dan moet uit de bepaling dus blijken dat de consument die vergoeding pas verschuldigd wordt nadat hij nog een kans heeft gekregen om binnen veertien dagen alsnog te betalen. Aan deze voorwaarden is hier niet voldaan. De bepaling is daarom oneerlijk zodat de vergoeding voor incassokosten wordt afgewezen.
Verder geen oneerlijke bepalingen
2.6.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet rente betalen
2.7.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
De rente wordt toegewezen zoals onder de beslissing vermeld.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 137,39 aan dagvaardingskosten, € 496,00 aan griffierecht, € 476,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 238,00) en € 119,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.228,39. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat vordert en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 1.809,14 ter zake van de huurachterstand, berekend tot en met de maand april 2025, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag dat op 29 november 2024 openstond aan huurachterstand tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.228,39.
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
62574
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11452415 CV EXPL 24-31830
datum uitspraak: 9 mei 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
gevestigd te [plaats] ,
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde] van Van Houwelingen & Partners Gerechtsdeurwaarders & Incasso te Vlaardingen,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert, zonder bijstand van een gemachtigde.
Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 3 december 2024, met bijlagen;
de aantekeningen van het mondelinge antwoord van 17 december 2024;
de aantekeningen van het mondelinge antwoord van 14 januari 2025, met bijlagen;
de akte van [eiseres] , met bijlage.
1.2.
Op 10 april 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [gemachtigde] de gemachtigde van [eiseres] aanwezig was. [gedaagde] was, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt vanaf 7 augustus 2019 een woning van [eiseres] . De huur is nu € 640,69 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. [eiseres] vordert dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen, maar hoeft de woning niet te verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom de kantonrechter tot deze beslissing gekomen is.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 1.809,14 betalen
2.2.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 1.809,14 aan [eiseres] te betalen. De kantonrechter stelt vast dat dit de huurachterstand was op het moment van de zitting, berekend tot en met de maand april 2025.
De huurovereenkomst wordt niet ontbonden
2.3.
De huurovereenkomst wordt niet ontbonden, omdat de kantonrechter de huurachterstand niet ernstig genoeg vindt om de huurovereenkomst te beëindigen (artikel 6:265 BW). Meestal is ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd bij een achterstand van meer dan drie maanden. De huurachterstand bedraagt in dit geval drie huurtermijnen. Hoewel gebleken is dat [gedaagde] de huur niet altijd op tijd betaalt, is de kantonrechter van oordeel dat dit geen omstandigheid is die maakt dat de huurovereenkomst om die reden alsnog ontbonden moet worden. De kantonrechter weegt ook mee dat de huurachterstand in de loop van de procedure is afgenomen en [gedaagde] dus kennelijk van goede wil is om de huurachterstand in te lopen.
[gedaagde] hoeft de woning niet te ontruimen en geen gebruiksvergoeding te betalen.
2.4.
Omdat de huurovereenkomst niet wordt ontbonden, hoeft [gedaagde] de woning niet te ontruimen en ook geen gebruiksvergoeding te betalen. Uiteraard is [gedaagde] wel gehouden de huur te betalen vanaf 1 mei 2025 zolang de huurovereenkomst voortduurt.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen
2.5.
De bepaling over de buitengerechtelijke kosten is oneerlijk. De bepaling wijkt namelijk in het nadeel van de consument af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW) of wekt die indruk. Een bepaling die de handelaar recht geeft op buitengerechtelijke kosten is op zich toegestaan, maar dan moet wel zijn voldaan aan de volgende voorwaarden. De bepaling mag de handelaar geen recht geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. Wel is toegestaan dat in de bepaling geen bedragen worden genoemd of als voor de hoogte van de vergoeding wordt verwezen naar de wet. De bepaling moet ook niet de indruk wekken dat de handelaar eerder dan op grond van de wet recht krijgt op een vergoeding. Als er iets staat over het moment waarop de kosten verschuldigd worden, dan moet uit de bepaling dus blijken dat de consument die vergoeding pas verschuldigd wordt nadat hij nog een kans heeft gekregen om binnen veertien dagen alsnog te betalen. Aan deze voorwaarden is hier niet voldaan. De bepaling is daarom oneerlijk zodat de vergoeding voor incassokosten wordt afgewezen.
Verder geen oneerlijke bepalingen
2.6.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet rente betalen
2.7.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
De rente wordt toegewezen zoals onder de beslissing vermeld.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 137,39 aan dagvaardingskosten, € 496,00 aan griffierecht, € 476,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 238,00) en € 119,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.228,39. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat vordert en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 1.809,14 ter zake van de huurachterstand, berekend tot en met de maand april 2025, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag dat op 29 november 2024 openstond aan huurachterstand tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.228,39.
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
62574