Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-08-07
ECLI:NL:RBROT:2025:9881
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,056 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5658
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. G. Grijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. A.J. Wintjes).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over verzoekers aanvraag voor een urgentieverklaring.
Het college heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 23 juni 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
1.2.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft om medische redenen een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend.
Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet aan het vereiste voldoet dat hij in een zelfstandige woning in de regio [plaats] woont. Uit onderzoek is gebleken dat verzoeker inwonend is bij zijn stiefvader.
Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij wordt behandeld als ware in het bezit van een urgentieverklaring totdat op zijn bezwaarschrift is beslist.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. De voorwaarden voor het verkrijgen van een urgentieverklaring in de regio [plaats] staan in de Verordening woonruimtebemiddeling regio [plaats] 2024 (Verordening 2024). Deze verordening is ingetrokken en momenteel geldt de Verordening 2025. Gelet op het in deze Verordening 2025 opgenomen overgangsrecht is in deze procedure de Verordening 2024 van toepassing.
Eén van de voorwaarden van de urgentiegrond medische noodzaak is dat de aanvrager rechtmatig zelfstandige woonruimte bewoont. Niet in geschil is dat verzoeker ten tijde van zijn aanvraag niet beschikte over zelfstandige woonruimte. Dit betekent dat hij niet voldoet aan de voorwaarde die wordt gesteld voor een urgentieverklaring op de grond medische noodzaak. Het college was daarom gehouden om verzoekers aanvraag voor een urgentieverklaring af te wijzen op grond van de ten tijde van het bestreden besluit geldende regelgeving.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat zij geen voorlopige voorziening zal treffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2025 door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie hiervoor artikel 6.1.2, eerste lid, van de Verordening woonruimtebemiddeling regio [plaats] 2025.
Dit staat in artikel 5.1, aanhef en onder a, van Bijlage 1 bij de Verordening 2024.