Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-04
ECLI:NL:RBROT:2025:9821
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
6,196 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 7517785 VZ VERZ 19-1637
datum uitspraak: 4 juli 2025
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekers]
,
woonplaats: Nijkerk,
verzoekers,
verweerders in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
gemachtigde: mr. A. Kouwenaar-de Coninck,
tegen
[verweerster]
,
vestigingsplaats: Numansdorp,
verweerster,
verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
gemachtigde: mr. D.M.A. Oud.
De partijen worden ‘[verzoekers]’ en ‘[verweerster]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift ontvangen op 6 februari 2019, met bijlagen;
het verweerschrift, met bijlagen;
de akte van [verzoekers], met bijlagen;
de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen overgelegd ter zitting van
27 maart 2019;
de tussenbeschikking van 24 april 2019, waarin kort gezegd de verzoeken en de tegenverzoeken voor zover mogelijk beoordeeld zijn, maar de beslissing aangehouden is in afwachting van het eindarrest van Gerechtshof Den Haag in het hoger beroep van [verweerster] tegen het tussenvonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam van 18 mei 2018 in de zaak tussen partijen met zaaknummer 6485325 CV EXPL 17-40420;
de brief van [verzoekers], waarin verzocht is om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken en alvast bedragen aan transitievergoeding en billijke vergoeding toegekend te krijgen;
de reactie daarop van [verweerster];
de tussenbeschikking van 9 december 2020;
de brief van [verzoekers], ontvangen op 24 april 2024, met bijlagen, waaronder het eindarrest van Gerechtshof Den Haag van 7 november 2023 in voormeld hoger beroep;
de reactie daarop van [verweerster], met bijlagen;
de brieven over het overlijden van [verzoekers] op 8 augustus 2024, met bijlagen;
de reacties daarop van [verweerster];
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verzoekers].
1.2.
Op 20 mei 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [persoon 1], de weduwe van [verzoekers], bijgestaan door de tolk in de Poolse taal [persoon 2] ([nummer]), met [persoon 3], voor [verweerster], en met de gemachtigden.
1.3.
Ter zitting is ook besproken voormelde zaak met zaaknummer 6485325 CV EXPL 17-40420 waarin heden eveneens uitspraak wordt gedaan.
Beoordeling
Inleiding
2.1.
Naar aanleiding van het overlijden van [verzoekers] op 8 augustus 2024 hebben de erven als rechtsopvolger de procedure overgenomen, vertegenwoordigd door [persoon 1] als executrice.
2.2.
In de tussenbeschikking van 24 april 2019 is de beslissing op de verzoeken van partijen aangehouden in afwachting van het eindarrest van Gerechtshof Den Haag in voormeld hoger beroep in de zaak met zaaknummer 6485325 CV EXPL 17-40420. Die zaak betreft een loonvordering met nevenvorderingen. Het oordeel daarover is van belang voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding en de billijke vergoeding.
2.3.
In de tussenbeschikking van 9 december 2020 is de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekers] en [verweerster] voorwaardelijk ontbonden, namelijk voor het geval [verzoekers] zijn verzoek niet zou intrekken. Dat laatste is niet gebeurd, zodat de ontbinding effect heeft gesorteerd. De reden voor de ontbinding is geweest dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. In verband met ziekte en de vrees dat [verzoekers] voor het einde van de procedure zou komen te overlijden zijn hem voorschotten toegekend op de transitievergoeding en de billijke vergoeding van elk € 5.000,- bruto. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en iedere verdere beslissing is aangehouden.
2.4.
Op 7 november 2023 heeft het Gerechtshof Den Haag een eindarrest gewezen in het hoger beroep.
Waar gaat het nu nog om?
Het verzoek
2.5.
De door [verzoekers] verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst is al uitgesproken. Er moet nog beslist worden over de transitievergoeding, de billijke vergoeding, de salarisspecificaties, de gemaakte kosten voor de inschakeling van [persoon 4] en de proceskosten. Het verzoek tot pensioenafdracht is ingetrokken in deze zaak.
Transitievergoeding
2.6.
[verzoekers] heeft aan transitievergoeding bij verzoekschrift een bedrag van € 31.042,- bruto verzocht. In de op 2 mei 2025 gedateerde akte wordt hiervoor een bedrag genoemd van € 19.154,05, en ter zitting € 40.994,38 bruto. Om de redenen genoemd in het eindvonnis in de zaak met zaaknummer 6485325 CV EXPL 17-40420 neemt de kantonrechter als uitgangspunt voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding het basisloon waarop [verzoekers] ten tijde van het einde van de arbeidsovereenkomst op 20 december 2020 recht zou hebben gehad als hij toen niet ziek zou zijn geweest plus het bedrag dat hij gemiddeld per maand extra verdiende in verband met het grote aantal overuren dat hij werkte in de twaalf maanden voorafgaand aan zijn uitval. Wat betreft voormeld basisloon gaat [verzoekers] uit van € 2.144,- bruto per maand en 8% vakantietoeslag. Dat basisloon heeft [verzoekers] gebaseerd op een uurloon van € 13,02 maal 164,67 uur per maand bij een werkweek van 38 uur. Daarbij is toepassing gegeven aan het eindarrest van het Gerechtshof Den Haag waarin voor recht is verklaard dat [verzoekers] de functie van P.07 Productiemedewerker II niveau II vervulde bij [verweerster]. Wat [verweerster] ter zitting heeft aangevoerd, geeft geen reden om hieraan te twijfelen. Eerder is zij uitgegaan van een hoger bedrag aan basisuurloon. Daarom wordt in navolging van [verzoekers] uitgegaan van een basisloon van
€ 2.144,- bruto per maand en 8% vakantietoeslag. Daarbovenop komt nog € 884,56 bruto per maand in verband met overuren eveneens met 8% vakantietoeslag.
2.7.
De begindatum van de arbeidsovereenkomst, te weten 26 mei 2003, is niet langer in geschil, zodat ook daarvan zal worden uitgegaan.
2.8.
Onderkend wordt dat het verzoek dateert van vóór 1 januari 2020 toen het bepaalde in artikel 7:673a lid 1 BW nog gold voor werknemers ouder dan 50 jaar, zoals [verzoekers] die geboren is op [geboortedatum] 1960, met een dienstverband van meer dan 120 maanden. Die bepaling is op grond van lid 2 echter niet van toepassing op de werkgever die minder dan 25 werknemers in dienst heeft. Vastgesteld wordt dat dit bij [verweerster] het geval is geweest, want in het verzoekschrift is vermeld dat daar gemiddeld 15 werknemers werkten. Gesteld noch gebleken is dat dit nadien anders is geweest en dat in de tweede helft van 2019 gemiddeld 25 of meer werknemers bij [verweerster] in dienst waren, terwijl [verweerster] betwist dat aanspraak bestaat op de hogere transitievergoeding voor oudere werknemers. Daarom is lid 1 van genoemd artikel niet van toepassing.
2.9.
Uitgaande van de begin- en einddatum van de arbeidsovereenkomst en genoemde loonbestanddelen stelt de kantonrechter de transitievergoeding waarop [verzoekers] recht heeft vast op € 19.157,46 bruto. Dat is bijna hetzelfde bedrag als [verzoekers] becijferd heeft in bijlage 38, overgelegd in de zaak met zaaknummer 6485325 CV EXPL 17-40420. Dit bedrag kan worden toegewezen. Het bedrag van € 5.000,- aan voorschot op de transitievergoeding, dat reeds is uitbetaald, zal verrekend worden met het bedrag van € 19.157,46 bruto, zodat uiteindelijk nog € 14.157,46 bruto uitbetaald moet worden.
Billijke vergoeding
2.10.
[verzoekers] verzoekt aan billijke vergoeding een bedrag van € 116.208,- bruto. Aan billijke vergoeding wordt een bedrag van € 7.500,- toegekend, omdat de kantonrechter van oordeel is dat [verzoekers] daarop aanspraak heeft in verband met het ernstig verwijtbaar handelen en nalaten door [verweerster], zoals verwoord in tussenbeschikking van
24 april 2019. Dat [verzoekers] hierop aanspraak heeft volgt ook uit de tussenbeschikking van
9 december 2020, waarbij het bedrag van € 5.000,- aan voorschot op de billijke vergoeding is toegekend, dat reeds is uitbetaald. Dat bedrag zal verrekend worden met het bedrag van
€ 7.500,- bruto, zodat uiteindelijk nog € 2.500,- bruto uitbetaald moet worden.
2.11.
Het toe te wijzen bedrag aan billijke vergoeding is aanzienlijk minder dan waarom verzocht is, maar dat komt doordat het verzoek onvoldoende is onderbouwd en de kantonrechter de argumenten die [verzoekers] hieraan wel ten grondslag heeft gelegd grotendeels niet deelt. Dat [verweerster] over een periode van negen jaar tot aan het pensioen van [verzoekers] zijn loon zou moeten aanvullen uitgaande van zijn verdiencapaciteit vermeerderd tot het niveau van het loon dat hij bij [verweerster] zou hebben verdiend, vindt de kantonrechter niet billijk. Onwaarschijnlijk is dat [verzoekers] tot aan zijn pensioen zou hebben doorgewerkt bij [verweerster] als geen sprake zou zijn geweest van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten, waaronder het niet naleven van re-integratieverplichtingen door [verweerster]. In verband met dat laatste is [verweerster] al een loonsanctie opgelegd door het UWV waardoor [verweerster] een jaar langer loon heeft moeten betalen aan [verzoekers]. Er is dus al sprake geweest van drie jaar loonbetaling tijdens ziekte. Arbeidsrechtelijk zijn wat zaken niet goed gegaan, maar dat zou er niet aan in de weg hebben gestaan om, als deze ontbindingsprocedure niet zou hebben gespeeld, met succes te kunnen aansturen op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in verband met de langdurige uitval door ziekte en het eindigen van de loondoorbetalingsverplichting begin 2020. In het verzoekschrift is verwoord dat [verzoekers] belemmerd wordt bij het vinden van ander werk door zijn lage opleiding, zijn eenzijdige arbeidsverleden bij [verweerster], en zijn beperkte kennis van de Nederlandse taal. Deze omstandigheden kunnen echter, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet worden toegerekend aan [verweerster].
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [verweerster]:
tot betaling aan [verzoekers] van € 14.157,46 bruto aan transitievergoeding (zijnde het bedrag van € 19.157,46 bruto minus het bedrag van € 5.000,- bruto aan voorschot);
tot betaling aan [verzoekers] van € 2.500,- bruto aan billijke vergoeding (zijnde het bedrag van € 7.500,- bruto minus het bedrag van € 5.000,- bruto aan voorschot);
tot verstrekking aan [verzoekers] van een deugdelijke bruto/netto salarisspecificatie van deze betalingen met de verrekening van de bedragen die al betaald zijn;
3.2.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoekers] worden begroot op € 1.302,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465
Artikel 7:686a lid 6 en 7 BW.
Verweerschrift randnummer 20.
Zie overwegingen 4.2 tot en met 4.11 en overweging 4.17.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 7517785 VZ VERZ 19-1637
datum uitspraak: 4 juli 2025
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekers]
,
woonplaats: Nijkerk,
verzoekers,
verweerders in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
gemachtigde: mr. A. Kouwenaar-de Coninck,
tegen
[verweerster]
,
vestigingsplaats: Numansdorp,
verweerster,
verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
gemachtigde: mr. D.M.A. Oud.
De partijen worden ‘[verzoekers]’ en ‘[verweerster]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift ontvangen op 6 februari 2019, met bijlagen;
het verweerschrift, met bijlagen;
de akte van [verzoekers], met bijlagen;
de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen overgelegd ter zitting van
27 maart 2019;
de tussenbeschikking van 24 april 2019, waarin kort gezegd de verzoeken en de tegenverzoeken voor zover mogelijk beoordeeld zijn, maar de beslissing aangehouden is in afwachting van het eindarrest van Gerechtshof Den Haag in het hoger beroep van [verweerster] tegen het tussenvonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam van 18 mei 2018 in de zaak tussen partijen met zaaknummer 6485325 CV EXPL 17-40420;
de brief van [verzoekers], waarin verzocht is om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken en alvast bedragen aan transitievergoeding en billijke vergoeding toegekend te krijgen;
de reactie daarop van [verweerster];
de tussenbeschikking van 9 december 2020;
de brief van [verzoekers], ontvangen op 24 april 2024, met bijlagen, waaronder het eindarrest van Gerechtshof Den Haag van 7 november 2023 in voormeld hoger beroep;
de reactie daarop van [verweerster], met bijlagen;
de brieven over het overlijden van [verzoekers] op 8 augustus 2024, met bijlagen;
de reacties daarop van [verweerster];
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verzoekers].
1.2.
Op 20 mei 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [persoon 1], de weduwe van [verzoekers], bijgestaan door de tolk in de Poolse taal [persoon 2] ([nummer]), met [persoon 3], voor [verweerster], en met de gemachtigden.
1.3.
Ter zitting is ook besproken voormelde zaak met zaaknummer 6485325 CV EXPL 17-40420 waarin heden eveneens uitspraak wordt gedaan.
Beoordeling
Inleiding
2.1.
Naar aanleiding van het overlijden van [verzoekers] op 8 augustus 2024 hebben de erven als rechtsopvolger de procedure overgenomen, vertegenwoordigd door [persoon 1] als executrice.
2.2.
In de tussenbeschikking van 24 april 2019 is de beslissing op de verzoeken van partijen aangehouden in afwachting van het eindarrest van Gerechtshof Den Haag in voormeld hoger beroep in de zaak met zaaknummer 6485325 CV EXPL 17-40420. Die zaak betreft een loonvordering met nevenvorderingen. Het oordeel daarover is van belang voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding en de billijke vergoeding.
2.3.
In de tussenbeschikking van 9 december 2020 is de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekers] en [verweerster] voorwaardelijk ontbonden, namelijk voor het geval [verzoekers] zijn verzoek niet zou intrekken. Dat laatste is niet gebeurd, zodat de ontbinding effect heeft gesorteerd. De reden voor de ontbinding is geweest dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. In verband met ziekte en de vrees dat [verzoekers] voor het einde van de procedure zou komen te overlijden zijn hem voorschotten toegekend op de transitievergoeding en de billijke vergoeding van elk € 5.000,- bruto. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en iedere verdere beslissing is aangehouden.
2.4.
Op 7 november 2023 heeft het Gerechtshof Den Haag een eindarrest gewezen in het hoger beroep.
Waar gaat het nu nog om?
Het verzoek
2.5.
De door [verzoekers] verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst is al uitgesproken. Er moet nog beslist worden over de transitievergoeding, de billijke vergoeding, de salarisspecificaties, de gemaakte kosten voor de inschakeling van [persoon 4] en de proceskosten. Het verzoek tot pensioenafdracht is ingetrokken in deze zaak.
Transitievergoeding
2.6.
[verzoekers] heeft aan transitievergoeding bij verzoekschrift een bedrag van € 31.042,- bruto verzocht. In de op 2 mei 2025 gedateerde akte wordt hiervoor een bedrag genoemd van € 19.154,05, en ter zitting € 40.994,38 bruto. Om de redenen genoemd in het eindvonnis in de zaak met zaaknummer 6485325 CV EXPL 17-40420 neemt de kantonrechter als uitgangspunt voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding het basisloon waarop [verzoekers] ten tijde van het einde van de arbeidsovereenkomst op 20 december 2020 recht zou hebben gehad als hij toen niet ziek zou zijn geweest plus het bedrag dat hij gemiddeld per maand extra verdiende in verband met het grote aantal overuren dat hij werkte in de twaalf maanden voorafgaand aan zijn uitval. Wat betreft voormeld basisloon gaat [verzoekers] uit van € 2.144,- bruto per maand en 8% vakantietoeslag. Dat basisloon heeft [verzoekers] gebaseerd op een uurloon van € 13,02 maal 164,67 uur per maand bij een werkweek van 38 uur. Daarbij is toepassing gegeven aan het eindarrest van het Gerechtshof Den Haag waarin voor recht is verklaard dat [verzoekers] de functie van P.07 Productiemedewerker II niveau II vervulde bij [verweerster]. Wat [verweerster] ter zitting heeft aangevoerd, geeft geen reden om hieraan te twijfelen. Eerder is zij uitgegaan van een hoger bedrag aan basisuurloon. Daarom wordt in navolging van [verzoekers] uitgegaan van een basisloon van
€ 2.144,- bruto per maand en 8% vakantietoeslag. Daarbovenop komt nog € 884,56 bruto per maand in verband met overuren eveneens met 8% vakantietoeslag.
2.7.
De begindatum van de arbeidsovereenkomst, te weten 26 mei 2003, is niet langer in geschil, zodat ook daarvan zal worden uitgegaan.
2.8.
Onderkend wordt dat het verzoek dateert van vóór 1 januari 2020 toen het bepaalde in artikel 7:673a lid 1 BW nog gold voor werknemers ouder dan 50 jaar, zoals [verzoekers] die geboren is op [geboortedatum] 1960, met een dienstverband van meer dan 120 maanden. Die bepaling is op grond van lid 2 echter niet van toepassing op de werkgever die minder dan 25 werknemers in dienst heeft. Vastgesteld wordt dat dit bij [verweerster] het geval is geweest, want in het verzoekschrift is vermeld dat daar gemiddeld 15 werknemers werkten. Gesteld noch gebleken is dat dit nadien anders is geweest en dat in de tweede helft van 2019 gemiddeld 25 of meer werknemers bij [verweerster] in dienst waren, terwijl [verweerster] betwist dat aanspraak bestaat op de hogere transitievergoeding voor oudere werknemers. Daarom is lid 1 van genoemd artikel niet van toepassing.
2.9.
Uitgaande van de begin- en einddatum van de arbeidsovereenkomst en genoemde loonbestanddelen stelt de kantonrechter de transitievergoeding waarop [verzoekers] recht heeft vast op € 19.157,46 bruto. Dat is bijna hetzelfde bedrag als [verzoekers] becijferd heeft in bijlage 38, overgelegd in de zaak met zaaknummer 6485325 CV EXPL 17-40420. Dit bedrag kan worden toegewezen. Het bedrag van € 5.000,- aan voorschot op de transitievergoeding, dat reeds is uitbetaald, zal verrekend worden met het bedrag van € 19.157,46 bruto, zodat uiteindelijk nog € 14.157,46 bruto uitbetaald moet worden.
Billijke vergoeding
2.10.
[verzoekers] verzoekt aan billijke vergoeding een bedrag van € 116.208,- bruto. Aan billijke vergoeding wordt een bedrag van € 7.500,- toegekend, omdat de kantonrechter van oordeel is dat [verzoekers] daarop aanspraak heeft in verband met het ernstig verwijtbaar handelen en nalaten door [verweerster], zoals verwoord in tussenbeschikking van
24 april 2019. Dat [verzoekers] hierop aanspraak heeft volgt ook uit de tussenbeschikking van
9 december 2020, waarbij het bedrag van € 5.000,- aan voorschot op de billijke vergoeding is toegekend, dat reeds is uitbetaald. Dat bedrag zal verrekend worden met het bedrag van
€ 7.500,- bruto, zodat uiteindelijk nog € 2.500,- bruto uitbetaald moet worden.
2.11.
Het toe te wijzen bedrag aan billijke vergoeding is aanzienlijk minder dan waarom verzocht is, maar dat komt doordat het verzoek onvoldoende is onderbouwd en de kantonrechter de argumenten die [verzoekers] hieraan wel ten grondslag heeft gelegd grotendeels niet deelt. Dat [verweerster] over een periode van negen jaar tot aan het pensioen van [verzoekers] zijn loon zou moeten aanvullen uitgaande van zijn verdiencapaciteit vermeerderd tot het niveau van het loon dat hij bij [verweerster] zou hebben verdiend, vindt de kantonrechter niet billijk. Onwaarschijnlijk is dat [verzoekers] tot aan zijn pensioen zou hebben doorgewerkt bij [verweerster] als geen sprake zou zijn geweest van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten, waaronder het niet naleven van re-integratieverplichtingen door [verweerster]. In verband met dat laatste is [verweerster] al een loonsanctie opgelegd door het UWV waardoor [verweerster] een jaar langer loon heeft moeten betalen aan [verzoekers]. Er is dus al sprake geweest van drie jaar loonbetaling tijdens ziekte. Arbeidsrechtelijk zijn wat zaken niet goed gegaan, maar dat zou er niet aan in de weg hebben gestaan om, als deze ontbindingsprocedure niet zou hebben gespeeld, met succes te kunnen aansturen op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in verband met de langdurige uitval door ziekte en het eindigen van de loondoorbetalingsverplichting begin 2020. In het verzoekschrift is verwoord dat [verzoekers] belemmerd wordt bij het vinden van ander werk door zijn lage opleiding, zijn eenzijdige arbeidsverleden bij [verweerster], en zijn beperkte kennis van de Nederlandse taal. Deze omstandigheden kunnen echter, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet worden toegerekend aan [verweerster].
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [verweerster]:
tot betaling aan [verzoekers] van € 14.157,46 bruto aan transitievergoeding (zijnde het bedrag van € 19.157,46 bruto minus het bedrag van € 5.000,- bruto aan voorschot);
tot betaling aan [verzoekers] van € 2.500,- bruto aan billijke vergoeding (zijnde het bedrag van € 7.500,- bruto minus het bedrag van € 5.000,- bruto aan voorschot);
tot verstrekking aan [verzoekers] van een deugdelijke bruto/netto salarisspecificatie van deze betalingen met de verrekening van de bedragen die al betaald zijn;
3.2.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoekers] worden begroot op € 1.302,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465
Artikel 7:686a lid 6 en 7 BW.
Verweerschrift randnummer 20.
Zie overwegingen 4.2 tot en met 4.11 en overweging 4.17.