Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-13
ECLI:NL:RBROT:2025:9654
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,415 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 13 februari 2025
in de zaak van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 22 oktober 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO);
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
ABN AMRO heeft voorafgaand aan de zitting op 5 februari 2025 een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 6 februari 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Gemeente Nissewaard (hierna: schuldhulp-verlening);
mevrouw L. Mudde, werkzaam bij FinZo Voorne-Putten, (hierna: beschermings-bewindvoerder).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift acht concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 17.525,76 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 20 maart 2024 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 43,09% tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn Ziektewetuitkering. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij graag aan het werk zou willen, maar gezien zijn slechte gezondheid op dit moment niet in staat te zijn om betaalde arbeid te verrichten. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de schulddienstverlening in augustus 2023 is gestart en dat er vanaf augustus 2023 maximaal is afgedragen. Schuldhulpverlening verwacht niet dat verzoeker, gezien zijn medische situatie, op korte termijn aan het werk zou kunnen gaan. Vanaf 19 april 2023 was er sprake van budgetbeheer. Op 14 januari 2025 is ten aanzien van verzoeker beschermingsbewind uitgesproken. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.
Zeven schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. ABN AMRO stemt hier als enige niet mee in. Zij heeft een vordering van € 9.947,17 op verzoeker, welke 57% van de totale schuldenlast beloopt.
3Het verweer
In haar verweerschrift heeft ABN AMRO zich op het standpunt gesteld dat de aangeboden regeling niet goed is gedocumenteerd en dat deze onvoldoende financieel transparant is. In de visie van ABN AMRO heeft verzoeker voorts niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op een Ziektewetuitkering, terwijl de inkomenspositie van verzoeker de komende tijd nog zou kunnen verbeteren. Tevens stelt ABN AMRO zich op het standpunt dat gedurende de schuldenregeling één schuldeiser is bevoordeeld omdat haar vordering is voldaan door middel van loonbeslag. ABN AMRO stelt zich dan ook op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft ABN AMRO geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van ABN AMRO bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of ABN AMRO in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van ABN AMRO een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 57%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zeven van de acht schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Gemeente Nissewaard. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de afwijking in de schuldenlast te maken heeft gehad met beslag dat was gelegd op het inkomen van verzoeker. Deze vordering waarvoor beslag is gelegd, is volledig voldaan, waardoor de totale schuldenlast lager is dan eerder in het minnelijke traject met ABN AMRO is gecommuniceerd. De rechtbank merkt daarbij op dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat een schuldeiser beslag legt in het minnelijke traject en zich op die manier in een gunstiger positie kan plaatsen dan andere schuldeisers. Van een ongelijke behandeling c.q. bevoordeling van schuldeisers door verzoeker is dan ook geen sprake.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Verzoeker ontvangt een Ziektewetuitkering. Hij heeft de nodige medische klachten. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker binnen afzienbare termijn in staat zal zijn om betaalde arbeid te verrichten waarmee hij een inkomen zal genereren dat hoger is dan zijn huidige inkomen. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker staat onder beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van ABN AMRO, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om ABN AMRO te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
ABN AMRO zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- beveelt ABN AMRO om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt ABN AMRO in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden – van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.