Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-27
ECLI:NL:RBROT:2025:9610
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,362 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 27 januari 2025
in de zaak van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 6 september 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- F.N. Roto h.o.d.n. Perfect Plus Consultancy (hierna: PPC);
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 13 januari 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
de heer [persoon A] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift vijf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 8.229,77 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 23 juli 2024 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 26,01% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. Verzoeker heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn AOW-uitkering en maandelijks pensioen. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de schuld aan PPC is ontstaan omdat hij aan PPC heeft verzocht om een ondernemingsplan op te stellen. Verzoeker wilde als zelfstandige gaan werken omdat het ondanks zijn inspanningen niet lukte betaalde arbeid in dienstbetrekking te vinden. Met PPC had hij afgesproken om de vordering in één keer te betalen nadat het ondernemingsplan was goedgekeurd en aan hem een lening was verstrekt om zijn onderneming op te starten. Helaas is het ondernemingsplan afgekeurd en is de lening niet verstrekt. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij PPC heeft verzocht om een betalingsregeling maar dat is afgewezen. Verzoeker heeft niets meer gehoord en ongeveer een jaar later is de vordering in een keer opgeëist door PPC. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat er sprake is van budgetbeheer. De budgetbeheerder draagt zorg voor betaling van de huur, energielasten en zorgkosten en heeft met verzoeker de afspraak gemaakt dat hij zelf zorg draagt voor de overige vaste lasten.
Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden grotendeels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Vier schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. PPC stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 1.696,50 op verzoeker, welke 20,6% van de totale schuldenlast beloopt.
3Het verweer
In de contacten met schuldhulpverlening heeft PPC te kennen gegeven alleen akkoord te gaan met de volledige betaling.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft PPC geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn standpunten ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van PPC bij zijn weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of PPC in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van PPC een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 20,6%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk vier van de vijf schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Op hem rust geen sollicitatieverplichting. Voldoende aannemelijk is geworden dat hij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van PPC, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om PPC te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
PPC zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- beveelt PPC om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt PPC in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 27 januari 2025
in de zaak van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 6 september 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- F.N. Roto h.o.d.n. Perfect Plus Consultancy (hierna: PPC);
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 13 januari 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
de heer [persoon A] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift vijf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 8.229,77 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 23 juli 2024 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 26,01% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. Verzoeker heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn AOW-uitkering en maandelijks pensioen. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de schuld aan PPC is ontstaan omdat hij aan PPC heeft verzocht om een ondernemingsplan op te stellen. Verzoeker wilde als zelfstandige gaan werken omdat het ondanks zijn inspanningen niet lukte betaalde arbeid in dienstbetrekking te vinden. Met PPC had hij afgesproken om de vordering in één keer te betalen nadat het ondernemingsplan was goedgekeurd en aan hem een lening was verstrekt om zijn onderneming op te starten. Helaas is het ondernemingsplan afgekeurd en is de lening niet verstrekt. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij PPC heeft verzocht om een betalingsregeling maar dat is afgewezen. Verzoeker heeft niets meer gehoord en ongeveer een jaar later is de vordering in een keer opgeëist door PPC. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat er sprake is van budgetbeheer. De budgetbeheerder draagt zorg voor betaling van de huur, energielasten en zorgkosten en heeft met verzoeker de afspraak gemaakt dat hij zelf zorg draagt voor de overige vaste lasten.
Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden grotendeels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Vier schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. PPC stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 1.696,50 op verzoeker, welke 20,6% van de totale schuldenlast beloopt.
3Het verweer
In de contacten met schuldhulpverlening heeft PPC te kennen gegeven alleen akkoord te gaan met de volledige betaling.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft PPC geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn standpunten ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van PPC bij zijn weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of PPC in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van PPC een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 20,6%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk vier van de vijf schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Op hem rust geen sollicitatieverplichting. Voldoende aannemelijk is geworden dat hij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van PPC, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om PPC te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
PPC zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- beveelt PPC om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt PPC in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.