Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-01
ECLI:NL:RBROT:2025:9545
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,002 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Verlenging termijn schuldsaneringsregeling
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 1 mei 2025
Bij vonnis van deze rechtbank van 31 maart 2022 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[schuldenaar]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats],
schuldenaar,
bewindvoerder: mr. W.P. Groenendijk.
Procesverloop
De bewindvoerder heeft op 31 december 2024 schriftelijk verslag uitgebracht over de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Op 17 maart 2025 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht omtrent de laatste stand van zaken.
De beëindiging is behandeld ter terechtzitting van 27 maart 2025. De bewindvoerder, beschermingsbewindvoerder en schuldenaar zijn verschenen.
Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder verklaart dat hij van mening is dat in de berekeningen van het vrij te laten bedrag de correctie van de reiskosten onjuist zijn opgenomen. Om partijen in de gelegenheid te stellen om dit te controleren is de zaak aangehouden tot 1 mei 2025.
De bewindvoerder heeft op 14 april 2025, 15 april 2025 en 24 april 2025 de rechtbank nadere berichten gestuurd.
De uitspraak is bepaald op heden.
2De standpunten
Standpunt bewindvoerder
De bewindvoerder heeft op 17 maart 2025 verklaard dat de inlichtingenformulieren tot en met februari 2025 werden ontvangen. Op 10 maart 2025 werd er een bedrag van € 4.278,19 ontvangen waardoor de boedelachterstand tot en met februari 2025 € 2.000,-- bedraagt. Naar aanleiding van de mededeling van de beschermingsbewindvoerder ter zitting dat de reiskosten niet juist in de berekeningen van het vrij te laten bedrag zijn opgenomen, heeft de bewindvoerder in zijn bericht van 15 april 2025 aan de rechtbank meegedeeld dat er rekening mee is gehouden dat schuldenaar op twee locaties werkzaam is. Bovendien is de reisafstand voor één van de locaties minder dan tien kilometer enkele reis, zodat naar een alternatief voor de auto gekeken dient te worden. De bewindvoerder heeft in zijn bericht van 24 april 2025 aan de rechtbank meegedeeld dat op 22 april 2025 een eerste betaling is ontvangen van € 500,-- zodat de achterstand thans nog € 1.500,-- bedraagt. De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat vanwege de boedelachterstand geen schone lei kan worden verleend.
Standpunt beschermingsbewindvoerder
Door de beschermingsbewindvoerder is namens schuldenaar verzocht de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen met vier maanden. De beschermingsbewindvoerder heeft voorgesteld om met ingang van 1 april 2025 € 500,-- per maand te betalen waardoor de boedelachterstand binnen vier maanden zou zijn ingelopen.
Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder aangegeven dat hij van mening is dat in de berekeningen van het vrij te laten bedrag vanaf april 2024 tot en met heden de correctie van de reiskosten niet juist is opgenomen. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaart dat, indien deze berekeningen daadwerkelijk niet correct zijn, er over de achttien maanden van de schuldsaneringsregeling geen achterstand is.
De beschermingsbewindvoerder is in de gelegenheid gesteld om de berekeningen van het vrij te laten bedrag te controleren. De beschermingsbewindvoerder heeft de bewindvoerder naar aanleiding hiervan gevraagd of er rekening is gehouden met het feit dat schuldenaar op twee locaties werkzaam is. Tevens stelde de beschermingsbewindvoerder zich op het standpunt dat er uit moeten worden gegaan van reizen per auto. De beschermings-bewindvoerder heeft, zo heeft de bewindvoerder laten weten, niet meer gereageerd op het bericht van de bewindvoerder waarin hij de beschermingsbewindvoerder informatie heeft verstrekt over de reiskosten.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat schuldenaar niet alle verplichtingen van de schuldsaneringsregeling naar behoren is nagekomen. Immers, schuldenaar heeft een boedelachterstand laten ontstaan. Partijen zijn na de zitting in de gelegenheid gesteld om te controleren of de door de bewindvoerder opgestelde berekeningen van het vrij te laten bedragen correct zijn opgesteld. De stelling van de beschermingsbewindvoerder geeft de bewindvoerder geen aanleiding tot herberekening van het vrij te laten bedrag. De beschermingsbewindvoerder heeft niet meer gereageerd op het bericht van de bewindvoerder waarin hij informatie heeft verstrekt. De bewindvoerder heeft op 24 april 2025 de rechtbank bericht dat er door de beschermingsbewindvoerder op 22 april 2025 een bedrag van € 500,-- is overgemaakt naar de boedelrekening teneinde de boedelachterstand in te lopen. Thans bedraagt de boedelachterstand tot en met februari 2025 nog € 1.500,--. Nu de eerste betaling van € 500,-- is ontvangen en de beschermingsbewindvoerder niet meer heeft gereageerd op het standpunt van de bewindvoerder omtrent de reiskostenvergoeding, gaat de rechtbank ervan uit dat de beschermingsbewindvoerder en schuldenaar kunnen instemmen met hetgeen de bewindvoerder heeft meegedeeld omtrent de reiskosten.
De tekortkoming kan – voor zover verwijtbaar – niet zonder consequenties blijven. De rechtbank zal daarom, ter compensatie, de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengen met een periode van vier maanden. Gedurende de verlenging zal schuldenaar slechts de minimale boedelbijdrage (het bewindvoerdersalaris) verschuldigd zijn van (het deel van) het inkomen boven het vrij te laten bedrag. De resterende afloscapaciteit dient hij in te zetten voor het inlossen van de boedelachterstand. Gedurende de verlenging zal de inspanningsverplichting/sollicitatieverplichting niet van toepassing zijn. De informatieverplichting zal gedurende de verlenging beperkt zijn tot het verstrekken van informatie omtrent het inlossen van de boedelachterstand. De verplichting om geen nieuwe schulden te maken zal gedurende de verlenging onverkort van kracht zijn. Schuldenaar en de bewindvoerder hebben met deze verlenging ingestemd.
Benadrukt wordt dat op grond van de wet (artikel 295 Faillissementswet) ook vermogensbestanddelen die schuldenaar tijdens de verlenging verkrijgt in de boedel vallen.
Gelet op het voorgaande zal als volgt worden beslist.
Dictum
De rechtbank:
- stelt de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is vast op drie jaar en vier maanden, ingaande op de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, derhalve tot 31 juli 2025;
- bepaalt dat gedurende de verlenging:
de inspanningsverplichting/sollicitatieverplichting niet van toepassing is
de afdrachtverplichting beperkt is tot betaling van het bewindvoerdersalaris van (het deel van) het inkomen boven het vrij te laten bedrag en dat de afloscapaciteit voor het overige kan worden ingezet voor het aflossen van de boedelachterstand;
de informatieverplichting beperkt is tot het informeren over het inlossen van de boedelachterstand;
de verplichting om geen nieuwe schulden te maken onverkort van toepassing blijft.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.