Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-17
ECLI:NL:RBROT:2025:9486
Civiel recht; Insolventierecht
Beschikking
1,391 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
advocaat: mr. E.R.P. von Hegedus,
strekkende tot faillietverklaring van:
de vennootschap onder firma
[verweerster]
kantoorhoudende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verweerster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 6 februari 2025 een verzoekschrift met bijlagen bij de rechtbank ingediend, strekkende tot het uitspreken van het faillissement van verweerster.
De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 maart 2025.
De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift op verzoek van verzoekster aangehouden tot 1 april 2025, tot 8 april 2025 en daarna tot 15 april 2025.
Bij de behandeling van het verzoekschrift op 15 april 2025 zijn verschenen en gehoord:
mr. E.P.J. van de Luijtgaarden, namens mr. E.R.P. von Hegedus, advocaat van verzoekster;
de heer [persoon A] , vennoot van verweerster.
Mr. E.P.J. van de Luijtgaarden heeft ter zitting een steunvordering overgelegd.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Standpunten
Verzoekster heeft – kort samengevat – gesteld dat zij ter zake van geleverde diensten/goederen een opeisbare vordering op verweerster heeft van in totaal € 16.368,30. Het een en ander nog te vermeerderen met de kosten van de faillissementsaanvraag. Verzoekster heeft verder gesteld dat verweerster meerdere schuldeisers onbetaald laat en dat zij in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoekster ter zitting (zonder toelichting) een steunvordering overgelegd van [afkorting naam bedrijf] ( [naam bedrijf] ) ter hoogte van € 274,68. Verzoekster persisteert in haar verzoek tot faillietverklaring van verweerster. Dat verweerster heeft aangeboden vandaag (15 april 2025) een bedrag van € 7.500,00 te voldoen en donderdag 17 april 2025 het resterende deel, maakt dat niet anders. Verzoekster wenst betaling ineens van verweerster.
Verweerster heeft zich ter zitting – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat zij vandaag aan verzoekster een bedrag van € 7.500,00 kan betalen en dat zij het resterende deel uiterlijk donderdag 17 april 2025 kan voldoen. Ten aanzien van de overgelegde steunvordering heeft verweerster desgevraagd verklaard dat zij de factuur van € 274,68 niet aan [afkorting naam bedrijf] verschuldigd is omdat zij het proefabonnement in de proefperiode heeft opgezegd. Verweerster maakt geen gebruik van de diensten van [afkorting naam bedrijf] . Als verweerster had geweten dat verzoekster met deze steunvordering zou komen, dan had zij deze vordering voldaan waarna zij deze betaling wegens onverschuldigde betaling zou hebben teruggevorderd van [afkorting naam bedrijf] .
Beoordeling
Ingevolge artikel 6 Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerster verkeert in een toestand dat zij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster een opeisbare vordering heeft op verweerster. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van het vorderingsrecht van verzoekster summierlijk is gebleken.
Van pluraliteit van schuldeisers is naar het oordeel van de rechtbank niet summierlijk gebleken. Verzoekster heeft weliswaar een steunvordering van [afkorting naam bedrijf] van € 274,68 overgelegd, maar heeft deze vordering verder niet onderbouwd. Verweerster daarentegen heeft het bestaan van deze vordering gemotiveerd betwist. Daarnaast is de hoogte van de steunvordering van zo beperkte omvang dat aannemelijk is dat verweerster deze zou kunnen voldoen. Verweerster heeft de rechtbank bij e-mailbericht van 16 april 2025 laten weten dat zij deze vordering inmiddels heeft voldaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij jegens meerdere schuldeisers heeft opgehouden te betalen.
Het verzoek tot faillietverklaring zal daarom worden afgewezen
Dictum
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring.
Deze beschikking is op 17 april 2025 gegeven door mr. M.C. Franken, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier..
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.