Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-17
ECLI:NL:RBROT:2025:9474
Civiel recht; Insolventierecht
Beschikking
1,128 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
advocaat: mr. E.R.P. von Hegedus,
strekkende tot faillietverklaring van:
[verweerder]
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verweerder.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 6 februari 2025 een verzoekschrift met bijlagen bij de rechtbank ingediend, strekkende tot het uitspreken van het faillissement van verweerder.
De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 maart 2025.
De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift op verzoek van verzoekster aangehouden tot 1 april 2025, tot 8 april 2025 en daarna tot 15 april 2025.
Bij de behandeling van het verzoekschrift op 15 april 2025 is verzoekster, bij monde van mr. E.P.J. van de Luijtgaarden, namens mr. E.R.P. von Hegedus, advocaat, verschenen en gehoord. Verweerder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Standpunten
Verzoekster heeft – kort samengevat – gesteld dat zij ter zake van geleverde diensten/goederen aan de vennootschap onder firma [naam VOF] (hierna [naam VOF] .) een opeisbare vordering heeft op verweerder als vennoot van [naam VOF] . van in totaal
€ 16.368,30. Het een en ander nog te vermeerderen met de kosten van de faillissementsaanvraag. Verzoekster heeft verder gesteld dat verweerder meerdere schuldeisers onbetaald laat en dat hij in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoekster ter zitting (zonder toelichting) een steunvordering overgelegd van [afkorting naam bedrijf] ( [naam bedrijf] ) gericht aan [naam VOF] . ter hoogte van € 274,68. Verzoekster persisteert in haar verzoek tot faillietverklaring van verweerder.
Beoordeling
Ingevolge artikel 6, lid 3 van de Faillissementswet (hierna Fw) wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers terwijl ten minste één vordering opeisbaar is.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster een opeisbare vordering heeft op verweerder. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van het vorderingsrecht van verzoekster summierlijk is gebleken.
Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet summierlijk gebleken van het bestaan van een steunvordering. Er is namelijk slechts een steunvordering overgelegd die is gericht aan [naam VOF] . Bij het ontbreken van enige toelichting daarbij door verzoekster kan deze vordering niet tevens worden opgevat als een steunvordering ten aanzien van verweerder. Daarnaast heeft verweerder de rechtbank bij e-mailbericht van 16 april 2025 laten weten dat deze vordering inmiddels is voldaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet voldoende is gebleken dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerder in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen.
Het verzoek tot faillietverklaring zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring.
Deze beschikking is op 17 april 2025 gegeven door mr. M.C. Franken, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier..
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.