Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-23
ECLI:NL:RBROT:2025:9470
Civiel recht; Insolventierecht
Beschikking
2,867 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf A] .
gevestigd te [vestigingsplaats A] ,
hierna: [bedrijf A] ,
advocaat: mr. L.F.P. Coehorst,
strekkende tot faillietverklaring van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf B] .
statutair gevestigd te [vestigingsplaats B] ,
kantoorhoudende te [adres] ,
[postcode] [plaats] ,
aldaar tevens handelend onder de namen:
[handelsnaam 1] ,
[handelsnaam 2] ,
[handelsnaam 3] ,
hierna: [bedrijf B] ,
advocaat: mr. F.J.H. Krumpelman.
Procesverloop
De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring bepaald op
15 april 2025.
Mr. Coehorst heeft namens [bedrijf A] op 10 april 2025 met kopie aan mr. Krumpelman aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
Op de zitting van 15 april 2025 zijn verschenen en gehoord:
[bedrijf A] ;
mr. L.F.P. Coehorst, advocaat van [bedrijf A] ;
mr. G.R.M. van Lieshout, kantoorgenoot van mr. Coehorst;
[persoon B] , bestuurder van [bedrijf B] ;
mr. F.J.H. Krumpelman, advocaat van [bedrijf B] .
Mr. Van Lieshout heeft namens [bedrijf A] ter zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
Mr. Krumpelman heeft namens [bedrijf B] ter zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Standpunten
2.1.
Standpunt [bedrijf A]
heeft op grond van de factoringovereenkomst met [bedrijf B] vorderingen gekocht en geleverd gekregen van [bedrijf B] . Omdat die vorderingen onbetaald werden gelaten en omdat diverse contractuele bepalingen uit de factoringovereenkomst werden geschonden, had [bedrijf A] het recht om de vorderingen aan [bedrijf B] terug te verkopen (ook wel retrocessie genoemd). Wederom werden die vorderingen onbetaald gelaten. [bedrijf A] voelde zich genoodzaakt een gerechtelijke procedure te starten. De rechtbank Den Haag wees op 15 mei 2024 vonnis. De rechtbank oordeelde dat [bedrijf B] de garantievoorwaarden uit de overeenkomst had geschonden en dus dat [bedrijf B] de terugkoop van de vorderingen moest aanvaarden. Naast de terugkoopsom is [bedrijf B] ook veroordeeld om de contractuele boete, contractuele rente, buitengerechtelijke-proces- en beslagkosten aan [bedrijf A] te betalen.
[bedrijf A] heeft uit hoofde van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis (op tegenspraak) van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2024 een vordering op [bedrijf B] . De vordering bedraagt € 3.028.885,62 + P.M., die [bedrijf B] vooralsnog onbetaald heeft gelaten. Het een en ander nog te vermeerden met onder andere advocaatkosten. Hoewel [bedrijf B] (en haar bestuurder [persoon B] in privé) hoger beroep heeft ingesteld tegen voornoemd vonnis, is voornoemd vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard waardoor de vordering van [bedrijf A] op [bedrijf B] thans opeisbaar is.
Daarnaast laat [bedrijf B] nog andere schulden onbetaald, waaronder aan de curator van Gameworld B.V. (thans Liberty Trading Europe B.V., hierna: Gameworld), die een vordering op [bedrijf B] heeft van circa € 12.000.000,00, waarover hieronder meer. [bedrijf B] verkeert aldus in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
2.1.1.
De steunvordering(en)
Uit de overgelegde steunvordering blijkt dat de curator een vordering heeft op [bedrijf B] wegens onverschuldigde betaling. Uit de boeken van Gameworld blijkt dat [bedrijf B] kort voorafgaand aan het faillissement van Gameworld (online) games (computerspellen) heeft gekocht. De betaling is vervolgens verrekend met de vorderingen die [bedrijf B] op Gameworld heeft. De curator heeft dit samenstel van rechtshandelingen vernietigd op de voet van artikel 42 Faillissementswet (hierna Fw) omdat als gevolg hiervan verhaalsmogelijkheden aan de boedel zijn onttrokken; de gezamenlijke crediteuren van Gameworld konden zich niet meer op de computerspellen en evenmin op de koopsom verhalen. De curator heeft hierdoor een vordering wegens onverschuldigde betaling op [bedrijf B] van minimaal € 10.500.000,00. Daarnaast heeft [bedrijf B] nog meer schulden. Uit de gepubliceerde jaarrekening van [bedrijf B] van 2023 blijkt dat [bedrijf B] op 31 december 2023 nog circa € 600.000,00 aan kortlopende schulden heeft. Dit maakt duidelijk dat [bedrijf B] de vordering(en) van [bedrijf A] en de curator niet kan betalen.
2.2.
Standpunt [bedrijf B]
heeft (had tot het faillissement) een bestendige handelsrelatie met onder andere Gameworld. Tussen partijen werd over en weer, maar ook met derden, in computerspellen gehandeld. Dat [bedrijf A] stelt dat [bedrijf B] de goederen (computerspellen) niet echt zou hebben geleverd en dat er dus sprake zou zijn van fraude, welk standpunt overigens door de rechtbank Den Haag wordt gevolgd, is niet waar. [bedrijf B] heeft de computerspellen wél geleverd. Er is geen sprake van fraude. Bovendien komt het woord “fraude” ook niet voor in het faillissement van Gameworld. [bedrijf B] heeft daarom ook hoger beroep ingesteld. [bedrijf B] heeft op 26 november 2024 haar grieven ingediend waarna [bedrijf A] op 25 februari 2025 voor antwoord heeft gediend en incidentele grieven heeft genomen. [bedrijf B] moet hier ter rolle van 6 mei 2025 nog op antwoorden.
Ten aanzien van de overgelegde steunvordering van de curator van Gameworld stelt [bedrijf B] dat er geen sprake is geweest van een onverplichte rechtshandeling nu er een onderliggende samenwerkingsovereenkomst lag tussen partijen waarbij partijen eveneens een verrekeningsafspraak overeen waren gekomen. Er is daarom ook geen sprake van een faillissementspauliana en [bedrijf B] hoeft dan ook niets ongedaan te maken (computerspellen terug te leveren). Daarnaast stelt [bedrijf B] dat zij nog een vordering van € 7.575.144,89 heeft op (de boedel van) Gameworld en dat zij, als er al een vordering zou zijn op [bedrijf B] , een beroep op verrekening doet.
Gelet op het voorgaande en op het feit dat [bedrijf A] en de curator niet beiden een vordering op [bedrijf B] kunnen hebben, omdat [bedrijf A] zegt dat er niet geleverd is en de curator van mening is dat er wel geleverd is, verzoekt [bedrijf B] de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af te wijzen met veroordeling van [bedrijf A] in de kosten van de procedure, en om deze beslissing tevens uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Beoordeling
Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat [bedrijf B] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl ten minste één vordering opeisbaar is.
De rechtbank stelt vast dat het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2024 op tegenspraak is gewezen en uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond daarvan heeft [bedrijf A] een direct opeisbare vordering op [bedrijf B] . Gebleken is verder dat er hoger beroep is ingesteld tegen het voornoemd vonnis waarbij overigens niet is gesteld dat er schorsing is gevraagd op de uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Het instellen van hoger beroep brengt niet mee dat een vorderingsrecht niet summierlijk is vast komen te staan. Het eerdergenoemd vonnis is op tegenspraak gewezen. [bedrijf B] heeft aangevoerd dat haar hoger beroep rust op goede gronden en dat zij reeds de grieven bij het hof heeft ingediend. Het primaire standpunt van [bedrijf B] is dat zij de computerspellen wel heeft geleverd en dat er dus geen sprake is van fraude. [bedrijf B] heeft hier verder geen stukken van overgelegd ter nadere onderbouwing van deze stelling(en). [bedrijf B] heeft slechts (anders dan bij de rechtbank Den Haag) aangevoerd dat als [bedrijf A] gelijk heeft, de curator van Gameworld geen gelijk kan hebben en vice versa (zie paragraaf 2.2.). Daarmee heeft [bedrijf B] onvoldoende (nieuwe) feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat het oordeel van de rechtbank op evident onjuiste gronden is gebaseerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van [bedrijf A] .
De rechtbank stelt voorts vast dat uit de overgelegde spreekaantekeningen van [bedrijf A] volgt dat [bedrijf B] op 31 december 2023 € 600.940,00 aan kortlopende schulden op de balans heeft staan. Omdat de rechtbank bij de vraag of er sprake is van een faillissementssituatie ‘ex nunc’ moet toetsen, kan zij niet zonder meer van deze balans en daarom ook niet van deze schuld uitgaan. [bedrijf A] heeft bovendien nagelaten ter zitting te onderbouwen dat deze schuld thans nog steeds aanwezig is.
Verder heeft [bedrijf B] ten aanzien van de overgelegde steunvordering van de curator van Gameworld verweer gevoerd en gesteld dat zij met Gameworld een bestendige handelsrelatie heeft, onder verwijzing naar de tussen [bedrijf B] en Gameworld geldende samenwerkingsovereenkomst. Daaruit vloeit voort dat geen sprake is geweest van een onverplichte rechtshandeling. Aldus [bedrijf B] heeft de curator dan ook geen vordering op haar. [bedrijf A] heeft deze stelling van [bedrijf B] niet gemotiveerd weersproken. Hierdoor is [bedrijf A] er niet in geslaagd aan te tonen dat dit verweer aanstonds verworpen dient te worden. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat niet summierlijk is gebleken van pluraliteit van schuldeisers. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet jegens meerdere crediteuren kan worden gesproken van een toestand van te hebben opgehouden te betalen. De rechtbank zal daarom het verzoek tot faillietverklaring afgewezen.
Gelet op alle omstandigheden zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring;
- compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is op 23 april 2025 gegeven door mr. M.C. Franken, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.