Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-30
ECLI:NL:RBROT:2025:9324
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
2,717 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11500553 VZ VERZ 25-300
datum uitspraak: 30 april 2025
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A]
,
woonplaats: [woonplaats A] ,
verzoekster, verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
gemachtigde: mr. W.T.M. Uilhoorn,
tegen
[stichting B]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats B] ,
verweerster, verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
gemachtigde: mr. D. Schuurman.
De partijen worden hierna [persoon A] en [stichting B] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift van [persoon A] , met bijlagen;
het verweerschrift van [stichting B] met (voorwaardelijk) tegenverzoek, met bijlagen;
de nadere producties van [persoon A] (productie 13 en 14);
de nadere productie van [persoon A] (productie 15).
1.2.
Op 5 maart 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [persoon A] en haar gemachtigde en namens [stichting B] [persoon B] (HR Adviseur) en [persoon C] (Manager NAH) en haar gemachtigde. Tijdens de zitting hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, maar [persoon A] heeft deze overeenkomst binnen de bedenktermijn ontbonden en zij heeft verzocht uitspraak te doen.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[persoon A] werkte sinds 30 maart 2020 bij [stichting B] als verpleegkundige. Zij is op 22 november 2024 op staande voet ontslagen. [persoon A] heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij niet meer bij [stichting B] wil werken. Zij legt zich dus bij het ontslag neer, maar zij vraagt om een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. [stichting B] vindt dat alle verzoeken van [persoon A] moeten worden afgewezen en zij verzoekt zelf een verklaring voor recht dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst is geëindigd door een rechtsgeldig verleend ontslag op staande voet. [persoon A] krijgt ongelijk. Het ontslag blijft in stand. [persoon A] krijgt geen transitievergoeding. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.
inzake de voorlopige voorzieningen
2.2.
De kantonrechter zal in deze beschikking direct beslissen op de hoofdzaak, zodat [persoon A] geen belang meer heeft bij de door haar verzochte voorlopige voorzieningen. Deze worden dan ook afgewezen.
2.3.
De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, gelet op het geringe debat tussen partijen inzake de voorlopige voorzieningen.
inzake de verzoeken
Het ontslag is geldig
2.4.
De verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen, omdat het ontslag geldig is. [persoon A] krijgt geen billijke vergoeding. Die kan namelijk alleen worden toegekend als het ontslag niet geldig is (artikel 7:681 lid 1 onder a BW). Daar is in dit geval geen sprake van, want er is voldaan aan de voorwaarden voor een ontslag op staande voet. Dat zijn kort gezegd een dringende reden, onverwijld opzeggen en onverwijld mededelen van de reden (artikel 7:671 lid 1 onder c BW en artikel 7:677 BW).
Er is een dringende reden
2.5.
Er is een dringende reden voor ontslag op staande voet. Met een dringende reden wordt bedoeld één of meer eigenschappen en/of gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband (artikel 7:678 lid 1 BW). Of er een dringende reden is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden. Hierna wordt uitgelegd waarom hier sprake is van een dringende reden.
2.6.
In de ontslagbrief van [stichting B] van 22 november 2024 staat het volgende:
“Hierbij bevestigen wij u dat wij u op 22 november 2024 op staande voet hebben ontslagen. De redenen voor dit ontslag zijn, zoals wij u ook op 22 november 2024 hebben medegedeeld, dat u gedurende uw avonddienst een bewoner van de afdeling niet aangeboren hersenletsel te Drieënhuysen Zuid, tot viermaal toe aanvullende medicatie heeft toegediend, daar waar deze na een eerste toediening alleen na overleg met de arts een vervolg dosering kan worden gegeven. Hiermee heeft u de betrokken bewoner in ernstig gevaar gebracht, daar waar van u als verpleegkundige verwacht mocht worden dat u conform de afspraken handelt.”
2.7.
Vast staat dat [persoon A] op 20 november 2024 aan een bewoner met niet-aangeboren hersenletsel die te kampen had met hartklachten (hierna: de bewoner) vier keer nitroglycerinespray heeft toegediend. Verder staat vast dat de bewoner om 9:30 uur van een andere medewerker al een dosis nitroglycerinespray toegediend had gekregen. In totaal heeft de bewoner op 20 november 2024 dus vijf keer nitroglycerinespray gekregen.
2.8.
[stichting B] heeft toegelicht dat het uitdelen van medicatie plaatsvindt aan de hand van een medicatielijst. De medicatielijst wordt door een arts vastgesteld en schrijft voor welke medicijnen, in welke doses en op welke momenten aan een bewoner mogen c.q. moeten worden toegediend. Op de medicatielijst van de bewoner staat bij het medicijn nitroglycerinespray het volgende vermeld:
“zo nodig 1 dosis
bij klachten van pijn op borst, zn 1 × herhalen na 15 min”
Elke toediening van medicatie moet door de betrokken medewerker worden afgetekend in het daarvoor bestemde vakje op de medicatielijst. Op de medicatielijst van de bewoner staat bij het medicijn nitroglycerinespray bij elke datum één vakje met steeds de tekst “ZN 1 DO” (“zo nodig 1 dosis”). [persoon A] heeft tijdens de zitting weliswaar aangevoerd dat het voorkomt dat de medicatielijst niet genoeg vakjes heeft, maar zij heeft deze stelling op geen enkele wijze (nader) onderbouwd, zodat daaraan wordt voorbijgegaan.
2.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter schrijft de medicatielijst van de bewoner duidelijk voor dat de bewoner maximaal één dosis nitroglycerinespray per dag mocht krijgen. Het enkele feit dat op de medicatielijst niet expliciet staat vermeld hoeveel doses nitroglycerinespray de bewoner per dag mocht krijgen, zoals bij bijvoorbeeld paracetamol wel staat vermeld (“zo nodig 3× per dag 2 stuk bij pijnklachten schouder/arm”), maakt niet dat [persoon A] daaruit had mogen afleiden dat de bewoner wel meerdere doses nitroglycerinespray had mogen krijgen. Bij paracetamol staat namelijk bij elke datum ook drie vakjes, zodat er voor elke toediening ruimte is om af te tekenen. Bij nitroglycerinespray staat bij elke datum maar één vakje.
2.10.
De kantonrechter is verder van oordeel dat [persoon A] , door zonder overleg met een arts van de medicatielijst af te wijken en naar eigen inzicht medicatie toe te (blijven) dienen, een onverantwoord en onaanvaardbaar risico heeft genomen met het welzijn van de bewoner. Nitroglycerinespray is namelijk een medicijn dat gegeven wordt voor hartklachten en [persoon A] heeft tijdens de zitting erkend dat deze medicatie gevaarlijk is. Dit blijkt ook uit de bijsluiter, waarin onder meer staat dat de bloeddruk ernstig kan dalen en de hartslag stijgen. Aangezien de bewoner op 20 november 2024 om 9:30 uur al een dosis nitroglycerinespray had gekregen mocht [persoon A] dit medicijn niet zonder overleg met een arts opnieuw toedienen, laat staan vier keer. [stichting B] heeft toegelicht dat de medicatielijst strikt moet worden gevolgd en dat hier niet zonder overleg met een arts van mag worden afgeweken, omdat alleen een arts de risico’s en gevolgen van toediening van medicijnen kan overzien. Dat het handelen van [persoon A] verbazing wekte bij haar collega’s blijkt ook uit de rapportage van 21 november 2024 van de arts die de medicatielijst van de bewoner had opgesteld. In dat rapport staat: “Volgens de rapportage ook gisteravond klachten gehad wv 5 × nitrospray is gegeven!?” en “indien 2× nitrospray geen succes altijd contact arts”.
2.11.
De stelling van [persoon A] dat er steeds genoeg tijd tussen de doses nitroglycerinespray heeft gezeten maakt het oordeel niet anders. [persoon A] had überhaupt geen nitroglycerinespray aan de bewoner mogen toedienen zonder overleg met een arts. Het enige vakje voor nitroglycerinespray bij de datum 20 november 2024 was namelijk al ingevuld.
2.12.
Van [stichting B] kan in dit geval ook niet worden gevergd dat zij zou volstaan met het geven van een (ernstige) officiële waarschuwing. [stichting B] heeft namelijk geen enkele waarborg dat het niet opnieuw zal gebeuren. [persoon A] heeft geen blijk gegeven van schuldbesef of zelfreflectie, maar heeft de verantwoordelijkheid voor haar handelen bij de bewoner neergelegd. Volgens [persoon A] stond de bewoner er op dat de nitroglycerinespray meermaals aan hem werd toegediend. Dat kan haar handelswijze echter niet rechtvaardigen. [persoon A] miskent daarmee namelijk dat zij verantwoordelijk is voor de zorg voor kwetsbare mensen met niet-aangeboren hersenletsel.
Dictum
De kantonrechter:
inzake de voorlopige voorzieningen
3.1.
wijst de gevraagde voorlopige voorzieningen af;
3.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
inzake de verzoeken
3.3.
wijst het verzoek van [persoon A] af;
3.4.
verklaart voor recht dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 22 november 2024 is geëindigd door een rechtsgeldig verleend ontslag op staande voet;
3.5.
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, die aan de kant van [stichting B] tot vandaag worden vastgesteld op € 949,-;
3.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
26975