Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-09
ECLI:NL:RBROT:2025:9318
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,059 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/690840 / JE RK 24-2642
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de voogd] ,
de oom en de voogd van [minderjarige] , hierna te noemen de voogd, wonende te [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna de GI, [vertegenwoordiger 2] ;
de voogd.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
Feiten
2.1.
Bij beschikking van 24 oktober 2013 is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de [de voogd] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar voogd.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De Raad heeft [minderjarige] in het onderzoek niet gesproken. Dit legt gelijk een onderdeel van het probleem bloot. [minderjarige] trekt zich overal terug en stelt zich volledig onzichtbaar op. Zij gaat niet in contact met de hulpverlening en laat zich niet helpen of motiveren. In de thuissituatie is het voor zowel [minderjarige] als de voogd lastig. [minderjarige] mist aandacht en affectie. Er zijn verschillende vormen van hulp ingezet, maar dit strandt telkens omdat [minderjarige] niet komt opdagen. Dit is een ingewikkeld patroon. Er is sprake van een dusdanig ernstige situatie dat de Raad heeft onderzocht of het wel voldoende is om [minderjarige] thuis te laten wonen. De Raad heeft besloten om geen verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing in te dienen omdat het niet in het belang van [minderjarige] is om nog een verlieservaring mee te maken.
4De standpunten
4.1.
De GI heeft ter zitting ingestemd met het verzoek van de Raad. Er zijn zorgen over [minderjarige] . Het is een meisje dat niet goed met emoties kan omgaan en waarschijnlijk ook haar moeder en familieleden mist. Het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling kan wellicht helpen. Er is ruimte voor een vaste jeugdbeschermer. Daarnaast zit de GI te denken aan de inzet van een coach die laagdrempelig kan onderzoeken wat er aan de hand is met [minderjarige] . Zware hulp kan voor weerstand zorgen bij [minderjarige] .
4.2.
De voogd heeft ter zitting aangesloten bij het verzoek van de Raad. De voogd ziet een ondertoezichtstelling als extra hulp in de thuissituatie. De voogd wil ten koste van alles een uithuisplaatsing van [minderjarige] vermijden. De afgelopen jaren zijn er al veel hulpverleners voorbij gekomen en heeft [minderjarige] al veel afspraken afgezegd omdat zij zich niet goed genoeg voelde. Het afgelopen jaar is [minderjarige] rustiger en georganiseerder geworden. Desondanks blijft de voogd thuis regelmatig op zijn tenen lopen. [minderjarige] heeft een sterke wil. Ook voelt zij zich vaak slecht. De voogd denkt dat dit te maken kan hebben met haar geestelijke gesteldheid en belaste verleden. De voogd gaat beginnen bij de praktijkondersteuner van de huisarts met hulp voor zichzelf.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . De afgelopen jaren heeft [minderjarige] last van lichamelijke klachten, zonder dat daar een duidelijke oorzaak of oplossing voor is gevonden. Het vermoeden bestaat dat [minderjarige] deze klachten heeft vanwege haar belaste verleden, waarbij [minderjarige] haar moeder en andere familieleden heeft verloren. [minderjarige] voelt zich vaak niet goed genoeg om naar school te gaan, waardoor er sprake is van een hoog schoolverzuim. Daarnaast voelt [minderjarige] zich niet vrij om te praten over haar gevoelens. De relatie tussen [minderjarige] en haar voogd staat onder spanning. Er bestaan zorgen over de draagkracht van de voogd, nu hij vanwege zijn eigen (fysieke en mentale) gesteldheid niet in staat is om al zijn taken als ouder goed te vervullen en voldoende aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] . Het is positief dat de voogd openstaat voor de hulpverlening. De komende periode is het van belang dat de voogd hulp krijgt voor zichzelf en in de relatie met [minderjarige] . Daarnaast is het van belang dat een jeugdbeschermer betrokken raakt om te onderzoeken welke hulpverlening in het belang van [minderjarige] dient te worden ingezet om haar ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De kinderrechter merkt daarbij op dat rekening dient te worden gehouden met de mogelijke weerstand bij [minderjarige] en dat daarmee behoedzaam dient te worden omgegaan.
5.3.
De kinderrechter stelt daarom [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 9 januari 2025 tot 9 januari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V. Versteeg als griffier, en op schrift gesteld op 23 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.