Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-28
ECLI:NL:RBROT:2025:9219
Civiel recht
Wraking
4,538 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
gemachtigde mr. J.B. Bogaart,
strekkende tot de wraking van
mr. D. van Dooren,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het verzoek van verzoekster strekt tot wraking van de rechter in de kantonzaken met zaak- en rolnummers 11546177 CV EXPL 25-741 en 11672692 CV EXPL 25-1783 (‘de hoofdzaken’). De hoofdzaken betreffen geschillen tussen verzoekster enerzijds en [persoon A] respectievelijk [persoon B] anderzijds. De dossiers van de hoofdzaken zijn ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoekster van 23 juni 2025, met bijlagen;
de schriftelijke reactie van de rechter van 30 juni 2025.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling zijn namens verzoekster [persoon C] , directeur, en de gemachtigde van verzoekster verschenen. De rechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten niet te zullen verschijnen.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoekster heeft – samengevat weergegeven – het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft besloten om de hoofdzaken gelijktijdig te bespreken tijdens een mondelinge behandeling. Die beslissing is zo onbegrijpelijk, dat alleen al daaruit de vooringenomenheid van de rechter tegenover verzoekster blijkt. Volgens de rechter was haar beslissing ingegeven door efficiencyoverwegingen, maar dat zegt niets. Het heeft er alle schijn van dat de rechter haar eigen belang om de hoofdzaken snel af te handelen, boven het belang van verzoekster op een behoorlijke behandeling van de hoofdzaken heeft willen stellen. In een behoorlijke civiele procedure moeten zaken tussen verschillende partijen met het oog op een gelijkwaardige positie en eerlijke behandeling/procedure onafhankelijk van elkaar, en dus niet gelijktijdig, mondeling worden behandeld. Hiervan kan bij een gelijktijdige behandeling, zoals hier aan de orde, geen sprake zijn. Integendeel, er kan in elkaars aanwezigheid aan de zijde van de wederpartijen en hun gemachtigden wederzijdse beïnvloeding plaatsvinden. Bij dit alles komt dat de rechter in een andere kantonzaak met zaak- en rolnummer 11247290 CV EXPL 24-3610 het verzoek om een herstelvonnis heeft afgewezen en nog steeds niet inhoudelijk heeft gereageerd op de e-mailberichten die de gemachtigde van verzoekster daarna heeft gestuurd. Hierdoor is objectief de indruk gewekt dat de rechter de wederpartij in die zaak helpt.
2.2.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
Beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in het geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Dictum
3.3.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (proces)beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het is niet aan de wrakingskamer om een oordeel te geven over de juistheid van de (proces)beslissing of om over een verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in het geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
3.4.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er ook tegen dat de motivering van de (proces)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook als het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders als de motivering van de (proces)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
3.5.
De door verzoekster aangevoerde gronden halen deze hoge drempel niet. De beslissing zelf kan gelet op wat in 3.3. is overwogen sowieso niet tot een gegrond wrakingsverzoek leiden. De motivering van die beslissing kan dat in dit geval evenmin.
De conclusie is daarom dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen. De wrakingskamer legt dit hierna uit.
3.6.
De wrakingskamer constateert dat de hoofdzaken vorderingen van verzoekster tot betaling van een huurachterstand op grond van een gestelde huurovereenkomst met betrekking tot een woning of kamer betreffen, terwijl de tegenpartijen van verzoekster zich in de hoofdzaken op het standpunt stellen dat zij geen huurovereenkomst met betrekking tot een woning of kamer met verzoekster hebben gesloten. Er bestaat dus feitelijke overlap tussen de hoofdzaken. Daaraan doet niet af dat in de ene hoofdzaak al een verstekvonnis is gewezen en dat de oorspronkelijke gedaagde partij in die zaak nu in verzet is gekomen. Immers, in beide hoofdzaken ligt op dit moment (opnieuw) de vraag voor of de vorderingen van verzoekster kunnen worden toegewezen dan wel terecht zijn toegewezen.
3.7.
In het licht van het voorgaande is niet onbegrijpelijk dat de rechter de hoofdzaken gelijktijdig wilde bespreken tijdens een mondelinge behandeling. Dat de rechter dit (mede) uit efficiencyoverwegingen deed, is ook niet onbegrijpelijk. De rechter heeft in haar reactie op het wrakingsverzoek uitgelegd dat haar agenda al helemaal was volgepland en dat als de hoofdzaak met zaak- en rolnummer 11672692 CV EXPL 25-1783 op de standaardwijze zou worden gepland, die hoofdzaak aanzienlijk later mondeling zou worden behandeld. Het is de wrakingskamer ambtshalve bekend dat die hoofdzaak – gelet op de termijnen waarop op dit moment mondelinge behandelingen van kantonzaken worden ingepland – in dat geval wellicht pas begin 2026 mondeling zou worden behandeld. Naar het zich laat aanzien wilde de rechter met haar beslissing dus niet haar eigen belang dienen, zoals verzoekster meent, maar juist het belang van verzoekster bij een spoedige mondelinge behandeling in de hoofdzaken. Er is in ieder geval geen sprake van dat de motivering van de beslissing van de rechter om de hoofdzaken gelijktijdig te behandelen, in het licht van alle overige omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, alleen kan worden verstaan als een blijk van vooringenomenheid van de rechter tegenover verzoekster.
Dictum
3.9.
De wrakingskamer stelt voorop dat een beslissing van de rechter in een andere zaak niet tot de conclusie kan leiden dat de rechter in de hoofdzaken vooringenomen is tegenover verzoekster of dat zij de (objectief gerechtvaardigde) schijn daarvan heeft gewekt. In dit geval is er namens de rechter inhoudelijk gereageerd op het verzoek van verzoekster om een herstelvonnis te wijzen en wel bij brief van 3 december 2024. Niet kan worden gezegd dat deze motivering in het licht van alle overige omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, alleen kan worden verstaan als een blijk van vooringenomenheid van de rechter tegenover verzoekster. Dat een gelijksoortig verzoek van verzoekster in een andere procedure wel is toegewezen, leidt niet tot een ander oordeel. Dat niet meer zou zijn gereageerd op nadere vragen en opmerkingen van verzoekster, die het met de gegeven motivering niet eens was, is door de rechter weersproken en zou overigens niet hebben kunnen leiden tot het oordeel dat er om díe reden sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. P. Joele, voorzitter, mr. A. Buizer en mr. M.G.L. de Vette, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
gemachtigde mr. J.B. Bogaart,
strekkende tot de wraking van
mr. D. van Dooren,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het verzoek van verzoekster strekt tot wraking van de rechter in de kantonzaken met zaak- en rolnummers 11546177 CV EXPL 25-741 en 11672692 CV EXPL 25-1783 (‘de hoofdzaken’). De hoofdzaken betreffen geschillen tussen verzoekster enerzijds en [persoon A] respectievelijk [persoon B] anderzijds. De dossiers van de hoofdzaken zijn ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoekster van 23 juni 2025, met bijlagen;
de schriftelijke reactie van de rechter van 30 juni 2025.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling zijn namens verzoekster [persoon C] , directeur, en de gemachtigde van verzoekster verschenen. De rechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten niet te zullen verschijnen.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoekster heeft – samengevat weergegeven – het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft besloten om de hoofdzaken gelijktijdig te bespreken tijdens een mondelinge behandeling. Die beslissing is zo onbegrijpelijk, dat alleen al daaruit de vooringenomenheid van de rechter tegenover verzoekster blijkt. Volgens de rechter was haar beslissing ingegeven door efficiencyoverwegingen, maar dat zegt niets. Het heeft er alle schijn van dat de rechter haar eigen belang om de hoofdzaken snel af te handelen, boven het belang van verzoekster op een behoorlijke behandeling van de hoofdzaken heeft willen stellen. In een behoorlijke civiele procedure moeten zaken tussen verschillende partijen met het oog op een gelijkwaardige positie en eerlijke behandeling/procedure onafhankelijk van elkaar, en dus niet gelijktijdig, mondeling worden behandeld. Hiervan kan bij een gelijktijdige behandeling, zoals hier aan de orde, geen sprake zijn. Integendeel, er kan in elkaars aanwezigheid aan de zijde van de wederpartijen en hun gemachtigden wederzijdse beïnvloeding plaatsvinden. Bij dit alles komt dat de rechter in een andere kantonzaak met zaak- en rolnummer 11247290 CV EXPL 24-3610 het verzoek om een herstelvonnis heeft afgewezen en nog steeds niet inhoudelijk heeft gereageerd op de e-mailberichten die de gemachtigde van verzoekster daarna heeft gestuurd. Hierdoor is objectief de indruk gewekt dat de rechter de wederpartij in die zaak helpt.
2.2.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
Beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in het geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Dictum
3.3.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (proces)beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het is niet aan de wrakingskamer om een oordeel te geven over de juistheid van de (proces)beslissing of om over een verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in het geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
3.4.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er ook tegen dat de motivering van de (proces)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook als het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders als de motivering van de (proces)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
3.5.
De door verzoekster aangevoerde gronden halen deze hoge drempel niet. De beslissing zelf kan gelet op wat in 3.3. is overwogen sowieso niet tot een gegrond wrakingsverzoek leiden. De motivering van die beslissing kan dat in dit geval evenmin.
De conclusie is daarom dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen. De wrakingskamer legt dit hierna uit.
3.6.
De wrakingskamer constateert dat de hoofdzaken vorderingen van verzoekster tot betaling van een huurachterstand op grond van een gestelde huurovereenkomst met betrekking tot een woning of kamer betreffen, terwijl de tegenpartijen van verzoekster zich in de hoofdzaken op het standpunt stellen dat zij geen huurovereenkomst met betrekking tot een woning of kamer met verzoekster hebben gesloten. Er bestaat dus feitelijke overlap tussen de hoofdzaken. Daaraan doet niet af dat in de ene hoofdzaak al een verstekvonnis is gewezen en dat de oorspronkelijke gedaagde partij in die zaak nu in verzet is gekomen. Immers, in beide hoofdzaken ligt op dit moment (opnieuw) de vraag voor of de vorderingen van verzoekster kunnen worden toegewezen dan wel terecht zijn toegewezen.
3.7.
In het licht van het voorgaande is niet onbegrijpelijk dat de rechter de hoofdzaken gelijktijdig wilde bespreken tijdens een mondelinge behandeling. Dat de rechter dit (mede) uit efficiencyoverwegingen deed, is ook niet onbegrijpelijk. De rechter heeft in haar reactie op het wrakingsverzoek uitgelegd dat haar agenda al helemaal was volgepland en dat als de hoofdzaak met zaak- en rolnummer 11672692 CV EXPL 25-1783 op de standaardwijze zou worden gepland, die hoofdzaak aanzienlijk later mondeling zou worden behandeld. Het is de wrakingskamer ambtshalve bekend dat die hoofdzaak – gelet op de termijnen waarop op dit moment mondelinge behandelingen van kantonzaken worden ingepland – in dat geval wellicht pas begin 2026 mondeling zou worden behandeld. Naar het zich laat aanzien wilde de rechter met haar beslissing dus niet haar eigen belang dienen, zoals verzoekster meent, maar juist het belang van verzoekster bij een spoedige mondelinge behandeling in de hoofdzaken. Er is in ieder geval geen sprake van dat de motivering van de beslissing van de rechter om de hoofdzaken gelijktijdig te behandelen, in het licht van alle overige omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, alleen kan worden verstaan als een blijk van vooringenomenheid van de rechter tegenover verzoekster.
Dictum
3.9.
De wrakingskamer stelt voorop dat een beslissing van de rechter in een andere zaak niet tot de conclusie kan leiden dat de rechter in de hoofdzaken vooringenomen is tegenover verzoekster of dat zij de (objectief gerechtvaardigde) schijn daarvan heeft gewekt. In dit geval is er namens de rechter inhoudelijk gereageerd op het verzoek van verzoekster om een herstelvonnis te wijzen en wel bij brief van 3 december 2024. Niet kan worden gezegd dat deze motivering in het licht van alle overige omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, alleen kan worden verstaan als een blijk van vooringenomenheid van de rechter tegenover verzoekster. Dat een gelijksoortig verzoek van verzoekster in een andere procedure wel is toegewezen, leidt niet tot een ander oordeel. Dat niet meer zou zijn gereageerd op nadere vragen en opmerkingen van verzoekster, die het met de gegeven motivering niet eens was, is door de rechter weersproken en zou overigens niet hebben kunnen leiden tot het oordeel dat er om díe reden sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. P. Joele, voorzitter, mr. A. Buizer en mr. M.G.L. de Vette, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.