Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-31
ECLI:NL:RBROT:2025:9157
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,592 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 11538144 CV EXPL 25-653
datum uitspraak: 31 juli 2025 bij vervroeging
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A] ,
woonplaats: [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiser in conventie en verweerder in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: [persoon B] ,
tegen
GSWgroep B.V.,
vestigingsplaats: Dordrecht,
gedaagde in conventie en eiseres in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. I. Brand.
De partijen worden hierna [persoon A] en GSW genoemd.
Procesverloop
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 3 februari 2025, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de aantekeningen van de griffier van de zitting op 23 juli 2025.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1
[persoon A] heeft in opdracht van GSW zonnepanelen geplaatst bij klanten van GSW. [persoon A] vordert betaling van zijn facturen die in totaal € 11.455,01 bedragen; en met rente en kosten € 15.805,59.
GSW betwist drie facturen en zij betwist dat de andere factuurbedragen opeisbaar zijn. Als verweer voert GSW het volgende aan:a. GSW mag haar betaling opschorten;
b. GSW heeft een tegenvordering van € 13.674,22 waarmee zij verrekent. Voor het geval het beroep op verrekening niet slaagt vordert GSW dit bedrag in reconventie.
2.2
GSW moet de facturen van [persoon A] betalen en omdat [persoon A] niet in verzuim is gekomen heeft GSW geen recht op schadevergoeding. Deze beslissingen worden hieronder toegelicht.
GSW moet de facturen van [persoon A] betalen
2.3
[persoon A] heeft de volgende facturen gestuurd aan GSW:
nummer
datum
bedrag
[factuurnummer 1]
21-12-2022
297,50
[factuurnummer 2]
22-12-2022
274,89
[factuurnummer 3]
27-12-2022
1.222,46
[factuurnummer 4]
28-12-2022
1.968,41
[factuurnummer 5]
09-01-2023
800,80
[factuurnummer 6]
16-01-2023
412,55
[factuurnummer 7]
18-01-2023
2.928,39
[factuurnummer 8]
23-01-2023
2.545,84
[factuurnummer 9]
23-01-2023
584,89
[factuurnummer 10]
24-01-2023
419,28
Totaal
11.455,01
2.4
Vast staat dat [persoon A] de werkzaamheden die op de facturen staan heeft uitgevoerd. Deze facturen zijn, anders dan GSW aanvoert, opeisbaar, want partijen hebben geen afspraken gemaakt over het tijdstip waarop GSW voor het werk moest betalen. Dan geldt de algemene regel dat terstond nakoming van een verbintenis kan worden gevorderd.
2.5
GSW lijkt zich op het standpunt te stellen dat voor nakoming van een verbintenis uit overeenkomst eerst een aanmaning moet zijn gestuurd. Dat standpunt is onjuist, want het recht op betaling volgt uit de verbintenis tot betaling in de overeenkomst die partijen hebben gesloten.
2.6
De facturen zijn allen afkomstig van de eenmanszaak van [persoon A] met de handelsnaam [naam eenmanszaak] . In het handelsregister staat dat de onderneming is opgeheven op 19 januari 2023.
GSW meent dat de rechtspersoon niet meer bestond, zodat de vordering ten aanzien van de laatste drie facturen moet worden afgewezen. [persoon A] is echter geen rechtspersoon en hij bestaat nog steeds. De facturen moeten worden betaald, want het werk is uitgevoerd. [persoon A] heeft deze facturen eerder gevorderd op naam van zijn BV, maar die vordering is afgewezen, omdat niet kwam vast te staan dan de BV een vorderingsrecht had. GSW hoeft dus niet te vrezen, dat een andere identiteit deze facturen aan haar in rekening zal brengen; zij kan bevrijdend aan [persoon A] betalen.
GSW is in verzuim en mag niet opschorten
2.7
Ter zitting heeft GSW erkend dat partijen een betalingstermijn van 14 dagen zijn overeengekomen. De facturen zijn niet binnen die termijn betaald. De eerste factuur had uiterlijk op 4 januari 2023 betaald moeten zijn en de laatste factuur op 7 februari 2023. Daarmee is zij in verzuim gekomen. Dat betekent dat zij haar betalingsverplichtingen niet mocht opschorten.
GSW heeft geen recht op schadevergoeding
2.8
GSW maakt aanspraak op schadevergoeding. Er moet sprake zijn van verzuim aan de kant van [persoon A] . Verzuim treedt in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.
2.9
GSW stelt dat zij [persoon A] in gebreke heeft gesteld met haar e-mail van 3 februari 2023, maar in deze brief krijgt [persoon A] geen redelijke termijn voor nakoming. Dat is dus geen ingebrekestelling.
2.10
GSW stelt ook nog dat het geen nut zou hebben gehad om [persoon A] aan te manen, want hij heeft in zijn e-mail van 7 februari 2023 aan GSW o.a. meegedeeld:‘We gaan niet met elkaar in gesprek om een en ander verder af te handelen. De situatie is simpel: ik geef jou de materialen. Jij betaalt de openstaande posten. Dat staat ook niet ter discussie. Ik verzoek je dan ook nogmaals vriendelijk het openstaande saldo over te maken’.
2.11
Uit dit bericht kon GSW niet afleiden dat aanmanen nutteloos was, maar dat [persoon A] eerst betaald wilde worden, want verderop in dezelfde e-mail staat ook:
‘Eerdere mails gaf ik ook aan openstaande problemen op te willen lossen waar je wederom geen antwoord op geeft, dat betreur ik ten zeerste.’
Uit deze opmerking had GSW moeten begrijpen dat [persoon A] zich op opschorting bedoelde te beroepen: eerst de rekeningen betalen. [persoon A] was bevoegd om op te schorten, dus GSW is zelf in verzuim gekomen.
Op de zitting heeft [persoon A] nog uitgelegd dat hij geen contactgegevens van de klanten kreeg bij wie iets hersteld moest worden. In dit geval was een ingebrekestelling noodzakelijk voordat [persoon A] in verzuim kon komen. Daar horen een redelijke termijn en voldoende gegevens om dat herstel te kunnen uitvoeren bij.
2.12
Omdat GSW zelf in verzuim was en omdat [persoon A] niet in gebreke is gesteld, is [persoon A] niet in verzuim gekomen. Er is dus voor [persoon A] geen verplichting ontstaan om aan GSW schade te vergoeden.
Dictum
De kantonrechter:
In conventie
3.1
veroordeelt GSW om aan [persoon A] te betalen € 15.805,59 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 11.455,01 vanaf 3 februari 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2
veroordeelt GSW in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden begroot op € 1.801,35 ;
3.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
In reconventie
3.4
wijst af het gevorderde;
3.5
veroordeelt GSW in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.
Artikel 6:38 BW
Antwoord onder 2.3
Artikel 6:83 aanhef en onder a. BW
Artikel 6:82 lid 1 BW
Bijlage 2 bij antwoord
Artikel 6:83 aanhef en onder c. BW
Artikel 6:59 BW
Artikel 233 Rv