Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-04
ECLI:NL:RBROT:2025:9069
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,746 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11072122 CV EXPL 24-11361
datum uitspraak: 4 april 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [plaats 1] ,
eiser,
gemachtigde: mr. J.C. Hennipman,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: [plaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Thielen.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 20 december 2024 en de daarin genoemde stukken;
de akte na tussenvonnis van [eiser] , met bijlagen;
de brief van 22 januari 2025 en de akte bewijsaanbod van [gedaagde] , met een bijlage;
de akte van [gedaagde] , met bijlagen;
de e-mail van de gemachtigde van [gedaagde] van 18 februari 2025, met (herziene) bijlagen;
de akte na akte bewijsaanbod van [eiser] .
2De verdere beoordeling
2.1.
Deze zaak gaat kort gezegd over het volgende. [gedaagde] heeft per 1 januari 2028 het loon van [eiser] voor niet gewerkte uren tussen de dinsdagmiddagen vanaf 14:30 uur en woensdagochtenden tot 9:00 uur ingehouden, omdat de gemaakte afspraak over de werkuren van [eiser] volgens haar een tijdelijk karakter had en was verbonden aan de voorwaarde dat de kinderen van [eiser] nog naar de basisschool gingen. [eiser] is het daar niet mee eens en heeft een loonvordering ingesteld.
2.2.
In het tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld om een aangepaste berekening van zijn eis over te leggen en is aan beide partijen een bewijsopdracht gegeven. Aan [gedaagde] is opgedragen om te bewijzen dat de afspraak over de werktijden van [eiser] (op de dinsdagen na 14:30 uur vrijgesteld van werkzaamheden en op de woensdagen om 9:00 uur beginnen) tijdelijk was en slechts gold voor de periode dat de kinderen van [eiser] op de basisschool zaten. Vanwege proceseconomische redenen is aan [eiser] gelijktijdig opgedragen om te bewijzen dat hij in de periode vanaf 1 januari 2018 meer uren heeft gewerkt dan de 36,1 uur die [gedaagde] aan hem heeft uitbetaald.
2.3.
Beide partijen hebben daarna een akte genomen en vervolgens hebben zij op elkaars akte gereageerd. Op de (nadere) stellingen van de partijen zal hierna, voor zover dat van belang is voor de beoordeling, verder worden ingegaan.
Uitkomst
2.4.
[gedaagde] mag, als zij dat wil, de door haar genoemde personen als getuige doen horen. De bewijsopdracht van [eiser] wordt geherformuleerd. Hierna wordt toegelicht waarom.
Bewijsopdracht [gedaagde]
2.5.
Ter invulling van haar bewijsopdracht heeft [gedaagde] een schriftelijke verklaring van de heer [persoon A] overgelegd en aangeboden om “voor zover toch nodig” in aanvulling daarop deze heer [persoon A] , de heer [persoon B] en de heer [persoon C] te doen horen als getuige.
2.6.
De kantonrechter houdt [gedaagde] voor dat het eerst aan haar is te bepalen op welke wijze zij invulling wil geven aan de haar verstrekte bewijsopdracht en dat pas daarna, nadat [eiser] de gelegenheid heeft gehad om tegenbewijs te leveren, de kantonrechter zal beoordelen of [gedaagde] het van haar verlangde bewijs heeft geleverd.
2.7.
Als [gedaagde] de door haar genoemde personen als getuige wil doen horen, moet zij dat op de hierna genoemde rolzitting kenbaar maken. Gelet op de tijd die is verstreken sinds het opgeven van de verhinderdata voor de getuigenverhoren, dient [gedaagde] dan ook de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden mei tot en met december 2025 op te geven.
Bewijsopdracht [eiser]
2.8.
[eiser] meent dat hij ten onrechte een bewijsopdracht heeft gekregen, omdat de bewijslast conform artikel 7:628 BW bij [gedaagde] als werkgever zou moeten liggen en de noodzakelijke gegevens om aan te tonen hoeveel uur hij heeft gewerkt binnen het domein van [gedaagde] liggen. [gedaagde] is het daar niet mee eens.
De kantonrechter komt niet terug op de bewijslastverdeling
2.9.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel van artikel 150 Rv dat [eiser] de bewijslast draagt van zijn stelling dat hij vanaf 1 januari 2018 te weinig salaris heeft ontvangen. Volgens [eiser] brengt de toepasselijkheid van artikel 7:628 BW een andere verdeling van de bewijslast met zich mee. Naar het oordeel van de kantonrechter berust de opvatting van [eiser] op een verkeerde lezing van de genoemde bepaling. Artikel 7:628 BW is van toepassing in de situatie dat vast staat dat de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, maar dat nog moet worden vastgesteld of het niet-verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. In deze zaak stelt [eiser] zich echter op het standpunt dat de arbeid wel is verricht. Als het standpunt van [eiser] juist is, dan mist de genoemde bepaling dus toepassing. Als (na bewijslevering) zou blijken dat het standpunt van [eiser] niet juist is, dan zou mogelijk nog moeten worden beoordeeld of het niet-verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van [eiser] zou moeten komen. Gelet op het debat tussen partijen tot dusver is echter de vraag of er over en weer voldoende gesteld is om aan die vraag toe te komen. De kantonrechter zal dat na bewijslevering zo nodig verder beoordelen.
2.10.
Ook de omstandigheid dat sprake zou zijn van bewijsonmacht aan de zijde van [eiser] , maakt niet dat het gerechtvaardigd is om het bewijsrisico bij [gedaagde] te leggen. Niet gebleken is dat de noodzakelijke gegevens om aan te tonen hoeveel uur [eiser] heeft gewerkt in het domein van [gedaagde] liggen. Het bestaan van een klok- en inlogsysteem wordt door [gedaagde] betwist en staat daarom niet vast. Bovendien heeft [eiser] daarover zelf tegenstrijdige standpunten ingenomen.
[gedaagde] moet [eiser] toegang verlenen tot zijn e-mailaccount
2.11.
De kantonrechter bepaalt dat [gedaagde] – binnen twee weken na de datum van dit vonnis en voor zover mogelijk - [eiser] naar aanleiding van zijn verzoek toegang moet verlenen tot zijn e-mailaccount voor zover deze gegevens zien op de periode vanaf 1 januari 2018 tot de datum van het einde van zijn dienstverband, omdat dit mogelijk van belang is voor de invulling van de bewijsopdracht van [eiser] en [gedaagde] daartegen bovendien geen bezwaren heeft geuit. De kantonrechter gaat er daarbij van uit dat dit voor [gedaagde] , als werkgever, mogelijk zou moeten zijn. Mocht dit niet het geval zijn, dan dient [gedaagde] binnen de hiervoor genoemde termijn gemotiveerd aan te geven waarom zij daartoe niet in staat is.
De bewijsopdracht van [eiser] is voorwaardelijk
2.12.
De kantonrechter ziet wel aanleiding om in zoverre terug te komen van het tussenvonnis dat van [eiser] enkel bewijs wordt verlangd voor het geval [gedaagde] niet in haar bewijsopdracht slaagt.
2.13.
Als [gedaagde] in haar bewijsopdracht slaagt, volgt namelijk uit het tijdelijke en voorwaardelijke karakter van de afspraak dat [gedaagde] het loon van [eiser] mocht verlagen. De eis van [eiser] wordt in dat geval afgewezen.
2.14.
In het geval [gedaagde] niet in haar bewijsopdracht slaagt en ervan wordt uitgegaan dat de afspraak een permanent karakter had, is van belang of [gedaagde] niettemin de overeengekomen arbeidstijden eenzijdig mocht wijzigen. Die vraag is in het tussenvonnis al ontkennend beantwoord en de kantonrechter blijft daarbij. Vervolgens is dan de vraag of [eiser] meer heeft gewerkt dan de 36,1 uren die aan hem zijn uitbetaald, naar hij heeft gesteld en [gedaagde] heeft betwist. Zoals hiervoor overwogen ligt de bewijslast van de juistheid van zijn stelling op grond van artikel 150 Rv wel degelijk bij [eiser] .
Dictum
De kantonrechter:
bewijsopdracht [gedaagde]
3.1.
bepaalt dat [gedaagde] zich op de rolzitting van donderdag 1 mei 2025 om 11:30 uur schriftelijk mag uitlaten over de vraag of zij getuigen wil doen horen; als zij dat wil, moet zij bij die reactie de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden mei tot en met december 2025 opgeven;
3.2.
wijst [gedaagde] erop dat zij in dat geval, na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor, zelf de door haar opgegeven getuigen moet oproepen;
bewijsopdracht [eiser]
3.3.
draagt [eiser] , voor het geval [gedaagde] niet slaagt in haar bewijsopdracht, op om te bewijzen dat hij in de periode vanaf 1 januari 2018 tot aan zijn ziekmelding de op de dinsdagmiddagen na 14:30 uur en woensdagochtenden voor 9:00 uur gemiste uren buiten kantoortijd heeft ingehaald;
3.4.
bepaalt dat als [eiser] getuigen wil doen horen, hij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd, het aantal en de personalia van die getuigen en verhinderdata van die getuigen en beide partijen voor de maanden mei tot en met december 2025 moet opgeven;
3.5.
wijst erop dat [eiser] na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen die niet door [gedaagde] worden opgeroepen;
3.6.
bepaalt dat [gedaagde] binnen twee weken na de datum van dit vonnis hetzij [eiser] toegang moet verlenen tot zijn e-mailaccount voor zover deze gegevens zien op de periode vanaf 1 januari 2018 tot de datum van het einde van zijn dienstverband, hetzij, indien dat niet mogelijk is, zich binnen de genoemde termijn moet uitlaten over de redenen waarom dat onmogelijk is, door een bericht aan de griffie met kopie aan [eiser] ;
voor het overige
3.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
43416