Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-07
ECLI:NL:RBROT:2025:9054
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
11,150 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/611181 / FA RK 21-169 en C/10/689824 / JE RK 24-2514
Datum uitspraak: 7 juli 2025
Beschikking van de meervoudige kamer
in de zaken van:
C/10/611181 / FA RK 21-169
[de vader]
,
hierna: de vader, wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. A.C.M. van Lieshout, kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,
en
C/10/689824 / JE RK 24-2514
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
met betrekking tot de minderjarigen:
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt in beide zaken als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna: de moeder, wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. M. Jonkman, kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel.
De rechtbank merkt verder als belanghebbenden aan:
in zaaknummer 611181: de GI en
in zaaknummer 689824: de vader.
In zijn adviserende taak is in deze procedures gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 11 februari 2025, met de daaraan ten grondslag liggende stukken;
het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige kamer in deze rechtbank in zaaknummer 611181 van 8 april 2025;
- de brief van de GI met bijlagen van 9 mei 2025;
- het rapport met bijlagen van de Raad van 30 juni 2025.
1.2.
Op 7 juli 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
De rechtbank heeft bij beschikking van 11 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 18 juli 2025 en het overig verzochte aangehouden.
3De (aangehouden) verzoeken
3.1.
De vader heeft bij het gewijzigde verzoekschrift van 11 december 2024 verzocht:
- primair: te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de
vader;
- subsidiair: dat de kinderen uit huis worden geplaatst en meer specifiek bij de
vader;
- meer subsidiair: een zorg- en contactregeling vast te stellen, waarbij de kinderen
bij de vader verblijven:
- in januari, februari, maart 2025: één dagdeel per veertien dagen, zulks enkel onder begeleiding van de jeugdbeschermer;
- in april, mei, juni 2025: één dagdeel per veertien dagen (onbegeleid);
- in juli en augustus 2025: één weekenddag per veertien dagen (onbegeleid);
- in september en oktober: éénmaal per veertien dagen van zaterdag 09:00 uur tot zondag 19:00 uur;
- vanaf november 2025: om het weekend van vrijdagmiddag 15:00 uur dan wel uit school tot zondag 19:00 uur;
- waarbij de vader brengt en haalt;
- tijdens de schoolvakanties loopt de omgangsregeling door;
- verdeling van de schoolvakanties bij helfte;
- de vader mede te belasten met het gezag over de kinderen en de griffier te gelasten
om hiervan aantekening te laten maken in het gezagsregister;
- de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar zelfstandige verzoeken dan wel
de zelfstandige verzoeken van de moeder af te wijzen.
3.2.
De moeder heeft zelfstandig (en aanvullend op 30 januari 2025) verzocht:
- dat een bijzondere curator wordt benoemd;
- de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel de verzoeken
van de vader af te wijzen;
- de GI te ontslaan uit de functie als jeugdbeschermer over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de gecertificeerde
instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: GI LdH).
Ten aanzien van de laatste twee gedachtestreepjes heeft de advocaat van de moeder tijdens de eerdere zitting op 11 februari 2025 aangegeven dat deze dienen te worden opgevat als een verzoek tot vervanging van de GI als bedoeld in artikel 1:259 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dit verzoek wordt gehandhaafd indien de (huidige) GI niet kan toezeggen dat een andere jeugdbeschermer bij het gezin betrokken raakt.
3.3.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank moet nog beslissen over de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden, te weten tot 18 januari 2026.
4De standpunten
Het standpunt van de GI
4.1.
De GI heeft haar aangehouden verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is nog aanwezig. De GI heeft geen aanmeldingen voor hulpverlening gedaan, nu er al geruime tijd geen vaste jeugdbeschermer betrokken is. Het gezin staat op de wachtlijst van cluster 3 van de GI; hierop staan ongeveer vijftig gezinnen. Het is niet bekend op welke plek dit gezin staat. Evenmin is bekend waarom er geen aanmeldingen voor hulpverlening zijn gedaan. Nu er geen jeugdbeschermer betrokken is, is de uitvoering van de ondertoezichtstelling moeilijk. De GI staat daarom achter het verzoek van de moeder om de GI te laten vervangen door de GI LdH. De GI vindt het positief om te horen dat de ouders wel open staan voor hulpverlening. De GI acht het van belang dat eerst hulp voor de ouders wordt ingezet, voordat er gesprekken met de kinderen gevoerd worden.
Het standpunt van de vader
4.2.
Namens en door de vader is geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Ter zitting heeft hij verzocht om zijn verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats, subsidiair een machtiging tot uithuisplaatsing bij hem en een omgangsregeling, aan te houden voor de duur van zes maanden, in afwachting van de hulpverlening die in het kader van de ondertoezichtstelling zal worden ingezet. Desgevraagd wordt namens de vader aangegeven dat bekend is dat een ouder niet de uithuisplaatsing van zijn kind kan vragen, maar dat dit moet worden gezien als een noodkreet. De komende periode dient te worden gewerkt aan contactherstel tussen de vader en de kinderen. Voorkomen moet worden dat de vader uit het leven van de kinderen wordt gewist en dat zij geen vaderbeeld kunnen ontwikkelen.
4.3.
De vader is het eens met het advies van de Raad dat tijdens de ondertoezichtstelling eerst systeemtherapie in gang moet worden gezet, zodat er zicht komt op de huidige situatie waarin de vader geheel afgewezen wordt. De behandeling van [minderjarige 1] bij Fier moet volgens de vader stoppen, aangezien de behandeling tot op heden niet tot vermindering van de klachten heeft geleid. Bovendien vinden de gesprekken plaats in aanwezigheid van de moeder. [minderjarige 1] moet vrijuit kunnen praten. Het is van groot belang dat de hulpverlening, waaronder systeemtherapie, op korte termijn kan starten. De vader hoopt daarom dat er zo spoedig mogelijk een nieuwe jeugdbeschermer betrokken raakt. Ten aanzien van het verzoek vervanging GI van de moeder is de vader van mening dat dit niet in het belang van de kinderen is. Dit zou voor nog meer vertraging zorgen.
4.4.
De vader heeft verzocht zijn verzoek tot gezamenlijk gezag toe te wijzen. Het uitgangspunt is dat ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Hulpverlening heeft tot nu toe niet geleid tot verbetering van de communicatie. De huidige situatie, waarin de vader verstoken blijft van informatie, leidt niet tot het gewenste resultaat. Nu de inzet van hulpverlening niet heeft geleid tot verbetering van de situatie, zou gezamenlijk gezag juist voor verbetering kunnen zorgen. Het biedt ook bescherming tegen een mogelijke verhuizing van de moeder met de kinderen naar het buitenland.
4.5.
Tegen het verzoek van de moeder tot benoeming van een bijzondere curator voert de vader geen verweer. De vader is bereid hieraan mee te werken, maar vraagt zich af of de benoeming in het belang van de kinderen is. De benoeming is volgens de vader onnodig belastend voor de kinderen, omdat zij al veel hulpverleners hebben gesproken. De vader vraagt zich daarom af wat de meerwaarde ervan is.
Het standpunt van de moeder
4.6.
Namens en door de moeder is ter zitting geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij benadrukt dat het van belang is dat er een bijzondere curator wordt benoemd, die de ruimte en tijd kan nemen om met de kinderen te praten. Er is een strijd tussen de ouders. De moeder vindt het zorgelijk dat de vader de schuld volledig bij haar legt.
4.7.
Het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats te wijzigen, subsidiair een machtiging tot uithuisplaatsing bij hem te verlenen, dient te worden afgewezen. De vader wil de situatie doorbreken, maar handelt op deze manier niet in het belang van de kinderen. De moeder heeft ook verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag.
Beoordeling
Verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De ouders zijn niet in staat om met elkaar te communiceren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben al lange tijd geen contact met hun vader. Zij groeien momenteel op met een negatief beeld over hun vader. Omdat er geen contact is, krijgen zij niet de mogelijkheid om een eigen beeld over hun vader te creëren. [minderjarige 1] volgt op dit moment traumatherapie bij Fier. Daarnaast zou er systemische hulpverlening ingezet moeten worden. De ouders moeten begeleid worden in hun onderlinge communicatie, zodat in het belang van hun kinderen de strijd vermindert.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig; een onafhankelijke derde moet de regie nemen en de ouders begeleiden in het proces naar een situatie waarin de kinderen met beide ouders een fijn en onbelast contact kunnen hebben. De Raad heeft hiertoe in zijn rapport aanwijzingen gegeven. De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op grond van het volgende voor niet langer dan twee maanden, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.
5.4.
Op grond van art. 4.1.1. van de Jeugdwet dient de GI verantwoorde hulp te verlenen, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. Aan dit vereiste wordt al geruime tijd door de GI niet voldaan. De rechtbank stelt vast dat er al maanden geen vaste jeugdbeschermer betrokken is bij het gezin, terwijl dat wel heel hard nodig is. Het gezin staat sinds februari 2025 op een zogenaamde uitdeellijst voor een nieuwe jeugdbeschermer. Door een vertrouwensbreuk kon de eerdere jeugdbeschermer niet betrokken blijven bij het gezin in afwachting van een nieuwe jeugdbeschermer. Er zijn de afgelopen maanden door de GI geen gesprekken gevoerd met de kinderen en er is geen enkele aanmelding voor hulpverlening gedaan, terwijl de ouders hiertoe wel bereid zijn. Ter zitting heeft de GI aangegeven dat in de regio waaronder het gezin valt (cluster 3), zeker vijftig gezinnen op de wachtlijst staan voor een vaste jeugdbeschermer. De rechtbank vindt het onaanvaardbaar dat een gezin waarbinnen de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, al maandenlang geen enkele begeleiding krijgt. Op verzoek van de rechtbank heeft de vertegenwoordiging van de GI tijdens de zitting navraag gedaan bij de GI. Hieruit bleek dat zelfs niet bekend is op welke plek op de wachtlijst het gezin staat.
5.5.
De rechtbank vindt het opmerkelijk dat er zelfs geen aanmeldingen voor het gezin voor hulpverlening zijn gedaan. Voor zover bij de rechtbank bekend, gebeurt dit normaliter wel, ook als een gezin op de wachtlijst staat en zeker wanneer een gezin bereid is hulpverlening te accepteren. Dit maakt dat de rechtbank zich afvraagt in hoeverre de ondertoezichtstelling nog doelmatig is. De rechtbank acht zich op dat punt onvoldoende geïnformeerd en zal daarom het overig verzochte aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum. De rechtbank wil voor die tijd nader geïnformeerd worden over de wachtlijst bij de GI: hoeveel gezinnen staan op deze wachtlijst en op welke plek staan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ? Op welke termijn krijgt het gezin een vaste jeugdbeschermer? En wat is er de oorzaak van dat het gezin niet aangemeld is voor hulpverlening? Verdere vragen die de rechtbank heeft staan hierna vermeld in punt 5.8.
Verzoek wijziging hoofdverblijfplaats, zorg-/omgangsregeling en gezamenlijk gezag
5.6.
Gezien het gestagneerde traject binnen de ondertoezichtstelling zal de rechtbank de verzoeken van de vader betreffende de hoofdverblijfplaats, de omgangsegeling en het gezag aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.
Verzoek machtiging tot uithuisplaatsing bij vader
5.7.
De vader heeft (subsidiair) verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij hem te verlenen. Uit artikel 1:265b BW blijkt dat een dergelijke machtiging alleen kan worden verleend op verzoek van de GI, de Raad of het Openbaar Ministerie. Een ouder heeft in de wet geen mogelijkheid gekregen een machtiging tot uithuisplaatsing van zijn kind te verzoeken. Om die reden zal de rechtbank de vader in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
Verzoek vervanging GI
5.8.
In verband met de gestagneerde ondertoezichtstelling heeft de moeder verzocht de GI te vervangen door de GI LdH. Het is niet bekend of die GI bereid en in staat is de ondertoezichtstelling uit te voeren, mede omdat niet bekend is of de GI LdH momenteel een wachtlijst heeft. Aan de vereisten van artikel 4.1.1. van de Jeugdwet wordt al geruime tijd door de GI niet voldaan. De vraag is echter of de GI LdH hier wel toe in staat is. Dit verzoek van de moeder zal daarom eveneens worden aangehouden. De rechtbank wenst geïnformeerd te worden over de (eventuele) wachtlijst bij die GI en over de vraag of de GI LdH bereid is om de ondertoezichtstelling over te nemen.
5.9.
De rechtbank verzoekt de GI hierover en over de onder 5.5. genoemde vragen uiterlijk twee weken voor de zittingsdatum te rapporteren.
5.10.
De rechtbank zal de GI LdH en de gemeente Rotterdam (als verantwoordelijke voor passende jeugdhulp) als informant uitnodigen op de volgende zitting om nadere informatie te verstrekken.
5.11.
Tot slot overweegt de rechtbank dat deze beslissing niet wegneemt dat de GI alles op alles moet zetten om met de grootste spoed een vaste jeugdbeschermer aan het gezin toe te wijzen, opdat de ondertoezichtstelling weer naar behoren zal worden uitgevoerd.
Verzoek benoeming bijzondere curatoren
5.12.
De moeder heeft verzocht een bijzondere curator te benoemen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Artikel 1:250 BW bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden over de verzorging en opvoeding van een minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouder in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen, als de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht.
5.13.
Gebleken is dat zich een belangenstrijd in de zin van voornoemd artikel voordoet. Het lukt de ouders al jaren niet om in het belang van hun kinderen op enige manier tot consensus te komen. Hierdoor hebben de kinderen hun vader al jarenlang niet gezien. Zij hebben een negatief vaderbeeld en krijgen niet de kans om dit beeld door nieuwe ervaringen met de vader om te buigen. Hierdoor komt hun identiteitsontwikkeling in gevaar. De inzet van hulpverlening heeft tot nu toe geen verbetering gebracht. Daarnaast is het proces gestagneerd door de afwezigheid van een vaste jeugdbeschermer voor het gezin. De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat onafhankelijke personen als bijzondere curatoren hun belangen zowel in als buiten rechte gaan vertegenwoordigen.
5.14.
[persoon A] , advocaat, en [persoon B] , gedragsdeskundige, zijn bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curatoren van de kinderen op te treden. Zij zullen hiertoe door de rechtbank worden benoemd.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 18 september 2025;
6.2.
benoemt tot bijzondere curatoren om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te vertegenwoordigen:
[persoon A] , kantoorhoudende aan [adres 1] , [postcode 1] [plaats 3] , en
[persoon B] , kantoorhoudende aan [adres 2] , [postcode 2] [plaats 4] ;
6.3.
bepaalt dat de benoeming tot bijzondere curator vooralsnog geldt tot 1 januari 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn (subsidiaire) verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing bij hem te verlenen;
6.6.
houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan een bepaalt dat de verdere behandeling van de verzoeken zal plaatsvinden tijdens de zitting van de meervoudige kamer op 2 september 2025 om 16:00 uur in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100/125 te Rotterdam;
6.7.
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor deze zittingsdatum over de onder 5.5. en 5.8. genoemde vragen te rapporteren;
6.8.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, de bijzondere curatoren, de ouders en hun advocaten;
6.9.
vraagt de griffier de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering en de gemeente Rotterdam op te roepen als informant;
6.10.
de zaak zal, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mrs. D.I. Hendriks-van Wel, M.A. van der Laan-Kuijt en A.A.J. de Nijs;
6.11.
vraagt de griffier [minderjarige 1] op te roepen voor een kindgesprek op 2 september 2025 om 11:00 uur;
6.12.
vraagt de griffier [minderjarige 2] op te roepen voor een kindgesprek op 2 september 2025 om 11:20 uur.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2025 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, voorzitter tevens kinderrechter, en mr. M.A. van der Laan-Kuijt en mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. L.F. Verhaart als griffier, en op schrift gesteld op 21 juli 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/611181 / FA RK 21-169 en C/10/689824 / JE RK 24-2514
Datum uitspraak: 7 juli 2025
Beschikking van de meervoudige kamer
in de zaken van:
C/10/611181 / FA RK 21-169
[de vader]
,
hierna: de vader, wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. A.C.M. van Lieshout, kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,
en
C/10/689824 / JE RK 24-2514
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
met betrekking tot de minderjarigen:
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt in beide zaken als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna: de moeder, wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. M. Jonkman, kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel.
De rechtbank merkt verder als belanghebbenden aan:
in zaaknummer 611181: de GI en
in zaaknummer 689824: de vader.
In zijn adviserende taak is in deze procedures gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 11 februari 2025, met de daaraan ten grondslag liggende stukken;
het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige kamer in deze rechtbank in zaaknummer 611181 van 8 april 2025;
- de brief van de GI met bijlagen van 9 mei 2025;
- het rapport met bijlagen van de Raad van 30 juni 2025.
1.2.
Op 7 juli 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
De rechtbank heeft bij beschikking van 11 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 18 juli 2025 en het overig verzochte aangehouden.
3De (aangehouden) verzoeken
3.1.
De vader heeft bij het gewijzigde verzoekschrift van 11 december 2024 verzocht:
- primair: te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de
vader;
- subsidiair: dat de kinderen uit huis worden geplaatst en meer specifiek bij de
vader;
- meer subsidiair: een zorg- en contactregeling vast te stellen, waarbij de kinderen
bij de vader verblijven:
- in januari, februari, maart 2025: één dagdeel per veertien dagen, zulks enkel onder begeleiding van de jeugdbeschermer;
- in april, mei, juni 2025: één dagdeel per veertien dagen (onbegeleid);
- in juli en augustus 2025: één weekenddag per veertien dagen (onbegeleid);
- in september en oktober: éénmaal per veertien dagen van zaterdag 09:00 uur tot zondag 19:00 uur;
- vanaf november 2025: om het weekend van vrijdagmiddag 15:00 uur dan wel uit school tot zondag 19:00 uur;
- waarbij de vader brengt en haalt;
- tijdens de schoolvakanties loopt de omgangsregeling door;
- verdeling van de schoolvakanties bij helfte;
- de vader mede te belasten met het gezag over de kinderen en de griffier te gelasten
om hiervan aantekening te laten maken in het gezagsregister;
- de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar zelfstandige verzoeken dan wel
de zelfstandige verzoeken van de moeder af te wijzen.
3.2.
De moeder heeft zelfstandig (en aanvullend op 30 januari 2025) verzocht:
- dat een bijzondere curator wordt benoemd;
- de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel de verzoeken
van de vader af te wijzen;
- de GI te ontslaan uit de functie als jeugdbeschermer over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de gecertificeerde
instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: GI LdH).
Ten aanzien van de laatste twee gedachtestreepjes heeft de advocaat van de moeder tijdens de eerdere zitting op 11 februari 2025 aangegeven dat deze dienen te worden opgevat als een verzoek tot vervanging van de GI als bedoeld in artikel 1:259 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dit verzoek wordt gehandhaafd indien de (huidige) GI niet kan toezeggen dat een andere jeugdbeschermer bij het gezin betrokken raakt.
3.3.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank moet nog beslissen over de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden, te weten tot 18 januari 2026.
4De standpunten
Het standpunt van de GI
4.1.
De GI heeft haar aangehouden verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is nog aanwezig. De GI heeft geen aanmeldingen voor hulpverlening gedaan, nu er al geruime tijd geen vaste jeugdbeschermer betrokken is. Het gezin staat op de wachtlijst van cluster 3 van de GI; hierop staan ongeveer vijftig gezinnen. Het is niet bekend op welke plek dit gezin staat. Evenmin is bekend waarom er geen aanmeldingen voor hulpverlening zijn gedaan. Nu er geen jeugdbeschermer betrokken is, is de uitvoering van de ondertoezichtstelling moeilijk. De GI staat daarom achter het verzoek van de moeder om de GI te laten vervangen door de GI LdH. De GI vindt het positief om te horen dat de ouders wel open staan voor hulpverlening. De GI acht het van belang dat eerst hulp voor de ouders wordt ingezet, voordat er gesprekken met de kinderen gevoerd worden.
Het standpunt van de vader
4.2.
Namens en door de vader is geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Ter zitting heeft hij verzocht om zijn verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats, subsidiair een machtiging tot uithuisplaatsing bij hem en een omgangsregeling, aan te houden voor de duur van zes maanden, in afwachting van de hulpverlening die in het kader van de ondertoezichtstelling zal worden ingezet. Desgevraagd wordt namens de vader aangegeven dat bekend is dat een ouder niet de uithuisplaatsing van zijn kind kan vragen, maar dat dit moet worden gezien als een noodkreet. De komende periode dient te worden gewerkt aan contactherstel tussen de vader en de kinderen. Voorkomen moet worden dat de vader uit het leven van de kinderen wordt gewist en dat zij geen vaderbeeld kunnen ontwikkelen.
4.3.
De vader is het eens met het advies van de Raad dat tijdens de ondertoezichtstelling eerst systeemtherapie in gang moet worden gezet, zodat er zicht komt op de huidige situatie waarin de vader geheel afgewezen wordt. De behandeling van [minderjarige 1] bij Fier moet volgens de vader stoppen, aangezien de behandeling tot op heden niet tot vermindering van de klachten heeft geleid. Bovendien vinden de gesprekken plaats in aanwezigheid van de moeder. [minderjarige 1] moet vrijuit kunnen praten. Het is van groot belang dat de hulpverlening, waaronder systeemtherapie, op korte termijn kan starten. De vader hoopt daarom dat er zo spoedig mogelijk een nieuwe jeugdbeschermer betrokken raakt. Ten aanzien van het verzoek vervanging GI van de moeder is de vader van mening dat dit niet in het belang van de kinderen is. Dit zou voor nog meer vertraging zorgen.
4.4.
De vader heeft verzocht zijn verzoek tot gezamenlijk gezag toe te wijzen. Het uitgangspunt is dat ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Hulpverlening heeft tot nu toe niet geleid tot verbetering van de communicatie. De huidige situatie, waarin de vader verstoken blijft van informatie, leidt niet tot het gewenste resultaat. Nu de inzet van hulpverlening niet heeft geleid tot verbetering van de situatie, zou gezamenlijk gezag juist voor verbetering kunnen zorgen. Het biedt ook bescherming tegen een mogelijke verhuizing van de moeder met de kinderen naar het buitenland.
4.5.
Tegen het verzoek van de moeder tot benoeming van een bijzondere curator voert de vader geen verweer. De vader is bereid hieraan mee te werken, maar vraagt zich af of de benoeming in het belang van de kinderen is. De benoeming is volgens de vader onnodig belastend voor de kinderen, omdat zij al veel hulpverleners hebben gesproken. De vader vraagt zich daarom af wat de meerwaarde ervan is.
Het standpunt van de moeder
4.6.
Namens en door de moeder is ter zitting geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij benadrukt dat het van belang is dat er een bijzondere curator wordt benoemd, die de ruimte en tijd kan nemen om met de kinderen te praten. Er is een strijd tussen de ouders. De moeder vindt het zorgelijk dat de vader de schuld volledig bij haar legt.
4.7.
Het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats te wijzigen, subsidiair een machtiging tot uithuisplaatsing bij hem te verlenen, dient te worden afgewezen. De vader wil de situatie doorbreken, maar handelt op deze manier niet in het belang van de kinderen. De moeder heeft ook verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag.
Beoordeling
Verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De ouders zijn niet in staat om met elkaar te communiceren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben al lange tijd geen contact met hun vader. Zij groeien momenteel op met een negatief beeld over hun vader. Omdat er geen contact is, krijgen zij niet de mogelijkheid om een eigen beeld over hun vader te creëren. [minderjarige 1] volgt op dit moment traumatherapie bij Fier. Daarnaast zou er systemische hulpverlening ingezet moeten worden. De ouders moeten begeleid worden in hun onderlinge communicatie, zodat in het belang van hun kinderen de strijd vermindert.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig; een onafhankelijke derde moet de regie nemen en de ouders begeleiden in het proces naar een situatie waarin de kinderen met beide ouders een fijn en onbelast contact kunnen hebben. De Raad heeft hiertoe in zijn rapport aanwijzingen gegeven. De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op grond van het volgende voor niet langer dan twee maanden, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.
5.4.
Op grond van art. 4.1.1. van de Jeugdwet dient de GI verantwoorde hulp te verlenen, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. Aan dit vereiste wordt al geruime tijd door de GI niet voldaan. De rechtbank stelt vast dat er al maanden geen vaste jeugdbeschermer betrokken is bij het gezin, terwijl dat wel heel hard nodig is. Het gezin staat sinds februari 2025 op een zogenaamde uitdeellijst voor een nieuwe jeugdbeschermer. Door een vertrouwensbreuk kon de eerdere jeugdbeschermer niet betrokken blijven bij het gezin in afwachting van een nieuwe jeugdbeschermer. Er zijn de afgelopen maanden door de GI geen gesprekken gevoerd met de kinderen en er is geen enkele aanmelding voor hulpverlening gedaan, terwijl de ouders hiertoe wel bereid zijn. Ter zitting heeft de GI aangegeven dat in de regio waaronder het gezin valt (cluster 3), zeker vijftig gezinnen op de wachtlijst staan voor een vaste jeugdbeschermer. De rechtbank vindt het onaanvaardbaar dat een gezin waarbinnen de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, al maandenlang geen enkele begeleiding krijgt. Op verzoek van de rechtbank heeft de vertegenwoordiging van de GI tijdens de zitting navraag gedaan bij de GI. Hieruit bleek dat zelfs niet bekend is op welke plek op de wachtlijst het gezin staat.
5.5.
De rechtbank vindt het opmerkelijk dat er zelfs geen aanmeldingen voor het gezin voor hulpverlening zijn gedaan. Voor zover bij de rechtbank bekend, gebeurt dit normaliter wel, ook als een gezin op de wachtlijst staat en zeker wanneer een gezin bereid is hulpverlening te accepteren. Dit maakt dat de rechtbank zich afvraagt in hoeverre de ondertoezichtstelling nog doelmatig is. De rechtbank acht zich op dat punt onvoldoende geïnformeerd en zal daarom het overig verzochte aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum. De rechtbank wil voor die tijd nader geïnformeerd worden over de wachtlijst bij de GI: hoeveel gezinnen staan op deze wachtlijst en op welke plek staan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ? Op welke termijn krijgt het gezin een vaste jeugdbeschermer? En wat is er de oorzaak van dat het gezin niet aangemeld is voor hulpverlening? Verdere vragen die de rechtbank heeft staan hierna vermeld in punt 5.8.
Verzoek wijziging hoofdverblijfplaats, zorg-/omgangsregeling en gezamenlijk gezag
5.6.
Gezien het gestagneerde traject binnen de ondertoezichtstelling zal de rechtbank de verzoeken van de vader betreffende de hoofdverblijfplaats, de omgangsegeling en het gezag aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.
Verzoek machtiging tot uithuisplaatsing bij vader
5.7.
De vader heeft (subsidiair) verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij hem te verlenen. Uit artikel 1:265b BW blijkt dat een dergelijke machtiging alleen kan worden verleend op verzoek van de GI, de Raad of het Openbaar Ministerie. Een ouder heeft in de wet geen mogelijkheid gekregen een machtiging tot uithuisplaatsing van zijn kind te verzoeken. Om die reden zal de rechtbank de vader in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
Verzoek vervanging GI
5.8.
In verband met de gestagneerde ondertoezichtstelling heeft de moeder verzocht de GI te vervangen door de GI LdH. Het is niet bekend of die GI bereid en in staat is de ondertoezichtstelling uit te voeren, mede omdat niet bekend is of de GI LdH momenteel een wachtlijst heeft. Aan de vereisten van artikel 4.1.1. van de Jeugdwet wordt al geruime tijd door de GI niet voldaan. De vraag is echter of de GI LdH hier wel toe in staat is. Dit verzoek van de moeder zal daarom eveneens worden aangehouden. De rechtbank wenst geïnformeerd te worden over de (eventuele) wachtlijst bij die GI en over de vraag of de GI LdH bereid is om de ondertoezichtstelling over te nemen.
5.9.
De rechtbank verzoekt de GI hierover en over de onder 5.5. genoemde vragen uiterlijk twee weken voor de zittingsdatum te rapporteren.
5.10.
De rechtbank zal de GI LdH en de gemeente Rotterdam (als verantwoordelijke voor passende jeugdhulp) als informant uitnodigen op de volgende zitting om nadere informatie te verstrekken.
5.11.
Tot slot overweegt de rechtbank dat deze beslissing niet wegneemt dat de GI alles op alles moet zetten om met de grootste spoed een vaste jeugdbeschermer aan het gezin toe te wijzen, opdat de ondertoezichtstelling weer naar behoren zal worden uitgevoerd.
Verzoek benoeming bijzondere curatoren
5.12.
De moeder heeft verzocht een bijzondere curator te benoemen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Artikel 1:250 BW bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden over de verzorging en opvoeding van een minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouder in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen, als de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht.
5.13.
Gebleken is dat zich een belangenstrijd in de zin van voornoemd artikel voordoet. Het lukt de ouders al jaren niet om in het belang van hun kinderen op enige manier tot consensus te komen. Hierdoor hebben de kinderen hun vader al jarenlang niet gezien. Zij hebben een negatief vaderbeeld en krijgen niet de kans om dit beeld door nieuwe ervaringen met de vader om te buigen. Hierdoor komt hun identiteitsontwikkeling in gevaar. De inzet van hulpverlening heeft tot nu toe geen verbetering gebracht. Daarnaast is het proces gestagneerd door de afwezigheid van een vaste jeugdbeschermer voor het gezin. De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat onafhankelijke personen als bijzondere curatoren hun belangen zowel in als buiten rechte gaan vertegenwoordigen.
5.14.
[persoon A] , advocaat, en [persoon B] , gedragsdeskundige, zijn bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curatoren van de kinderen op te treden. Zij zullen hiertoe door de rechtbank worden benoemd.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 18 september 2025;
6.2.
benoemt tot bijzondere curatoren om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te vertegenwoordigen:
[persoon A] , kantoorhoudende aan [adres 1] , [postcode 1] [plaats 3] , en
[persoon B] , kantoorhoudende aan [adres 2] , [postcode 2] [plaats 4] ;
6.3.
bepaalt dat de benoeming tot bijzondere curator vooralsnog geldt tot 1 januari 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn (subsidiaire) verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing bij hem te verlenen;
6.6.
houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan een bepaalt dat de verdere behandeling van de verzoeken zal plaatsvinden tijdens de zitting van de meervoudige kamer op 2 september 2025 om 16:00 uur in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100/125 te Rotterdam;
6.7.
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor deze zittingsdatum over de onder 5.5. en 5.8. genoemde vragen te rapporteren;
6.8.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, de bijzondere curatoren, de ouders en hun advocaten;
6.9.
vraagt de griffier de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering en de gemeente Rotterdam op te roepen als informant;
6.10.
de zaak zal, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mrs. D.I. Hendriks-van Wel, M.A. van der Laan-Kuijt en A.A.J. de Nijs;
6.11.
vraagt de griffier [minderjarige 1] op te roepen voor een kindgesprek op 2 september 2025 om 11:00 uur;
6.12.
vraagt de griffier [minderjarige 2] op te roepen voor een kindgesprek op 2 september 2025 om 11:20 uur.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2025 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, voorzitter tevens kinderrechter, en mr. M.A. van der Laan-Kuijt en mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. L.F. Verhaart als griffier, en op schrift gesteld op 21 juli 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.