Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-16
ECLI:NL:RBROT:2025:9043
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,174 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 16 juli 2025
[verzoeker]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 8 april 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Op 18 juni 2025 heeft de rechtbank een e-mailbericht ontvanger van de schuldhulpverlener. De schuldhulpverlener geeft in haar e-mailbericht aan dat zij zich, vanwege onacceptabel en verbaal grensoverschrijdend gedrag van verzoeker, afmeld voor de zitting van 9 juli 2025.
Ter zitting van 9 juli 2025 zijn verschenen en gehoord:
de heer [verzoeker] , verzoeker;
mevrouw [persoon A] , begeleider van verzoeker.
De uitspraak is bepaald op heden.
Feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit een PW-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 25.031,55.
Beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoeker heeft veel schulden die binnen de afgelopen drie jaar zijn ontstaan. Verzoeker heeft schulden gemaakt die duiden op overbesteding. Daaronder verstaat de rechtbank schulden waarvan het aangaan niet strikt noodzakelijk was en waarvan verzoeker op het moment van aangaan wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij niet in staat zou zijn om deze te betalen. Verzoeker heeft ook schulden bij het CJIB van in totaal € 2.225,88. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat deze schulden betrekking hebben op verkeersboetes. Eén boete voor het negeren van een gesloten verklaring valt binnen de driejaarstermijn. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan.
Ook heeft verzoeker een onderneming. Verzoeker heeft zijn onderneming niet uitgeschreven bij de KVK. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij zijn onderneming wil voortzetten. Naar het oordeel van de rechtbank is dit, in de situatie van verzoeker, niet mogelijk in de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Verzoeker heeft de rechtbank geen blijk gegeven van een saneringsgezinde houding. Naar het oordeel van de rechtbank is verzoeker op zijn minst nog niet saneringsrijp.
Feiten
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.