Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-27
ECLI:NL:RBROT:2025:9018
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
19,724 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10-223449-24
Datum uitspraak: 27 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd
in [naam PI] ,
raadsvrouw mr. E.P.N. Pieterse, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 januari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officieren van justitie mrs. J. Boender en K. Broere hebben gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren met aftrek van voorarrest.
4Waardering van het bewijs
Standpunt verdediging met betrekking tot feit 1
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte het slachtoffer moedwillig wilde doodslaan. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat ook de opzet in voorwaardelijke zin heeft ontbroken. Naar uiterlijke verschijningsvorm kan niet zonder meer worden gesteld dat de verdachte zichtbaar bewapend het slachtoffer aanviel om dodelijk letsel toe te brengen. Er ging over en weer een gevecht aan vooraf waarbij de verdachte net iets sneller was dan het slachtoffer om de op de grond gevallen schroevendraaier te grijpen. Vervolgens heeft de verdachte met de schroevendraaier in zijn hand het slachtoffer geslagen. Niet was te verwachten dat dit tot de dood van het slachtoffer zou leiden.
Beoordeling
Vaststaat dat op 8 juli 2024 door de verdachte geweld is gepleegd tegen het slachtoffer en dat het slachtoffer is overleden ten gevolge van hersenletsel veroorzaakt door een penetrerende krachtsinwerking op het hoofd. Hierbij is gebruik gemaakt van een rond, scherp, niet-buigzaam voorwerp dat niet gemakkelijk breekt. Als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte tijdens de confrontatie met het slachtoffer een schroevendraaier in zijn hand vasthield.
Het bewijs ontbreekt dat de verdachte vol opzet had op de dood van het slachtoffer, nu niet is komen vast te staan dat de verdachte de intentie heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
De stelling van de verdachte dat er een worsteling heeft plaatsgevonden met het slachtoffer en dat de verdachte net iets sneller was om de gevallen schroevendraaier op te rapen, wordt niet ondersteund door de inhoud van het dossier. Getuigen hebben verklaard dat meerdere mannen in de richting van het slachtoffer renden en dat zij met hem begonnen te vechten. Eén van de mannen maakte slaande bewegingen naar het hoofd van het slachtoffer en een ander maakte een trappende beweging naar het slachtoffer. Het slachtoffer viel achterover op de grond en bewoog niet meer. De slaande man had een schroevendraaier in zijn hand. Hierna renden de mannen weg.
Gelet op voorgaande beschrijving van de confrontatie heeft de verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van de gedragingen van de verdachte het leven zou kunnen verliezen en dit gevolg op de koop toegenomen, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet. Immers, de verdachte heeft met een schroevendraaier in zijn hand slaande bewegingen naar het hoofd van het slachtoffer gemaakt. Het kan niet anders dan dat hij hierbij het slachtoffer met de schroevendraaier in het hoofd heeft gestoken. De schroevendraaier past exact in de hiervoor gegeven beschrijving van een rond, niet-buigzaam voorwerp dat niet gemakkelijk breekt, dat tot de dood van het slachtoffer heeft geleid.
Bewezen is dan ook dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij op 8 juli 2024 te Rotterdam
[slachtoffer] opzettelijk
van het leven heeft beroofd,
doordat hij, verdachte, die [slachtoffer] met een schroevendraaier in het hoofd heeft gestoken;
2
hij op 8 juli 2024 te Rotterdam
openlijk, te weten op of aan de [plaats delict] te Rotterdam, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] ,
door:
- met een schroevendraaier in het hoofd
van die [slachtoffer] te steken
- ( meermaals) tegen het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of
- ( meermaals) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te
stompen
terwijl dit door hem gepleegde geweld de dood ten gevolge
heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1primair + 2
eendaadse samenloop van:
doodslag
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld de dood ten gevolge heeft.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ten aanzien van feit 1 wordt ontslagen van alle rechtsvervolging nu hem een beroep toekomt op noodweer dan wel noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat de confrontatie met het slachtoffer tot een gevecht leidde waarbij beide partijen in een soort evenwicht waren. Tot het moment dat de schroevendraaier uit de zak viel van de verdachte. Op dat moment zag de verdachte dat het slachtoffer de schroevendraaier wilde pakken, maar de verdachte was net een fractie sneller. Terwijl hij de schroevendraaier in zijn hand had werd hij door het slachtoffer op zijn hoofd geslagen tegen welk geweld hij zich moest verweren. Indien de rechtbank oordeelt dat de verdachte te ver is doorgegaan in zijn verdediging dan is dat het resultaat van een hevige gemoedsbeweging door wat de verdachte in het verleden met het slachtoffer heeft meegemaakt.
Beoordeling
De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Het geschetste scenario vindt geen steun in het dossier. Niet is gebleken dat het slachtoffer zodanig geweld heeft gebruikt dat de verdachte zich daartegen diende te verdedigen. Bovendien is het zo dat de verdachte willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en daardoor een eventuele reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt.
Er zijn dan ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Omdat niet aannemelijk is dat sprake is geweest van een noodweersituatie, kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Hij heeft het slachtoffer met een schroevendraaier in het hoofd gestoken, ten gevolge waarvan het slachtoffer kort daarna is overleden. Iemand opzettelijk van het leven beroven is een van de ernstigste misdrijven in het strafrecht. Het slachtoffer is het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Daarnaast heeft de verdachte de nabestaanden van het slachtoffer, in het bijzonder zijn broers en ouders, onherstelbaar leed en verdriet aangedaan, wat ook uit hun ter zitting voorgedragen verklaringen blijkt. Het slachtoffer was nog maar zevenentwintig jaar oud en had nog een leven voor zich. De nabestaanden zullen de gevolgen van dit onomkeerbare en onverwachte verlies voor altijd met zich mee moeten dragen. Misdrijven als deze schokken de rechtsorde zeer en dragen in hoge mate bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
5 december 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Die feiten waren echter van een geheel andere orde, en bovendien dateren de veroordelingen van langere tijd geleden. Het strafblad van de verdachte zal daarom geen rol spelen bij het bepalen van de straf.
Rapportages
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd
16 oktober 2024. Dit rapport houdt onder meer in dat de verdachte inzicht toont in zijn handelen en empathie en berouw naar de nabestaanden.
Ook ter zitting heeft de verdachte hiervan blijk gegeven. Dat de verdachte een andere lezing heeft gegeven over zijn handelen tijdens de confrontatie met het slachtoffer doet daar niet aan af.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in de regel in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de berouwvolle houding van de verdachte ter zitting en zijn jeugdige leeftijd. Dit betekent dat de rechtbank een lagere straf zal opleggen dan door de officieren van justitie is geëist.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
8Vorderingen benadeelde partijen
[benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] (broers van het slachtoffer), [benadeelde 4] (vader) en [benadeelde 5] (moeder) hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd, ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Alle benadeelde partijen hebben ieder een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade gevorderd.
[benadeelde 1] heeft daarnaast een bedrag van € 13.466,27 gevorderd als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 15.000,- als vergoeding van immateriële schade (schokschade).
De vader van het slachtoffer heeft daarnaast een bedrag van € 14.823,- gevorderd als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 15.000,- als vergoeding van immateriële schade (schokschade)
Moeder heeft daarnaast een bedrag van € 15.000,- gevorderd als vergoeding van immateriële schade (schokschade).
Standpunt officieren van justitie
De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vorderingen van moeder en de broers [benadeelde 3] en [benadeelde 2] . Ten aanzien van de vorderingen van vader en [benadeelde 1] hebben de officieren van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde bedragen voor affectieschade en schokschade. De overige door vader en [benadeelde 1] opgevoerde posten kunnen slechts voor een deel worden vergoed, omdat volledige onderbouwing daartoe ontbreekt.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft de vorderingen van de benadeelde partijen betwist overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities.
Beoordeling
Affectieschade bij overlijden
Affectieschade is de immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die zijn veroorzaakt doordat een persoon met wie men een affectieve band heeft, overlijdt. In artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder a tot en met f, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat een opsomming van de personen die in aanmerking komen voor vergoeding van affectieschade bij overlijden. Dit zijn onder meer ouders en kinderen.
Indien een persoon niet onder één van de in dit artikel gespecificeerde categorieën valt, kan een beroep gedaan worden op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder g, BW. Daarin is de mogelijkheid tot het toekennen van affectieschade geopend voor een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt. De bedoeling van de wetgever is dat er van die hardheidsclausule niet lichtvaardig gebruik zal worden gemaakt.
In artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade zijn categorieën met bijbehorende bedragen opgenomen.
Schokschade
De rechtbank stelt voorop dat het leed en het verdriet van de nabestaanden niet ter discussie staan en niet in geld kunnen worden gewaardeerd. Los hiervan dienen de vorderingen naar hun juridische merites te worden beoordeeld.
Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van schokschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Vergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (1) het waarnemen van het ten laste gelegde, of (2) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.
Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige - waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog - tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van de geleden schokschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De rechtbank zal hierna de vorderingen van de benadeelde partijen afzonderlijk beoordelen.
[benadeelde 1]
Affectieschade
De advocaten van deze benadeelde partij hebben gesteld en onderbouwd dat sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste aangemerkt dient te worden. De vader van de benadeelde woont in Afghanistan en zijn moeder verblijft het merendeel van de tijd ook in Afghanistan. Benadeelde en het slachtoffer woonden sinds eind januari 2017 samen in een woning in Rotterdam. Zij hadden een gezamenlijke huishouding en hadden de zorg voor elkaar. Ze kookten samen of voor elkaar, ze wasten elkaars kleding, maakten samen de woning schoon, deden samen boodschappen, trokken samen op en deelden lief en leed samen. Het slachtoffer had zich in afwezigheid van zijn ouders als oudere broer ontfermd over zijn jongere broer [benadeelde 1] . Bovendien werkten de broers met elkaar samen en hadden zij een hechte band.
De rechtbank is van oordeel dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij [benadeelde 1] dusdanig uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW, zoals de wetgever deze heeft bedoeld, rechtvaardigen. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de affectieschade dan ook toewijzen.
Schokschade
Bij de vordering van [benadeelde 1] is als onderbouwing een psychologisch behandelplan van 6 december 2024 overgelegd waaruit volgt dat hij wordt behandeld aan een andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis.
De benadeelde partij is in de nacht van 9 juli 2024 door de politie opgeroepen om te verschijnen in het ziekenhuis. Bij aankomst in het ziekenhuis heeft de benadeelde zijn broer in een verwonde toestand in coma in het ziekenhuis aangetroffen. In zijn aanwezigheid is het slachtoffer in dezelfde nacht overleden.
Deze confrontatie heeft een hevige emotionele schok teweeggebracht. Uit de overgelegde gegevens blijkt dat de benadeelde partij lijdt aan genoemde stoornis en dat hiervoor behandeling is gestart. De rechtbank leidt uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting af dat deze psychische schade is ontstaan als gevolg van de confrontatie met de gevolgen van de strafbare feiten. Gelet op het voorgaande komt de schokschade voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal evenwel, mede gelet op de gevoerde betwisting, het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding op een lager bedrag schatten dan gevorderd. Het immateriële deel van de schokschade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.000,-. De benadeelde partij zal in de vordering van het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Materiële schade
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft met betrekking tot de materiële schade de volgende kosten opgevoerd:
Kosten lijkbezorging € 1.532,27
Verlies aan arbeidsvermogen € 7.326,-
Kosten huishoudelijke hulp € 4.608,-.
De benadeelde heeft aangevoerd dat het lichaam van het slachtoffer naar Afghanistan is gevlogen om aldaar begraven te worden. De benadeelde en zijn ouders zijn naar Afghanistan gevlogen om de begrafenis van het slachtoffer bij te wonen. De benadeelde heeft de kosten van de vliegtickets voor hemzelf en voor zijn ouders betaald.
De rechtbank heeft de stukken die zijn ingediend ter onderbouwing van deze kosten bestudeerd en heeft ter zitting vragen gesteld ter verduidelijking daarvan. Desondanks, komt de rechtbank tot de conclusie dat de overgelegde bescheiden onduidelijk blijven en dat de vluchtdata en vluchtroutes niet overeenkomen met de datum waarop de begrafenis in Afghanistan heeft plaatsgevonden.
Conclusie
De verdachte dient de volgende bedragen te betalen:
- aan [benadeelde 1] : € 22.500,-
- aan [benadeelde 4] : € 22.400,-
- aan [benadeelde 5] : € 17.500,-.
Schadevergoedingsmaatregel
Tevens wordt telkens oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) passend en geboden geacht.
Gijzeling
De rechtbank zal de verdachte de verplichting opleggen om, kort gezegd, aan de Staat ten behoeve van de hiervoor genoemde benadeelden de toegewezen bedragen te betalen. Indien de betaling en verhaal achterwege blijft, te vervangen door gijzeling.
Op grond van artikel 36f lid 5 Sr bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 Sv. gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt – ook in gevallen van samenloop zoals bedoeld in artikel 57 en 58 Sr (vgl. artikel 60a Sr) – ten hoogste één jaar, waarbij geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714).
De rechtbank zal de duur van de gijzeling bepalen op grond van een verdeling van de hoogte van de vorderingen op grond van 360 dagen.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 55, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
(benadeelde partij [benadeelde 1] )
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 22.500,- (zegge: tweeëntwintig duizend vijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde 1] te betalen € 22.500,- (hoofdsom, zegge: tweeëntwintig duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 22.500,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 130 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
( [benadeelde 4] )
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 4] te betalen een bedrag van € 22.400,- (zegge: tweeëntwintig duizend vierhonderd euro), bestaande uit € 4.900,- als vergoeding materiële schade en € 17.500,- als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde 4] te betalen € 22.400,- (hoofdsom, zegge: tweeëntwintig duizend vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 22.400,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 130 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
( [benadeelde 5] )
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 5] te betalen een bedrag van € 17.500,- (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde 5] te betalen € 17.500,- (hoofdsom, zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 17.500,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
( [benadeelde 2] )
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
( [benadeelde 3] )
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter,
en mrs. A.P. Hameete en N.M. Ketelaar, rechters,
in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Rotterdam
[slachtoffer] opzettelijk
van het leven heeft beroofd,
doordat hij, verdachte en/of zijn mededader, die [slachtoffer] met een schroevendraaier,
althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd heeft/hebben gestoken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Rotterdam
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van het slaapbeen en een perforatie
van de hersenen, heeft toegebracht,
doordat hij, verdachte en/of zijn mededader, die [slachtoffer] met een schroevendraaier,
althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd heeft/hebben gestoken
terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Rotterdam
openlijk, te weten op of aan de [plaats delict] te Rotterdam, in elk geval op of aan de
openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] ,
door:
- met een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd
van die [slachtoffer] te steken en/of
- ( meermaals) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of
- ( meermaals) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of
stompen
terwijl dit door hem en/of zijn mededader gepleegde geweld de dood ten gevolge
heeft gehad.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10-223449-24
Datum uitspraak: 27 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd
in [naam PI] ,
raadsvrouw mr. E.P.N. Pieterse, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 januari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officieren van justitie mrs. J. Boender en K. Broere hebben gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren met aftrek van voorarrest.
4Waardering van het bewijs
Standpunt verdediging met betrekking tot feit 1
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte het slachtoffer moedwillig wilde doodslaan. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat ook de opzet in voorwaardelijke zin heeft ontbroken. Naar uiterlijke verschijningsvorm kan niet zonder meer worden gesteld dat de verdachte zichtbaar bewapend het slachtoffer aanviel om dodelijk letsel toe te brengen. Er ging over en weer een gevecht aan vooraf waarbij de verdachte net iets sneller was dan het slachtoffer om de op de grond gevallen schroevendraaier te grijpen. Vervolgens heeft de verdachte met de schroevendraaier in zijn hand het slachtoffer geslagen. Niet was te verwachten dat dit tot de dood van het slachtoffer zou leiden.
Beoordeling
Vaststaat dat op 8 juli 2024 door de verdachte geweld is gepleegd tegen het slachtoffer en dat het slachtoffer is overleden ten gevolge van hersenletsel veroorzaakt door een penetrerende krachtsinwerking op het hoofd. Hierbij is gebruik gemaakt van een rond, scherp, niet-buigzaam voorwerp dat niet gemakkelijk breekt. Als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte tijdens de confrontatie met het slachtoffer een schroevendraaier in zijn hand vasthield.
Het bewijs ontbreekt dat de verdachte vol opzet had op de dood van het slachtoffer, nu niet is komen vast te staan dat de verdachte de intentie heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
De stelling van de verdachte dat er een worsteling heeft plaatsgevonden met het slachtoffer en dat de verdachte net iets sneller was om de gevallen schroevendraaier op te rapen, wordt niet ondersteund door de inhoud van het dossier. Getuigen hebben verklaard dat meerdere mannen in de richting van het slachtoffer renden en dat zij met hem begonnen te vechten. Eén van de mannen maakte slaande bewegingen naar het hoofd van het slachtoffer en een ander maakte een trappende beweging naar het slachtoffer. Het slachtoffer viel achterover op de grond en bewoog niet meer. De slaande man had een schroevendraaier in zijn hand. Hierna renden de mannen weg.
Gelet op voorgaande beschrijving van de confrontatie heeft de verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van de gedragingen van de verdachte het leven zou kunnen verliezen en dit gevolg op de koop toegenomen, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet. Immers, de verdachte heeft met een schroevendraaier in zijn hand slaande bewegingen naar het hoofd van het slachtoffer gemaakt. Het kan niet anders dan dat hij hierbij het slachtoffer met de schroevendraaier in het hoofd heeft gestoken. De schroevendraaier past exact in de hiervoor gegeven beschrijving van een rond, niet-buigzaam voorwerp dat niet gemakkelijk breekt, dat tot de dood van het slachtoffer heeft geleid.
Bewezen is dan ook dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij op 8 juli 2024 te Rotterdam
[slachtoffer] opzettelijk
van het leven heeft beroofd,
doordat hij, verdachte, die [slachtoffer] met een schroevendraaier in het hoofd heeft gestoken;
2
hij op 8 juli 2024 te Rotterdam
openlijk, te weten op of aan de [plaats delict] te Rotterdam, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] ,
door:
- met een schroevendraaier in het hoofd
van die [slachtoffer] te steken
- ( meermaals) tegen het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of
- ( meermaals) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te
stompen
terwijl dit door hem gepleegde geweld de dood ten gevolge
heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1primair + 2
eendaadse samenloop van:
doodslag
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld de dood ten gevolge heeft.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ten aanzien van feit 1 wordt ontslagen van alle rechtsvervolging nu hem een beroep toekomt op noodweer dan wel noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat de confrontatie met het slachtoffer tot een gevecht leidde waarbij beide partijen in een soort evenwicht waren. Tot het moment dat de schroevendraaier uit de zak viel van de verdachte. Op dat moment zag de verdachte dat het slachtoffer de schroevendraaier wilde pakken, maar de verdachte was net een fractie sneller. Terwijl hij de schroevendraaier in zijn hand had werd hij door het slachtoffer op zijn hoofd geslagen tegen welk geweld hij zich moest verweren. Indien de rechtbank oordeelt dat de verdachte te ver is doorgegaan in zijn verdediging dan is dat het resultaat van een hevige gemoedsbeweging door wat de verdachte in het verleden met het slachtoffer heeft meegemaakt.
Beoordeling
De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Het geschetste scenario vindt geen steun in het dossier. Niet is gebleken dat het slachtoffer zodanig geweld heeft gebruikt dat de verdachte zich daartegen diende te verdedigen. Bovendien is het zo dat de verdachte willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en daardoor een eventuele reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt.
Er zijn dan ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Omdat niet aannemelijk is dat sprake is geweest van een noodweersituatie, kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Hij heeft het slachtoffer met een schroevendraaier in het hoofd gestoken, ten gevolge waarvan het slachtoffer kort daarna is overleden. Iemand opzettelijk van het leven beroven is een van de ernstigste misdrijven in het strafrecht. Het slachtoffer is het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Daarnaast heeft de verdachte de nabestaanden van het slachtoffer, in het bijzonder zijn broers en ouders, onherstelbaar leed en verdriet aangedaan, wat ook uit hun ter zitting voorgedragen verklaringen blijkt. Het slachtoffer was nog maar zevenentwintig jaar oud en had nog een leven voor zich. De nabestaanden zullen de gevolgen van dit onomkeerbare en onverwachte verlies voor altijd met zich mee moeten dragen. Misdrijven als deze schokken de rechtsorde zeer en dragen in hoge mate bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
5 december 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Die feiten waren echter van een geheel andere orde, en bovendien dateren de veroordelingen van langere tijd geleden. Het strafblad van de verdachte zal daarom geen rol spelen bij het bepalen van de straf.
Rapportages
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd
16 oktober 2024. Dit rapport houdt onder meer in dat de verdachte inzicht toont in zijn handelen en empathie en berouw naar de nabestaanden.
Ook ter zitting heeft de verdachte hiervan blijk gegeven. Dat de verdachte een andere lezing heeft gegeven over zijn handelen tijdens de confrontatie met het slachtoffer doet daar niet aan af.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in de regel in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de berouwvolle houding van de verdachte ter zitting en zijn jeugdige leeftijd. Dit betekent dat de rechtbank een lagere straf zal opleggen dan door de officieren van justitie is geëist.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
8Vorderingen benadeelde partijen
[benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] (broers van het slachtoffer), [benadeelde 4] (vader) en [benadeelde 5] (moeder) hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd, ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Alle benadeelde partijen hebben ieder een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade gevorderd.
[benadeelde 1] heeft daarnaast een bedrag van € 13.466,27 gevorderd als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 15.000,- als vergoeding van immateriële schade (schokschade).
De vader van het slachtoffer heeft daarnaast een bedrag van € 14.823,- gevorderd als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 15.000,- als vergoeding van immateriële schade (schokschade)
Moeder heeft daarnaast een bedrag van € 15.000,- gevorderd als vergoeding van immateriële schade (schokschade).
Standpunt officieren van justitie
De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vorderingen van moeder en de broers [benadeelde 3] en [benadeelde 2] . Ten aanzien van de vorderingen van vader en [benadeelde 1] hebben de officieren van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde bedragen voor affectieschade en schokschade. De overige door vader en [benadeelde 1] opgevoerde posten kunnen slechts voor een deel worden vergoed, omdat volledige onderbouwing daartoe ontbreekt.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft de vorderingen van de benadeelde partijen betwist overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities.
Beoordeling
Affectieschade bij overlijden
Affectieschade is de immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die zijn veroorzaakt doordat een persoon met wie men een affectieve band heeft, overlijdt. In artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder a tot en met f, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat een opsomming van de personen die in aanmerking komen voor vergoeding van affectieschade bij overlijden. Dit zijn onder meer ouders en kinderen.
Indien een persoon niet onder één van de in dit artikel gespecificeerde categorieën valt, kan een beroep gedaan worden op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder g, BW. Daarin is de mogelijkheid tot het toekennen van affectieschade geopend voor een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt. De bedoeling van de wetgever is dat er van die hardheidsclausule niet lichtvaardig gebruik zal worden gemaakt.
In artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade zijn categorieën met bijbehorende bedragen opgenomen.
Schokschade
De rechtbank stelt voorop dat het leed en het verdriet van de nabestaanden niet ter discussie staan en niet in geld kunnen worden gewaardeerd. Los hiervan dienen de vorderingen naar hun juridische merites te worden beoordeeld.
Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van schokschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Vergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (1) het waarnemen van het ten laste gelegde, of (2) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.
Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige - waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog - tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van de geleden schokschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De rechtbank zal hierna de vorderingen van de benadeelde partijen afzonderlijk beoordelen.
[benadeelde 1]
Affectieschade
De advocaten van deze benadeelde partij hebben gesteld en onderbouwd dat sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste aangemerkt dient te worden. De vader van de benadeelde woont in Afghanistan en zijn moeder verblijft het merendeel van de tijd ook in Afghanistan. Benadeelde en het slachtoffer woonden sinds eind januari 2017 samen in een woning in Rotterdam. Zij hadden een gezamenlijke huishouding en hadden de zorg voor elkaar. Ze kookten samen of voor elkaar, ze wasten elkaars kleding, maakten samen de woning schoon, deden samen boodschappen, trokken samen op en deelden lief en leed samen. Het slachtoffer had zich in afwezigheid van zijn ouders als oudere broer ontfermd over zijn jongere broer [benadeelde 1] . Bovendien werkten de broers met elkaar samen en hadden zij een hechte band.
De rechtbank is van oordeel dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij [benadeelde 1] dusdanig uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW, zoals de wetgever deze heeft bedoeld, rechtvaardigen. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de affectieschade dan ook toewijzen.
Schokschade
Bij de vordering van [benadeelde 1] is als onderbouwing een psychologisch behandelplan van 6 december 2024 overgelegd waaruit volgt dat hij wordt behandeld aan een andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis.
De benadeelde partij is in de nacht van 9 juli 2024 door de politie opgeroepen om te verschijnen in het ziekenhuis. Bij aankomst in het ziekenhuis heeft de benadeelde zijn broer in een verwonde toestand in coma in het ziekenhuis aangetroffen. In zijn aanwezigheid is het slachtoffer in dezelfde nacht overleden.
Deze confrontatie heeft een hevige emotionele schok teweeggebracht. Uit de overgelegde gegevens blijkt dat de benadeelde partij lijdt aan genoemde stoornis en dat hiervoor behandeling is gestart. De rechtbank leidt uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting af dat deze psychische schade is ontstaan als gevolg van de confrontatie met de gevolgen van de strafbare feiten. Gelet op het voorgaande komt de schokschade voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal evenwel, mede gelet op de gevoerde betwisting, het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding op een lager bedrag schatten dan gevorderd. Het immateriële deel van de schokschade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.000,-. De benadeelde partij zal in de vordering van het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Materiële schade
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft met betrekking tot de materiële schade de volgende kosten opgevoerd:
Kosten lijkbezorging € 1.532,27
Verlies aan arbeidsvermogen € 7.326,-
Kosten huishoudelijke hulp € 4.608,-.
De benadeelde heeft aangevoerd dat het lichaam van het slachtoffer naar Afghanistan is gevlogen om aldaar begraven te worden. De benadeelde en zijn ouders zijn naar Afghanistan gevlogen om de begrafenis van het slachtoffer bij te wonen. De benadeelde heeft de kosten van de vliegtickets voor hemzelf en voor zijn ouders betaald.
De rechtbank heeft de stukken die zijn ingediend ter onderbouwing van deze kosten bestudeerd en heeft ter zitting vragen gesteld ter verduidelijking daarvan. Desondanks, komt de rechtbank tot de conclusie dat de overgelegde bescheiden onduidelijk blijven en dat de vluchtdata en vluchtroutes niet overeenkomen met de datum waarop de begrafenis in Afghanistan heeft plaatsgevonden.
Conclusie
De verdachte dient de volgende bedragen te betalen:
- aan [benadeelde 1] : € 22.500,-
- aan [benadeelde 4] : € 22.400,-
- aan [benadeelde 5] : € 17.500,-.
Schadevergoedingsmaatregel
Tevens wordt telkens oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) passend en geboden geacht.
Gijzeling
De rechtbank zal de verdachte de verplichting opleggen om, kort gezegd, aan de Staat ten behoeve van de hiervoor genoemde benadeelden de toegewezen bedragen te betalen. Indien de betaling en verhaal achterwege blijft, te vervangen door gijzeling.
Op grond van artikel 36f lid 5 Sr bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 Sv. gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt – ook in gevallen van samenloop zoals bedoeld in artikel 57 en 58 Sr (vgl. artikel 60a Sr) – ten hoogste één jaar, waarbij geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714).
De rechtbank zal de duur van de gijzeling bepalen op grond van een verdeling van de hoogte van de vorderingen op grond van 360 dagen.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 55, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
(benadeelde partij [benadeelde 1] )
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 22.500,- (zegge: tweeëntwintig duizend vijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde 1] te betalen € 22.500,- (hoofdsom, zegge: tweeëntwintig duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 22.500,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 130 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
( [benadeelde 4] )
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 4] te betalen een bedrag van € 22.400,- (zegge: tweeëntwintig duizend vierhonderd euro), bestaande uit € 4.900,- als vergoeding materiële schade en € 17.500,- als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde 4] te betalen € 22.400,- (hoofdsom, zegge: tweeëntwintig duizend vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 22.400,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 130 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
( [benadeelde 5] )
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 5] te betalen een bedrag van € 17.500,- (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde 5] te betalen € 17.500,- (hoofdsom, zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 17.500,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
( [benadeelde 2] )
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
( [benadeelde 3] )
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter,
en mrs. A.P. Hameete en N.M. Ketelaar, rechters,
in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Rotterdam
[slachtoffer] opzettelijk
van het leven heeft beroofd,
doordat hij, verdachte en/of zijn mededader, die [slachtoffer] met een schroevendraaier,
althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd heeft/hebben gestoken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Rotterdam
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van het slaapbeen en een perforatie
van de hersenen, heeft toegebracht,
doordat hij, verdachte en/of zijn mededader, die [slachtoffer] met een schroevendraaier,
althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd heeft/hebben gestoken
terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Rotterdam
openlijk, te weten op of aan de [plaats delict] te Rotterdam, in elk geval op of aan de
openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] ,
door:
- met een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd
van die [slachtoffer] te steken en/of
- ( meermaals) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of
- ( meermaals) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of
stompen
terwijl dit door hem en/of zijn mededader gepleegde geweld de dood ten gevolge
heeft gehad.
Beoordeling
De benadeelde partij zal daarom voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot het verlies aan arbeidsvermogen heeft de benadeelde aangevoerd dat hij als gevolg van de gebeurtenissen psychische klachten heeft ontwikkeld en daardoor arbeidsongeschikt is geworden. De benadeelde exploiteert een eenmanszaak als elektrotechnicus. Hij heeft onder meer gesteld dat het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen dient te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het voorval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder dat voorval zou hebben verworven. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt.
De door de benadeelde partij overgelegde bescheiden ter onderbouwing van deze kostenpost zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig duidelijk dat daaruit het bedrag van het verlies aan arbeidsvermogen kan worden afgeleid. De behandeling van dit gedeelte van de vordering van de benadeelde partij levert dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard en zou dit gedeelte van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter kunnen indienen.
Ten aanzien van de kosten huishoudelijke hulp heeft de benadeelde gesteld dat hij en het slachtoffer de taken binnen de huishouding hadden verdeeld. Door het wegvallen van het slachtoffer zal de benadeelde hulp van de andere broers moeten krijgen, dan wel zelf meer uren in het huishouden moeten steken.
Het bedrag van de kosten huishoudelijke hulp is niet eenvoudig af te leiden aan de hand van de overgelegde bescheiden ter onderbouwing van deze kostenpost. Ook dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 22.500,-.
[benadeelde 4]
Affectieschade
De rechtbank stelt vast dat door de bewezen verklaarde feiten affectieschade is toegebracht aan de benadeelde, de vader van het slachtoffer. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade heeft de benadeelde aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 17.500,-. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.
Schokschade
De benadeelde heeft gesteld dat de confrontatie met het slachtoffer en het zien van zijn levenloze lichaam in het ziekenhuis en tijdens de rituele wassing bij hem tot een emotionele schok heeft geleid, waardoor hij een post traumatische stress stoornis heeft ontwikkeld. Ter onderbouwing heeft de benadeelde een Engelstalige verklaring van een psychiater in Afghanistan overgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring onvoldoende ondersteuning biedt voor de stelling dat bij de benadeelde door een erkend arts een stoornis is vastgesteld die in rechtstreeks verband staat met de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.
Materiële schade
De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft met betrekking tot de materiële schade, te weten kosten lijkbezorging, de volgende kosten opgevoerd:
Uitvaart € 4.900,-
Rituele wassing lichaam slachtoffer € 300,-
Begrafenis + receptie € 9.623,-.
De kosten van de uitvaart zijn voldoende onderbouwd, onder meer door overlegging van een factuur van de Islamitische Uitvaartzorg An-Nour, gedateerd 10 juli 2024. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.
De overige opgevoerde kosten zijn niet of niet voldoende onderbouwd, wat betekent dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 22.400,-.
[benadeelde 5]
Affectieschade
De rechtbank stelt vast dat door de bewezen verklaarde feiten affectieschade is toegebracht aan de benadeelde, de moeder van het slachtoffer. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade heeft de benadeelde aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 17.500,-. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.
Schokschade
De benadeelde heeft gesteld dat de confrontatie met het slachtoffer en het zien van zijn levenloze lichaam via een telefonische verbinding en tijdens de rituele wassing bij haar tot een emotionele schok heeft geleid, waardoor zij een post traumatische stress stoornis heeft ontwikkeld. Ter onderbouwing heeft de benadeelde een Engelstalige verklaring van een psychiater in Afghanistan overgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring onvoldoende ondersteuning biedt voor de stelling dat bij de benadeelde door een erkend arts een stoornis is vastgesteld die in rechtstreeks verband staat met de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-.
[benadeelde 2] en [benadeelde 3]
Deze benadeelde partijen hebben, als broers van het slachtoffer, een vergoeding van affectieschade gevorderd. Zij hebben gesteld dat ten tijde van het voorval, ten gevolge waarvan hun broer is overleden, sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie tussen hen en het slachtoffer, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van de hardheidsclausule als naaste aangemerkt dienen te worden. Het slachtoffer trad binnen de relatie met zijn broers op als een vaderfiguur en zorgde ervoor dat de benadeelden aan een baan kwamen, hij voorzag ze van werk, raad en overige hulp. De broers hebben tot en met oktober 2023 samengewoond in een woning in Rotterdam.
De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelden aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om in aanmerking te komen voor toepassing van de hardheidsclausule. Hierbij wordt de volwassen leeftijd van de benadeelden en de omstandigheid dat zij ten tijde van het voorval niet meer onder hetzelfde dak woonden, in belangrijke mate meegewogen.
De benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.
Wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben gevorderd de te vergoeden bedragen te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag telkens vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 8 juli 2024.
Kosten
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] (in overwegende mate) zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door deze benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Nu de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen deze benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
Beoordeling
De benadeelde partij zal daarom voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot het verlies aan arbeidsvermogen heeft de benadeelde aangevoerd dat hij als gevolg van de gebeurtenissen psychische klachten heeft ontwikkeld en daardoor arbeidsongeschikt is geworden. De benadeelde exploiteert een eenmanszaak als elektrotechnicus. Hij heeft onder meer gesteld dat het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen dient te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het voorval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder dat voorval zou hebben verworven. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt.
De door de benadeelde partij overgelegde bescheiden ter onderbouwing van deze kostenpost zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig duidelijk dat daaruit het bedrag van het verlies aan arbeidsvermogen kan worden afgeleid. De behandeling van dit gedeelte van de vordering van de benadeelde partij levert dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard en zou dit gedeelte van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter kunnen indienen.
Ten aanzien van de kosten huishoudelijke hulp heeft de benadeelde gesteld dat hij en het slachtoffer de taken binnen de huishouding hadden verdeeld. Door het wegvallen van het slachtoffer zal de benadeelde hulp van de andere broers moeten krijgen, dan wel zelf meer uren in het huishouden moeten steken.
Het bedrag van de kosten huishoudelijke hulp is niet eenvoudig af te leiden aan de hand van de overgelegde bescheiden ter onderbouwing van deze kostenpost. Ook dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 22.500,-.
[benadeelde 4]
Affectieschade
De rechtbank stelt vast dat door de bewezen verklaarde feiten affectieschade is toegebracht aan de benadeelde, de vader van het slachtoffer. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade heeft de benadeelde aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 17.500,-. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.
Schokschade
De benadeelde heeft gesteld dat de confrontatie met het slachtoffer en het zien van zijn levenloze lichaam in het ziekenhuis en tijdens de rituele wassing bij hem tot een emotionele schok heeft geleid, waardoor hij een post traumatische stress stoornis heeft ontwikkeld. Ter onderbouwing heeft de benadeelde een Engelstalige verklaring van een psychiater in Afghanistan overgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring onvoldoende ondersteuning biedt voor de stelling dat bij de benadeelde door een erkend arts een stoornis is vastgesteld die in rechtstreeks verband staat met de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.
Materiële schade
De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft met betrekking tot de materiële schade, te weten kosten lijkbezorging, de volgende kosten opgevoerd:
Uitvaart € 4.900,-
Rituele wassing lichaam slachtoffer € 300,-
Begrafenis + receptie € 9.623,-.
De kosten van de uitvaart zijn voldoende onderbouwd, onder meer door overlegging van een factuur van de Islamitische Uitvaartzorg An-Nour, gedateerd 10 juli 2024. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.
De overige opgevoerde kosten zijn niet of niet voldoende onderbouwd, wat betekent dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 22.400,-.
[benadeelde 5]
Affectieschade
De rechtbank stelt vast dat door de bewezen verklaarde feiten affectieschade is toegebracht aan de benadeelde, de moeder van het slachtoffer. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade heeft de benadeelde aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 17.500,-. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.
Schokschade
De benadeelde heeft gesteld dat de confrontatie met het slachtoffer en het zien van zijn levenloze lichaam via een telefonische verbinding en tijdens de rituele wassing bij haar tot een emotionele schok heeft geleid, waardoor zij een post traumatische stress stoornis heeft ontwikkeld. Ter onderbouwing heeft de benadeelde een Engelstalige verklaring van een psychiater in Afghanistan overgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring onvoldoende ondersteuning biedt voor de stelling dat bij de benadeelde door een erkend arts een stoornis is vastgesteld die in rechtstreeks verband staat met de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-.
[benadeelde 2] en [benadeelde 3]
Deze benadeelde partijen hebben, als broers van het slachtoffer, een vergoeding van affectieschade gevorderd. Zij hebben gesteld dat ten tijde van het voorval, ten gevolge waarvan hun broer is overleden, sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie tussen hen en het slachtoffer, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van de hardheidsclausule als naaste aangemerkt dienen te worden. Het slachtoffer trad binnen de relatie met zijn broers op als een vaderfiguur en zorgde ervoor dat de benadeelden aan een baan kwamen, hij voorzag ze van werk, raad en overige hulp. De broers hebben tot en met oktober 2023 samengewoond in een woning in Rotterdam.
De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelden aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om in aanmerking te komen voor toepassing van de hardheidsclausule. Hierbij wordt de volwassen leeftijd van de benadeelden en de omstandigheid dat zij ten tijde van het voorval niet meer onder hetzelfde dak woonden, in belangrijke mate meegewogen.
De benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.
Wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben gevorderd de te vergoeden bedragen te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag telkens vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 8 juli 2024.
Kosten
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] (in overwegende mate) zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door deze benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Nu de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen deze benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.