Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-27
ECLI:NL:RBROT:2025:9016
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,880 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10-321471-24
Parketnummer vordering TUL VV: 96-215017-23
Datum uitspraak: 27 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1973,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd
in [naam PI] ,
raadsvrouw mr. S. Ben Ahmed, advocaat in Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 januari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. N. Daalder heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde, te kwalificeren als poging tot doodslag (feit 1) en poging tot zware mishandeling (feit 2);
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en meewerken aan middelencontrole;
verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid in de zaak met parketnummer 96-215017-23.
4Waardering van het bewijs
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van beide ten laste gelegde feiten. Daartoe is ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat uit de inhoud van het dossier onvoldoende volgt dat de verdachte heeft geprobeerd de aangever opzettelijk van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Weliswaar heeft de verdachte een mes gebruikt, maar uit de bewijsmiddelen volgt niet dat er sprake is geweest van een gedraging waaruit naar de uiterlijke verschijningsvorm de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van de aangever, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, heeft aanvaard.
Voor het ontbreken van opzet, al dan niet in de vorm van voorwaardelijk opzet, speelt het element van zelfintoxicatie een rol. De verdachte had sinds lange tijd weer eens alcohol gebruikt, deze keer in combinatie met zijn medicatie. In het kader van culpa in causa heeft de raadsvrouw opgemerkt dat het voor de verdachte niet voorzienbaar was dat hij op deze wijze daarop zou reageren, omdat hem dit niet eerder was overkomen.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging opgemerkt dat de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke vorm, de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Beoordeling
Vaststaat dat de verdachte de aangever met een mes in de linkerschouder heeft gestoken. Volgens eigen zeggen had de verdachte voorafgaand aan de confrontatie met de aangever acht tot tien blikken van een halve liter bier gedronken. De uitslag van de ademanalyse na het incident bevestigde dat de verdachte een forse hoeveelheid alcohol had gebruikt. De verdachte heeft verklaard dat hij daarnaast medicijnen had geslikt waarvan hem bekend was dat deze zich niet verdragen met alcohol. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich daarmee willens en wetens in een situatie van intoxicatie met (veel) alcohol en medicatie gebracht.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of de verdachte als gevolg van de combinatie van alcohol en zijn medicatie ten tijde van zijn gedragingen niet wist wat hij deed en dat daardoor geen sprake is geweest van opzet, dan wel voorwaardelijk opzet. Volgens vaste jurisprudentie kan een dergelijk verweer slechts slagen indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Een zodanig uitzonderlijk geval heeft zich hier naar het oordeel van de rechtbank niet voorgedaan. Dat de verdachte zich achteraf weinig tot niets van het voorval kan herinneren doet daaraan niet af.
De verdachte heeft verklaard dat hij de aangever wat geld had gegeven om bier voor hem te kopen. De verdachte heeft verder verklaard dat hij wist dat de aangever in het park of op het station slaapt. Volgens de verdachte is de aangever in plaats van bier te gaan kopen richting het station gelopen en is hij daar gaan slapen. De verdachte was boos op de aangever. Hij wilde zijn geld terug en hij wilde de aangever bang maken. Een getuige heeft de aangever en de verdachte met elkaar zien praten voordat de verdachte geweld gebruikte tegen de aangever. De verdachte schreeuwde tegen hem dat hij zijn geld terug wilde en trok aan de kleding van de aangever. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte de aangever meermalen sloeg, stompte en schopte. Daarna haalde hij een keukenmes uit zijn jaszak en maakte hij daarmee stekende bewegingen richting de linkerschouder van de aangever. Tussen de geweldshandelingen door spraken de mannen met elkaar. Na de confrontatie liep de verdachte rustig weg.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte boos was en vervolgens heel bewust op zoek is gegaan naar de aangever, van wie hij wist waar die zich zou kunnen bevinden. Na met elkaar gepraat te hebben, heeft de verdachte geweld gebruikt tegen de aangever. Daarbij heeft de verdachte de aangever met een mes gestoken.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat de verdachte zeker enig inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen moet hebben gehad. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat dit inzicht volledig heeft ontbroken. Het verweer daartoe wordt dan ook verworpen.
Het bewijs ontbreekt dat de verdachte vol opzet had op de dood van de aangever, nu niet is komen vast te staan dat de verdachte de intentie heeft gehad om de aangever van het leven te beroven. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen heeft de verdachte echter wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever als gevolg van de gedragingen van de verdachte het leven zou kunnen verliezen en dit gevolg op de koop toegenomen, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet. Immers, de verdachte heeft de aangever met een keukenmes, met een lemmet van ongeveer twintig centimeter lang, in de schouder gestoken. Dit heeft een bloedende verwonding opgeleverd van ongeveer vier centimeter groot en drie centimeter diep. Het is algemeen bekend dat dit een zeer kwetsbaar gedeelte is van het menselijk lichaam, in de directe nabijheid van de hals, waar zich onder meer vitale bloedvaten en de luchtpijp bevinden. Perforatie hiervan zou de dood tot gevolg kunnen hebben.
De rechtbank acht dan ook het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit, te weten poging tot doodslag, bewezen.
Ten aanzien van feit 2 is de rechtbank van oordeel dat het bewijs ontbreekt dat de verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen heeft de verdachte wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever als gevolg van het geweld van de verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en dit gevolg op de koop toegenomen, zodat ook ten aanzien van dit feit sprake is van voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft de aangever immers meermalen tegen het lichaam geschopt of getrapt en tegen het hoofd geslagen of gestompt. Het is algemeen bekend dat dergelijk geweld, zeker tegen het hoofd, kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel.
Dit betekent dat ook feit 2 is bewezen.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet primair) en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij op 7 oktober 2024 te Dordrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
met een mes in de linkerschouder van die [slachtoffer] heeft gestoken
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 7 oktober 2024 te Dordrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermalen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] (met geschoeide voet) heeft geschopt
en/of getrapt, en
- meermalen (met gebalde vuisten)
op/tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] heeft
geslagen en/of gestompt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
eendaadse samenloop van:
poging tot doodslag
en
poging tot zware mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten
De verdachte heeft het slachtoffer in zijn schouder gestoken met een mes, omdat hij boos was dat het slachtoffer, een vriend van de verdachte, geen bier voor hem had gehaald. Het slachtoffer heeft als gevolg van dit zinloze geweld een steekverwonding opgelopen. Het letsel is gelukkig relatief beperkt gebleven, maar dat is niet te danken aan het handelen van de verdachte, die het slachtoffer ook dodelijk had kunnen verwonden. Adequaat handelen van omstanders en medisch ingrijpen heeft erger kunnen voorkomen.
De verdachte heeft het slachtoffer ook geschopt of getrapt en tegen het hoofd geslagen of gestompt. Dat dit niet tot zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer heeft geleid, is niet de verdienste van de verdachte geweest maar louter een gelukkig toeval.
Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, nota bene een vriend van de verdachte. Het voorval vond bovendien plaats op de openbare weg en omstanders zijn getuige geweest van deze geweldsuitbarsting. Het is algemeen bekend dat dit soort geweld tot onrust en gevoelens van onveiligheid leidt. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
5 december 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportage
[naam instelling] (Fivoor) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 9 januari 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Risicogebieden en waarbij de reclassering vindt dat zij een verhoogde kans op recidive zijn, zijn de leefgebieden middelengebruik (overmatig alcoholgebruik) en het psychosociaal functioneren (somberheid, depressieve klachten, gebruik van antidepressiva). Deze combinatie kán geleid hebben tot het delictgedrag. De reclassering ziet verder een redelijk stabiel leven waarbij andere delictgerelateerde factoren niet direct aan de orde schijnen te zijn. Vooralsnog blijft het gissen naar het gedrag van de verdachte die ogenschijnlijk niet bekend is met gewelddadig gedrag maar wel tot dit ernstig delictgedrag is gekomen. Hier ligt dan ook de grootste zorg van de reclassering.
Gelet op de aard van het delict en de psychosociale problematiek van de verdachte is de reclassering van mening dat interventies passend zijn. Tevens dient er aandacht te blijven voor het alcoholgebruik van de verdachte, daar dit een risicofactor is. Geadviseerd wordt een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en het meewerken aan middelencontrole als bijzondere voorwaarden aan een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk strafdeel te verbinden. De verdachte heeft ter zitting verklaard bereid te zijn eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden na te leven.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in de regel in soortgelijke zaken worden opgelegd. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank in aanmerking dat de feiten zijn begaan in de publieke ruimte onder het oog van een aantal omstanders. Daartegenover staat de berouwvolle proceshouding van de verdachte ter zitting en zijn bereidheid om, met behulp van de reclassering, te werken aan zijn problematiek.
Nu de rechtbank, in navolging van het advies van de reclassering, begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk worden opgelegd, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 18 december 2023 is de verdachte ter zake van overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot onder meer een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 1 januari 2024.
Beoordeling
De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Overeenkomstig de gewijzigde vordering van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven, doch in plaats daarvan de proeftijd te verlengen met een jaar.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 55, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 (impliciet primair) en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarden:
1. de veroordeelde zal zich melden bij [naam instelling] (Fivoor), [adres 2] in [plaats] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. de veroordeelde laat zich behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
3. de veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
verlengt de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 18 december 2023 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid met 1 jaar (parketnummer 96-215017-23).
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter,
en mrs. A.P. Hameete en N.M. Ketelaar, rechters,
in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Dordrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk
van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
(met kracht) met een mes, in de (linker)schouder, althans in het lichaam van die
[slachtoffer] heeft gestoken en meermalen geprobeerd heeft met een mes in het lichaam te steken
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Dordrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam
van die [slachtoffer] (met geschoeide voet) heeft geschopt en/of heeft getrapt, en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuisten) op/tegen het
hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of heeft gestompt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10-321471-24
Parketnummer vordering TUL VV: 96-215017-23
Datum uitspraak: 27 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1973,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd
in [naam PI] ,
raadsvrouw mr. S. Ben Ahmed, advocaat in Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 januari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. N. Daalder heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde, te kwalificeren als poging tot doodslag (feit 1) en poging tot zware mishandeling (feit 2);
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en meewerken aan middelencontrole;
verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid in de zaak met parketnummer 96-215017-23.
4Waardering van het bewijs
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van beide ten laste gelegde feiten. Daartoe is ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat uit de inhoud van het dossier onvoldoende volgt dat de verdachte heeft geprobeerd de aangever opzettelijk van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Weliswaar heeft de verdachte een mes gebruikt, maar uit de bewijsmiddelen volgt niet dat er sprake is geweest van een gedraging waaruit naar de uiterlijke verschijningsvorm de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van de aangever, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, heeft aanvaard.
Voor het ontbreken van opzet, al dan niet in de vorm van voorwaardelijk opzet, speelt het element van zelfintoxicatie een rol. De verdachte had sinds lange tijd weer eens alcohol gebruikt, deze keer in combinatie met zijn medicatie. In het kader van culpa in causa heeft de raadsvrouw opgemerkt dat het voor de verdachte niet voorzienbaar was dat hij op deze wijze daarop zou reageren, omdat hem dit niet eerder was overkomen.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging opgemerkt dat de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke vorm, de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Beoordeling
Vaststaat dat de verdachte de aangever met een mes in de linkerschouder heeft gestoken. Volgens eigen zeggen had de verdachte voorafgaand aan de confrontatie met de aangever acht tot tien blikken van een halve liter bier gedronken. De uitslag van de ademanalyse na het incident bevestigde dat de verdachte een forse hoeveelheid alcohol had gebruikt. De verdachte heeft verklaard dat hij daarnaast medicijnen had geslikt waarvan hem bekend was dat deze zich niet verdragen met alcohol. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich daarmee willens en wetens in een situatie van intoxicatie met (veel) alcohol en medicatie gebracht.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of de verdachte als gevolg van de combinatie van alcohol en zijn medicatie ten tijde van zijn gedragingen niet wist wat hij deed en dat daardoor geen sprake is geweest van opzet, dan wel voorwaardelijk opzet. Volgens vaste jurisprudentie kan een dergelijk verweer slechts slagen indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Een zodanig uitzonderlijk geval heeft zich hier naar het oordeel van de rechtbank niet voorgedaan. Dat de verdachte zich achteraf weinig tot niets van het voorval kan herinneren doet daaraan niet af.
De verdachte heeft verklaard dat hij de aangever wat geld had gegeven om bier voor hem te kopen. De verdachte heeft verder verklaard dat hij wist dat de aangever in het park of op het station slaapt. Volgens de verdachte is de aangever in plaats van bier te gaan kopen richting het station gelopen en is hij daar gaan slapen. De verdachte was boos op de aangever. Hij wilde zijn geld terug en hij wilde de aangever bang maken. Een getuige heeft de aangever en de verdachte met elkaar zien praten voordat de verdachte geweld gebruikte tegen de aangever. De verdachte schreeuwde tegen hem dat hij zijn geld terug wilde en trok aan de kleding van de aangever. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte de aangever meermalen sloeg, stompte en schopte. Daarna haalde hij een keukenmes uit zijn jaszak en maakte hij daarmee stekende bewegingen richting de linkerschouder van de aangever. Tussen de geweldshandelingen door spraken de mannen met elkaar. Na de confrontatie liep de verdachte rustig weg.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte boos was en vervolgens heel bewust op zoek is gegaan naar de aangever, van wie hij wist waar die zich zou kunnen bevinden. Na met elkaar gepraat te hebben, heeft de verdachte geweld gebruikt tegen de aangever. Daarbij heeft de verdachte de aangever met een mes gestoken.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat de verdachte zeker enig inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen moet hebben gehad. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat dit inzicht volledig heeft ontbroken. Het verweer daartoe wordt dan ook verworpen.
Het bewijs ontbreekt dat de verdachte vol opzet had op de dood van de aangever, nu niet is komen vast te staan dat de verdachte de intentie heeft gehad om de aangever van het leven te beroven. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen heeft de verdachte echter wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever als gevolg van de gedragingen van de verdachte het leven zou kunnen verliezen en dit gevolg op de koop toegenomen, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet. Immers, de verdachte heeft de aangever met een keukenmes, met een lemmet van ongeveer twintig centimeter lang, in de schouder gestoken. Dit heeft een bloedende verwonding opgeleverd van ongeveer vier centimeter groot en drie centimeter diep. Het is algemeen bekend dat dit een zeer kwetsbaar gedeelte is van het menselijk lichaam, in de directe nabijheid van de hals, waar zich onder meer vitale bloedvaten en de luchtpijp bevinden. Perforatie hiervan zou de dood tot gevolg kunnen hebben.
De rechtbank acht dan ook het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit, te weten poging tot doodslag, bewezen.
Ten aanzien van feit 2 is de rechtbank van oordeel dat het bewijs ontbreekt dat de verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen heeft de verdachte wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever als gevolg van het geweld van de verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en dit gevolg op de koop toegenomen, zodat ook ten aanzien van dit feit sprake is van voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft de aangever immers meermalen tegen het lichaam geschopt of getrapt en tegen het hoofd geslagen of gestompt. Het is algemeen bekend dat dergelijk geweld, zeker tegen het hoofd, kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel.
Dit betekent dat ook feit 2 is bewezen.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet primair) en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij op 7 oktober 2024 te Dordrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
met een mes in de linkerschouder van die [slachtoffer] heeft gestoken
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 7 oktober 2024 te Dordrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermalen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] (met geschoeide voet) heeft geschopt
en/of getrapt, en
- meermalen (met gebalde vuisten)
op/tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] heeft
geslagen en/of gestompt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
eendaadse samenloop van:
poging tot doodslag
en
poging tot zware mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten
De verdachte heeft het slachtoffer in zijn schouder gestoken met een mes, omdat hij boos was dat het slachtoffer, een vriend van de verdachte, geen bier voor hem had gehaald. Het slachtoffer heeft als gevolg van dit zinloze geweld een steekverwonding opgelopen. Het letsel is gelukkig relatief beperkt gebleven, maar dat is niet te danken aan het handelen van de verdachte, die het slachtoffer ook dodelijk had kunnen verwonden. Adequaat handelen van omstanders en medisch ingrijpen heeft erger kunnen voorkomen.
De verdachte heeft het slachtoffer ook geschopt of getrapt en tegen het hoofd geslagen of gestompt. Dat dit niet tot zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer heeft geleid, is niet de verdienste van de verdachte geweest maar louter een gelukkig toeval.
Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, nota bene een vriend van de verdachte. Het voorval vond bovendien plaats op de openbare weg en omstanders zijn getuige geweest van deze geweldsuitbarsting. Het is algemeen bekend dat dit soort geweld tot onrust en gevoelens van onveiligheid leidt. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
5 december 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportage
[naam instelling] (Fivoor) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 9 januari 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Risicogebieden en waarbij de reclassering vindt dat zij een verhoogde kans op recidive zijn, zijn de leefgebieden middelengebruik (overmatig alcoholgebruik) en het psychosociaal functioneren (somberheid, depressieve klachten, gebruik van antidepressiva). Deze combinatie kán geleid hebben tot het delictgedrag. De reclassering ziet verder een redelijk stabiel leven waarbij andere delictgerelateerde factoren niet direct aan de orde schijnen te zijn. Vooralsnog blijft het gissen naar het gedrag van de verdachte die ogenschijnlijk niet bekend is met gewelddadig gedrag maar wel tot dit ernstig delictgedrag is gekomen. Hier ligt dan ook de grootste zorg van de reclassering.
Gelet op de aard van het delict en de psychosociale problematiek van de verdachte is de reclassering van mening dat interventies passend zijn. Tevens dient er aandacht te blijven voor het alcoholgebruik van de verdachte, daar dit een risicofactor is. Geadviseerd wordt een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en het meewerken aan middelencontrole als bijzondere voorwaarden aan een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk strafdeel te verbinden. De verdachte heeft ter zitting verklaard bereid te zijn eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden na te leven.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in de regel in soortgelijke zaken worden opgelegd. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank in aanmerking dat de feiten zijn begaan in de publieke ruimte onder het oog van een aantal omstanders. Daartegenover staat de berouwvolle proceshouding van de verdachte ter zitting en zijn bereidheid om, met behulp van de reclassering, te werken aan zijn problematiek.
Nu de rechtbank, in navolging van het advies van de reclassering, begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk worden opgelegd, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 18 december 2023 is de verdachte ter zake van overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot onder meer een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 1 januari 2024.
Beoordeling
De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Overeenkomstig de gewijzigde vordering van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven, doch in plaats daarvan de proeftijd te verlengen met een jaar.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 55, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 (impliciet primair) en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarden:
1. de veroordeelde zal zich melden bij [naam instelling] (Fivoor), [adres 2] in [plaats] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. de veroordeelde laat zich behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
3. de veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
verlengt de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 18 december 2023 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid met 1 jaar (parketnummer 96-215017-23).
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter,
en mrs. A.P. Hameete en N.M. Ketelaar, rechters,
in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Dordrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk
van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
(met kracht) met een mes, in de (linker)schouder, althans in het lichaam van die
[slachtoffer] heeft gestoken en meermalen geprobeerd heeft met een mes in het lichaam te steken
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Dordrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam
van die [slachtoffer] (met geschoeide voet) heeft geschopt en/of heeft getrapt, en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuisten) op/tegen het
hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of heeft gestompt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.