Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-04
ECLI:NL:RBROT:2025:8944
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
2,326 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11722371 VV EXPL 25-304
datum uitspraak: 4 juli 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [plaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. Y.F. Rijswijk,
tegen
[gedaagde]
,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [persoon A] ,
vestigingsplaats: [plaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N. Claasen.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 11 juni 2025, met producties;
de mail van 17 juni 2025 van mr. Rijswijk met 2 aanvullende producties;
de spreekaantekeningen van mr. Claasen.
1.2.
Op 20 juni 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: Namens [eiseres] mevrouw [persoon B] , medewerker sociaal beheer, met mr. Rijswijk en namens [gedaagde] mevrouw [persoon C] , bewindvoerder, mevrouw [persoon A] , met mr. Claasen.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiseres] verhuurt sinds 17 december 2012 een woning aan mevrouw [persoon A] (hierna: [persoon A] ). De goederen van [persoon A] zijn onder bewind gesteld van [gedaagde] , daarom is [gedaagde] als formele procespartij in deze procedure betrokken. [eiseres] heeft bij dagvaarding van 1 februari 2025 de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning gevorderd. [eiseres] heeft daartoe gesteld dat [persoon A] overlast veroorzaakt. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. De kantonrechter heeft in die zaak (hierna: de bodemprocedure) een mondelinge behandeling bepaald op 21 oktober 2025.
In dit kort geding eist [eiseres] vooruitlopend op de bodemprocedure ontruiming van de woning. [gedaagde] is het niet eens met de eis en heeft verweer gevoerd.
2.2.
De eis om de woning te ontruimen wordt (voor nu) afgewezen. Hierna zal deze beslissing worden toegelicht.
Wat is het beoordelingskader?
2.3.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiseres] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [persoon A] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. Een voorlopige voorziening tot het ontruimen van een woning is een zeer ingrijpende maatregel en zal in de praktijk een definitief karakter kunnen hebben. Daarom moet zo’n maatregel met terughoudendheid worden toegepast.
2.4.
In een gewone procedure kan een eis tot ontbinding van de huurovereenkomst (artikel 6:265 BW) en tot ontruiming van de woning worden toegewezen als [persoon A] ernstig is tekortgeschoten in het nakomen van haar verplichtingen als huurster en het gelet op alle omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is om de eisen met alle gevolgen toe te wijzen (Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810). Een van de kernverplichtingen van [persoon A] is dat zij zich als een goed huurster moet gedragen (artikel 7:213 BW en artikel 13 lid 1 en lid 4 van de algemene voorwaarden). Dat houdt onder meer in dat zij geen overlast of hinder mag veroorzaken aan omwonenden.
Spoedeisend belang
2.5.
[eiseres] heeft voldoende onderbouwd dat zij een spoedeisend belang bij haar vordering heeft. Het feit dat de strafzaak tegen [persoon A] pas op 11 juli 2025 voorkomt, maakt niet dat de vordering van [eiseres] tot ontruiming prematuur is. [eiseres] heeft er belang bij om op korte termijn duidelijkheid te hebben.
De eis om de woning te ontruimen wordt afgewezen
2.6.
Hoewel aannemelijk is dat [persoon A] ernstig tekort is geschoten in het nakomen van de verplichting om zich als goed huurster te gedragen, is gezien de huidige omstandigheden ook voorstelbaar dat de kantonrechter in de bodemprocedure haar nog een zogenaamde ‘laatste kans’ biedt om haar woning te kunnen behouden. Om die reden kan nu niet gezegd worden dat het voorshands aannemelijk is dat de eis tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van de woning in de bodemprocedure zal worden toegewezen. De eis om de woning te ontruimen zal daarom worden afgewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.7.
In de bodemprocedure is de vordering met name gebaseerd op drie geweldsincidenten waarvoor [persoon A] strafrechtelijk wordt vervolgd. In het kort gaat het om drie bedreigingen van haar (directe) buren op 9 november 2024, op 21 november 2024 en op 6 januari 2025. Naar aanleiding van de eerste twee incidenten waarbij op 21 november 2024 zelfs sprake zou zijn van bedreiging door [persoon A] met een mes is aan [persoon A] een contactverbod met een van haar buren (aangeefster) opgelegd. Naar aanleiding van het incident op 6 januari 2025 is dit uitgebreid naar een locatieverbod; de voorlopige hechtenis van [persoon A] is geschorst onder meer onder de bijzondere voorwaarde dat zij zich niet zal bevinden in de omgeving van haar woning. In dit kort geding heeft [eiseres] het niet hebben van haar hoofdverblijf (mede) ten grondslag gelegd aan de vordering tot ontruiming. Volgens [gedaagde] moet de vordering van [eiseres] worden afgewezen omdat zij in dit kort geding het niet hebben van haar hoofdverblijf als enige grond heeft aangevoerd. De kantonrechter is het met dat laatste niet eens, omdat de dagvaarding in zijn geheel moet worden gelezen en daar ook de in de bodemprocedure benoemde overlast en bedreigingen in worden beschreven. De kantonrechter is echter ook van oordeel dat het feit dat [persoon A] voldoet aan het ene rechterlijke bevel (de opgelegde bijzondere voorwaarde) er niet toe kan leiden dat zij op grond daarvan (het niet hebben van haar hoofdverblijf) haar woning zou moeten verlaten, zodat deze door [eiseres] aangevoerde grond geen grond kan zijn de gevorderde ontruiming toe te wijzen.
2.8.
Daarmee resteert de vraag of de door [eiseres] gestelde tekortkomingen voldoende zijn om [persoon A] nu haar woning te laten ontruimen. Vooropgesteld is de kantonrechter van oordeel dat de gestelde bedreigingen voldoende zijn om te spreken van tekortkomingen die in de bodemprocedure kunnen leiden tot ontbinding en ontruiming zoals daarin gevorderd. [persoon A] stelt echter inmiddels zes maanden niet meer te hebben gedronken, hulp te hebben aanvaard en dat nog niet duidelijk is of de haar verweten gedragingen ook daadwerkelijk tot en zo ja welke veroordeling zullen leiden. Daarnaast geldt dat [persoon A] al meer dan 12 jaar de woning huurt en de genoemde incidenten die tot het instellen van de vordering hebben geleid in een relatief korte periode hebben plaatsgevonden. Weliswaar blijkt uit de door [eiseres] ingebrachte politierapportage van 13 januari 2025 dat er in de afgelopen vijf jaar sprake is geweest van 24 delicten en 72 registraties ten aanzien van de woning en [persoon A] , maar niet alle registraties betreffen meldingen tegen [persoon A] , er zijn ook meldingen van [persoon A] zelf. Ook de overlastmeldingen van omwonenden die [eiseres] in het geding heeft gebracht zijn vooralsnog onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van ernstige en structurele overlast.
2.9.
Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter het, zoals gezegd, mogelijk dat aan [persoon A] in de bodemprocedure nog een zogenaamde ‘laatste kans’ wordt geboden, zodat nu niet gezegd kan worden dat voldoende aannemelijk is dat de vorderingen van [eiseres] in de bodemprocedure zullen worden toegewezen. De kantonrechter weegt daarbij ook mee dat de bodemprocedure in oktober is gepland en [persoon A] volgens haar advocaat in de strafzaak tegen het lopende contactverbod geen verweer zal voeren, zodat verwacht mag worden dat zij de betreffende personen met rust zal laten. De gevorderde ontruiming zal daarom in deze procedure, in afwachting van de bodemprocedure, worden afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
2.10.
De kantonrechter ziet in de omstandigheden en uitkomst van deze zaak aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat elke partij de eigen kosten moet dragen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
3.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
754