Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-09
ECLI:NL:RBROT:2025:8877
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,508 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/672537 / HA ZA 24-91
Vonnis van 9 juli 2025
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. J.N.A. Dijkman te Amsterdam,
tegen
1. de stichting
[gedaagde 1]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. D.M.A. Oud te Capelle aan den IJssel,
2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. I. Soetens te Eindhoven.
Partijen worden hierna wederom [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 2 april 2025 en de daarin genoemde processtukken;
- de e-mailberichten van mr. Oud en mr. Soetens.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
Bij het vonnis in het incident is [gedaagde 1] in de gelegenheid gesteld om een nadere akte te nemen. Zij heeft de rechtbank bericht van deze mogelijkheid geen gebruik te willen maken. De rechtbank gaat dan ook over tot de beoordeling in de hoofdzaak.
Onrechtmatige opzegging [gedaagde 1]
2.2.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door de overeenkomst op te zeggen zonder een opzegtermijn in acht te nemen. De opzegging is dan ook onrechtmatig en heeft tot schade geleid. [eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van verschillende schadeposten.
2.3.
[gedaagde 1] betwist dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. Partijen zijn geen opzeggingstermijn overeengekomen. [gedaagde 1] mocht de overeenkomst op elk moment met onmiddellijke ingang opzeggen. De opzegging is dan ook rechtmatig gedaan en [gedaagde 1] is dus niet gehouden tot vergoeding van enige schade.
2.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn het er over eens dat sprake is van een overeenkomst van opdracht. Dit betekent dat de rechtbank de zaak zal behandelen aan de hand van de artikelen 7:400 BW en verder. Partijen zijn het er ook over eens dat de overeenkomst op 27 februari 2023 met onmiddellijke ingang is opgezegd. In artikel 7:408 BW is bepaald dat de opdrachtgever te allen tijde de overeenkomst van opdracht kan opzeggen. De opdrachtnemer kan de overeenkomst slechts wegens gewichtige redenen opzeggen. In het onderhavige geval zijn partijen weliswaar een opzeggingsbeding overeengekomen met aanvullende opzeggingsgronden, maar de opzeggingsbevoegdheid van de opdrachtgever ( [gedaagde 1] ) wordt daardoor niet beperkt.
In beginsel was [gedaagde 1] dus bevoegd om de overeenkomst van opdracht op te zeggen, ongeacht of zij daartoe een reden had. De rechtbank begrijpt het standpunt van [eiseres] zo, dat het beroep op het opzeggingsbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, zodat de opzegging ongeldig is. Subsidiair brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat de opzegging gepaard moest gaan met een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.
2.5.
De rechtbank stelt voorop dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat [gedaagde 1] gehouden was om [eiseres] een (schade)vergoeding aan te bieden, omdat [gedaagde 1] een redelijke opzegtermijn in acht had moeten nemen. Wat een redelijke opzegtermijn is, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals bijvoorbeeld de duur van de relatie, de mate van afhankelijkheid van de opdracht, de redenen voor de opzegging en de termijn die nodig is voor het omschakelen naar een nieuwe situatie.
Het ontbreken van zodanig aanbod maakt de opzegging in de regel niet ongeldig. Wel zal de omstandigheid dat is opgezegd zonder daarbij een passende (schade)vergoeding aan te bieden, kunnen meewegen bij het vaststellen van de hoogte van de alsnog te betalen vergoeding. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een opzegging waarbij niet tegelijkertijd een passende (schade)vergoeding wordt aangeboden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In een dergelijk geval is de opzegging niet geldig.
2.5.1.
De rechtbank acht in het onderhavige geval de volgende omstandigheden van belang. De overeenkomst van opdracht is na het verstrijken van het eerste jaar omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Daarnaast hebben partijen op een later moment een intentieverklaring getekend waarin [gedaagde 1] uitdrukkelijk haar akkoord heeft gegeven op de door [eiseres] gewenste uitbreiding van haar werkzaamheden van 0,2 fte naar 0,7 fte. Ook was de intentie van [gedaagde 1] aanwezig om [eiseres] tegemoet te komen in haar wens om meer contractuele vastigheid. [eiseres] heeft zich daarnaast actief ingezet voor de opbouw en uitbreiding van [gedaagde 1] . Hieruit maakt de rechtbank op dat partijen een langdurige samenwerking voor ogen hadden. Bovendien was [eiseres] financieel volledig afhankelijk van de overeenkomst met [gedaagde 1] . [eiseres] deed geen ander werk en stond er alleen voor na het overlijden van haar man. Ook de periode van rouw waarin [eiseres] zich bevond en de leeftijd van [eiseres] , bemoeilijk(t)en omschakeling naar een nieuwe situatie.
2.5.2.
In deze omstandigheden brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich mee dat een opzegtermijn van 18 maanden in acht had moeten worden genomen, en dat een daarmee overeenkomend aanbod tot schadevergoeding had moeten worden gedaan.
Dat maakt de opzegging echter niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en dus ongeldig. Dat oordeel berust op het volgende.
2.5.3.
Tussen partijen staat vast dat de directe aanleiding voor de opzegging was gelegen in een telefoongesprek dat [eiseres] op 18 januari 2023 had gevoerd met een (externe) HR-medewerkster (zie 2.8 en 2.9 van het incidentele vonnis). Die medewerkster had dat gesprek ervaren als zeer onaangenaam. Daargelaten wat er precies is gezegd en hoe dat was bedoeld, kan deze gebeurtenis meewegen. Voorts was, de dag voorafgaand aan dat gesprek, een voor [eiseres] teleurstellend gesprek gevoerd tussen [gedaagde 2] en [eiseres] over het verminderen van haar inzet. Deze omstandigheden brengen mee dat de opzegging niet als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan gelden.
2.6.
Nu [gedaagde 1] geen opzegtermijn van 18 maanden in acht heeft genomen bij het opzeggen van de overeenkomst heeft [eiseres] echter wel recht op schadevergoeding. De rechtbank acht het passend om aan te sluiten bij de vergoeding die [eiseres] normaliter zou hebben gekregen, dus de overeengekomen vergoeding op basis van haar productie en de 22% DBC-vergoeding, uitgaande van 0,7 fte per week, gedurende 18 maanden. De rechtbank ziet niet waarom moet worden aangesloten bij de situatie waarin [eiseres] een arbeidsovereenkomst met [gedaagde 1] zou hebben, dan wel de situatie dat [eiseres] onderdeel zou zijn van een maatschap. Nergens blijkt uit dat een arbeidsovereenkomst of het toetreden tot een maatschap voor [eiseres] in het verschiet lag.
2.7.
Aan de hand van het procesdossier is het voor de rechtbank niet mogelijk om de hoogte van het bedrag waarop [eiseres] naar deze maatstaf recht heeft te bepalen. [eiseres] zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om een nadere akte te nemen om aan de hand van bovenstaand kader uiteen te zetten op welk bedrag zij recht heeft. [gedaagde 1] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om hierop te reageren.
Bijkomende schade door de opzegging
2.8.
[eiseres] stelt dat zij schade heeft geleden in de vorm van gederfde inkomsten. Zij heeft momenteel niet of nauwelijks inkomsten. Zij mocht ervan uitgaan dat zij tot haar pensioen bij [gedaagde 1] zou blijven, hetgeen door de opzegging niet is gebeurd, en verder is het voor [eiseres] onmogelijk geworden om als reumatoloog te kunnen blijven werken in haar eigen regio.
2.9.
Hoewel uit de contacten tussen partijen blijkt dat zij ervan uitgingen dat hun samenwerkingsverband langdurig zou zijn, is dat niet gelijk te stellen met afspraken die [eiseres] recht op schadevergoeding geven voor een langere periode dan de hiervoor genoemde 18 maanden. [eiseres] heeft daarnaast onvoldoende onderbouwd dat zij als gevolg van de opzegging geen ander werk meer kan vinden. Dat het voor [eiseres] lastig is om een nieuwe baan te vinden, betekent op zichzelf niet dat dit veroorzaakt wordt door de opzegging van de overeenkomst door [gedaagde 1] .
Dictum
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 augustus 2025 voor het nemen van een nadere akte aan de zijde van [eiseres] ,
3.2.
bepaalt dat de zaak na de akte van [eiseres] weer op de rol zal komen van 1 oktober 2025 voor het nemen van een antwoordakte aan de zijde van [gedaagde 1] ,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025.
3304/106
ECLI:NL:HR:2024:1709
Beoordeling
Ter onderbouwing baseert zij zich met name op geruchten. Dat volstaat niet. De brieven die zij heeft overgelegd geven andere redenen om haar niet aan te nemen dan die opzegging.
2.10.
Voor een schadevergoeding voor patiënten die door andere poliklinieken zijn overgenomen gedurende het verlof van [eiseres] bestaat eveneens geen aanleiding nu enige grondslag daarvoor ontbreekt. Met de opzegging heeft deze kwestie niets te maken, dit dateert van daarvoor (zie ook 2.16 hierna).
Acquisitievergoeding
2.11.
[eiseres] stelt zich daarnaast op het standpunt dat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door het niet toekennen van een acquisitievergoeding aan [eiseres] . [eiseres] stelt dat zij in opdracht van [gedaagde 1] een polikliniek in Friesland heeft opgebouwd. Met [gedaagde 1] is afgesproken dat [eiseres] hier een vergoeding voor zou ontvangen. Een dergelijke vergoeding heeft [eiseres] nooit gekregen.
2.12.
[gedaagde 1] betwist dat een dergelijke afspraak met [eiseres] is gemaakt. Slechts indien daar financieel de ruimte voor was, zou worden gekeken naar een aanvullende vergoeding voor commerciële werkzaamheden. Dit was voor [gedaagde 1] in de afgelopen jaren niet mogelijk.
2.13.
De rechtbank overweegt als volgt. In de aanvankelijke overeenkomst van opdracht die partijen hebben gesloten wordt niet gesproken over een aanvullende vergoeding voor acquisitiewerkzaamheden. In het addendum van 20 oktober 2020, waarbij de tijdelijke overeenkomst van opdracht is omgezet naar onbepaalde tijd, is overeengekomen dat de vergoeding van [eiseres] in onderling overleg hoger kan worden vastgesteld, wanneer inspanningen ten aanzien van commerciële activiteiten (uitbreiding van [gedaagde 1] in de betreffende regio) zijn verricht. Vervolgens wordt in de intentieverklaring van 10 december 2021 aangegeven dat indien er financiële ruimte is, een extra vergoeding voor uitgevoerde commerciële activiteiten zal worden toegekend. Daar is op dat moment geen ruimte voor en de commerciële inspanningen van [eiseres] zullen moeten worden gezien als een investering in haar eigen toekomst als reumatoloog in Friesland, zo staat in het addendum.
Deze stukken geven geen blijk van een concrete afspraak over een toe te kennen acquisitievergoeding. [gedaagde 1] onderkent dat [eiseres] commerciële werkzaamheden heeft verricht, maar geeft juist aan dat [gedaagde 1] niet de financiële ruimte heeft om [eiseres] een vergoeding toe te kennen en dat [eiseres] de werkzaamheden zal moeten zien als een investering in haar eigen toekomst. [eiseres] kan op grond van deze stukken dan ook geen beroep doen op enige vergoeding voor haar acquisitiewerkzaamheden.
[eiseres] heeft op de mondelinge behandeling niet nader kunnen toelichten of onderbouwen waaruit volgt dat deze afspraak wel is gemaakt. Daarbij komt dat [eiseres] haar stellingen onvoldoende heeft uitgewerkt en toegelicht. Zo heeft zij niet nader onderbouwd welke werkzaamheden [eiseres] in het kader van acquisitie heeft verricht, hoeveel uren zij daaraan heeft besteed en wat voor vergoeding daaraan zou moeten zijn verbonden. Aan bewijsvoering wordt dan ook niet toegekomen. De vordering op dit punt zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
Ander onrechtmatig handelen van [gedaagde 1]
2.14.
De rechtbank begrijpt de vordering zo dat [eiseres] [gedaagde 1] naast en los van de onregelmatige opzegging ook ander onrechtmatig handelen verwijt.
2.15.
Voor zover die verwijten zien op de gang van zaken op 17, 18 en 19 januari 2023 falen zij. Dat het gesprek op 17 januari 2023 teleurstellend was en dat [gedaagde 1] onvoldoende meevoelde met de moeilijke positie van [eiseres] volstaat niet voor het oordeel dat dat gedrag ook onrechtmatig was. Of de uitlatingen in het gesprek met de HR-medewerkster terecht zijn aangemerkt als bedreigend kan in het midden blijven, nu het schadelijke gevolg daarvan – dat [gedaagde 1] daarop de overeenkomst met onmiddellijke ingang heeft beëindigd – hiervoor al is beoordeeld.
2.16.
Voor zover die verwijten zien op eerder gedrag, met name het kapen/wegsluizen van patiënten van [eiseres] gedurende haar verlof, geldt het volgende.
Bij gebreke van concrete afspraken, die gesteld noch gebleken zijn, kan de opvatting van [eiseres] , dat de patiënten uit Friesland haar patiënten waren, in rechte niet als uitgangspunt gelden. Voor een kliniek die, zoals [gedaagde 1] , gebruik maakt van de diensten van artsen met wie zij een overeenkomst heeft zoals die met [eiseres] , geldt niet een algemene maatschappelijke betamelijkheidsnorm die meebrengt dat een arts als [eiseres] aanspraak kan maken op de exclusieve behandeling van bepaalde patiënten (bijvoorbeeld uit Friesland) die zich tot de kliniek wenden. Dat kan anders zijn als de kliniek de vrije arts-keuze van een patiënt die voor [eiseres] kiest negeert, maar dat daarvan sprake was is gesteld noch gebleken.
Omdat voldoende feitelijke basis ontbreekt is normschending, en dus onrechtmatig handelen, niet vast te stellen.
Onrechtmatig handelen [gedaagde 2]
2.17.
Ten aanzien van de vorderingen jegens [gedaagde 2] stelt [eiseres] zich op het standpunt dat [gedaagde 2] als privépersoon, en dus niet in haar hoedanigheid als bestuurder van [gedaagde 1] , onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] . Het onrechtmatig handelen van [gedaagde 2] bestaat uit het doen van negatieve uitlatingen over [eiseres] waardoor [eiseres] in haar goede naam is aangetast en haar reputatie ernstig is geschaad. Als gevolg van de uitlatingen door [gedaagde 2] is het voor [eiseres] onmogelijk geworden om haar werk voort te zetten als reumatoloog in haar eigen regio. [eiseres] vordert dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld en vordert een schadevergoeding van € 75.000,00, waarvan € 50.000,00 aan materiële schade en € 25.000,00 aan immateriële schade.
2.18.
[gedaagde 2] betwist dat zij als privépersoon onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. [gedaagde 2] heeft altijd gehandeld vanuit haar functie als bestuurder van [gedaagde 1] . Dat moet [eiseres] ook duidelijk zijn geweest. Voor dat handelen kan [gedaagde 2] dus niet in privé worden aangesproken. Daarnaast heeft [gedaagde 2] zich op geen enkel moment negatief uitgelaten over [eiseres] . Zij heeft de goede naam en reputatie van [eiseres] niet aangetast. Als al sprake zou zijn van negatieve uitlatingen dan geldt dat [gedaagde 2] vrij is om haar mening te geven. De vrijheid van meningsuiting kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden ingeperkt en van een dergelijk geval is hier geen sprake.
2.19.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de mondelinge behandeling heeft [eiseres] twee situaties toegelicht waarin sprake was van onrechtmatig handelen van [gedaagde 2] als privépersoon.
2.20.
De eerste situatie betreft een huisbezoek van [gedaagde 2] aan [eiseres] toen de man van [eiseres] al ernstig ziek was. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde 2] aan de man van [eiseres] gevraagd hoe dat voor hem was, nu hij wist dat hij dood zou gaan. Zij is ook vertrokken zonder de man van [eiseres] gedag te zeggen. [gedaagde 2] heeft volgens [eiseres] geen rekening gehouden met de conditie van de man van [eiseres] .
[gedaagde 2] heeft deze feitelijke gang van zaken van het huisbezoek niet betwist.
De rechtbank is het met [eiseres] eens dat dit handelingen zijn die [gedaagde 2] als privépersoon heeft verricht en dus niet vanuit haar functie als bestuurder van [gedaagde 1] .