Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-27
ECLI:NL:RBROT:2025:8643
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,458 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/287628-24
Datum uitspraak: 27 februari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1],
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [detentieadres],
raadsman mr. H.J. Andel, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 18 december 2024 en 13 februari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 18 december 2024 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. S.I.E. de Graaff heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden zoals geadviseerd in het maatregelrapport van de reclassering van 11 februari 2025, en oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Daarnaast heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden verzocht.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt verdediging
De verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde brandstichting. De verdachte heeft op 7 september 2024 ’s avonds zijn woning verlaten. Hij is zijn sleutel met tag voor de voordeur van het complex waarin zijn woning zich bevindt en zijn telefoon in zijn woning vergeten. Hij is vertrokken naar een vriend waar hij die nacht is blijven slapen. Hij is in de tijd tussen zijn vertrek en het moment van ontstaan van de brand in zijn woning niet teruggeweest in zijn woning. De reden dat hij de volgende ochtend vlak na het ontstaan van de brand in de buurt van de woning is gezien is dat hij naar de Albert Heijn is geweest vanaf het adres van zijn vriend en daarbij langs het complex liep waar zijn woning in zit.
4.1.2.
Beoordeling
Op 8 september 2024 omstreeks 8.30 uur is een brand ontstaan in de woning van de verdachte aan [adres 1], een verzamelpand van zorginstelling Pameijer met meerdere woningen ([nummers]). De verdachte woont in een kamer op [nummer] (hierna: de woning). Uit het forensisch onderzoek blijkt dat de brand vermoedelijk is ontstaan door de aanwezigheid van een ontbrandbare vloeistof die al dan niet opzettelijk door het bijbrengen van vuur op enigerlei wijze is ontstoken. Een technische oorzaak van de brand is uitgesloten.
De verdachte ontkent de brand te hebben gesticht en heeft verklaard dat hij de avond voor de brand zijn woning heeft verlaten, zijn sleutels is vergeten en tot het moment van de brand niet meer in de woning is teruggekeerd. Deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig gelet op het volgende.
De verdachte heeft een sleutel met een persoonlijke tag die op zijn naam staat geregistreerd. Met de tag kan hij de portiekdeur van het complex waarin zijn woning zich bevindt openen tussen 7.00 uur ’s ochtends en 23.00 uur. Buiten die tijden wordt de toegang geweigerd. De gegevens van de tag die op de naam van de verdachte staat geregistreerd zijn uitgelezen. Hieruit blijkt dat de tag in de nacht van 7 op 8 september 2024 meerdere malen is aangeboden, maar zonder resultaat omdat het tussen de sluitingsuren gebeurde. Eveneens is te zien dat de tag van de verdachte op 8 september 2024 om 08:23:44 uur wordt aangeboden waarna de toegang tot het portiek is verleend.
Zeer kort daarna is er dus brand ontstaan in de woning van de verdachte. Door getuige Hammel, die vanuit de achterzijde van zijn woning zicht heeft over de [straatnaam], is verklaard dat hij op 8 september 2024 rond 8.30 uur een harde knal hoorde. Hij keek naar buiten en zag dat er een man uit de richting van het portiek kwam waar ook de brand was en rechtsaf wegliep in de richting van de Havenstraat. De man keek niet op of om ondanks alle commotie en op het moment dat hij de hoek om was begon hij te rennen. De getuige heeft een foto van de man gemaakt. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de man op de foto is.
Dat de verdachte daar net toevallig op dat moment liep omdat hij vanaf het adres van zijn vriend naar de Albert Heijn was geweest acht de rechtbank niet geloofwaardig. Het ligt niet voor de hand dat de verdachte vanaf het adres van zijn vriend voor deze Albert Heijn en deze route langs zijn woning koos, aangezien deze winkel niet in de buurt van de woning van zijn vriend is. Daar komt bij dat er uit het dossier geen enkel aanknopingspunt naar voren is gekomen waaruit volgt dat iemand anders met de persoonlijke tag van de verdachte het pand is binnengegaan en brand zou hebben gesticht in de woning van de verdachte. Bovendien heeft de verdachte wisselend verklaard over de tijdstippen dat hij aanwezig zou zijn geweest bij zijn vriend.
Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen en het bovengenoemde is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verdachte zelf op 8 september 2024 om 8:23 uur het pand is binnen gegaan met gebruik van zijn tag, waarna hij brand heeft gesticht in zijn woning en dat hij het pand vervolgens heeft verlaten en is weggelopen.
4.1.3.
Conclusie
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 8 september 2024 te Rotterdamopzettelijk brand heeft gesticht in een kamer aan de [adres 2] door open vuur, al dan niet in combinatie met een ontbrandbare vloeistof, in aanraking te brengen met eenbed en een kledingkast, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te wetende wooneenheid en/of omliggende wooneenheden en/of in die wooneenhedenaanwezige goederen en- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de omliggende wooneenheden aan de [adressen]te duchten was.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd
De verdachte heeft brand gesticht in zijn woning bij zorginstelling Pameijer. Hierna heeft hij snel het pand verlaten. Door de brand is in zijn woning veel schade ontstaan. Alleen door snel ingrijpen van de brandweer is voorkomen dat er ook schade aan de omliggende woningen ontstond en/of gevaar voor de bewoners van die woningen. Voorstelbaar is dat het brandgevaar gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt voor omwonenden.
De verdachte ontkent dat hij brand heeft gesticht en neemt dus ook geen enkele verantwoordelijkheid voor hetgeen hij heeft gedaan. Ook blijkt nergens uit dat hij op enig moment heeft stilgestaan bij de mogelijke gevolgen voor anderen. Dit is kwalijk en zorgelijk.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.2.1.
Strafblad
De rechtbank heeft gekeken naar het uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 september 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.2.2.
Rapportages
Psychiater [naam 1] heeft op 22 januari 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt het volgende in. Bij de verdachte is sprake van een licht verstandelijke beperking en (mogelijk) het DiGeorgesyndroom, maar dat moet nog verder onderzocht worden. Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, indien bewezen. Hoewel het aannemelijk lijkt dat er sprake is van een beperking van de wilsvrijheid door de licht verstandelijke beperking en het mogelijk DiGeorge syndroom, kan dit niet met (volledige) zekerheid worden aangenomen. Daarvoor zou duidelijk moeten worden hoe de verdachte tot zijn daad is gekomen.
Door de ontkenning van de verdachte is er geen onderbouwde uitspraak mogelijk over het risico op recidive. In het algemeen kan worden gezegd dat er diverse factoren zijn die het risico op recidive verhogen (zoals verstandelijke beperking, weinig openheid, gedragsproblemen, weinig coping mechanismen, weinig ziekte-inzicht). De verdachte heeft behoefte aan verdere diagnostiek (onder meer op het DiGeorge syndroom) en een intensievere behandeling dan tot nu toe het geval is geweest.Geadviseerd wordt om opnieuw een TBS maatregel met voorwaarden op te leggen. Met deze maatregel kan hij in een gespecialiseerde kliniek worden opgenomen, waarbij hij verder kan worden onderzocht en er een adequate (medicamenteuze) behandeling kan worden gestart.
Psycholoog [naam 2] heeft op 23 januari 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt het volgende in.
De psycholoog heeft dezelfde diagnose gesteld als de psychiater. Naar alle waarschijnlijkheid heeft de licht verstandelijke beperking in ieder geval enige invloed gehad op de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde, maar niet is vast te stellen in welke mate. De deskundige onthoudt zich van een uitspraak over de mate van toerekenen.
In algemene zin kan worden gezegd dat de verdachte vanwege zijn verstandelijke beperking levenslang zal zijn aangewezen op enige vorm van hulp en ondersteuning. Een eventuele interventie zal zich primair moeten richten op het creëren en behouden van stabiele leefomstandigheden en professionele ondersteuning. Een beschermde woonvorm met 24 uurs ondersteuning kan hem de stabiliteit en zorg bieden die hij nodig heeft. Eventuele ambulante behandeling/begeleiding kan het best worden vormgegeven door een FACT, bijvoorbeeld voor het toezien op de medicatie-inname voor zijn schildklieraandoening zodat zorgprofessionals naar hem toekomen en hij niet zelfstandig verantwoordelijk is voor het opzoeken van behandeling of begeleiding. Deze benadering biedt continuïteit en verlaagt de kans op sociaal-maatschappelijk en psychisch afglijden. Tot slot is het voor de behandeling van belang dat er diagnostiek naar het DiGeorge syndroom wordt gedaan zodat bij het vaststellen daarvan, hier rekening mee kan worden gehouden.
Mocht het tenlastegelegde bewezen worden verklaard en de verdachte op basis van de licht verstandelijke beperking minder toerekenbaar worden geacht, dan zou de behandeling plaats kunnen vinden in het kader van een TBS met voorwaarden. Naar verwachting zal hij goed kunnen profiteren van reclasseringstoezicht en zal hij zich, zoals eerder, begeleidbaar opstellen. Het kader van een TBS maatregel is nodig om de verdachte in zorg te kunnen houden.
Reclassering Nederland heeft naar aanleiding van de rapportages van de psychiater en psycholoog een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 februari 2025. Hierin wordt positief geadviseerd over het opleggen van TBS met voorwaarden. In het rapport zijn tevens voorwaarden geformuleerd. De reclassering kan het toezicht hierop uitoefenen en de verdachte heeft zich bereid verklaard tot medewerking aan de voorwaarden. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Er worden vooral risico’s gezien in de psychische gesteldheid van de verdachte. Er is onderzoek nodig om een diagnose vast te stellen en hem adequaat te behandelen. Naast de TBS met voorwaarden adviseert de reclassering een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op te leggen. Het extra lange reclasseringstoezicht daarbij is van belang omdat het verhoogde recidiverisico met name over een wat langere tijd aanwezig lijkt te zijn. De GVM maakt het mogelijk om voorwaarden die het recidiverisico kunnen verminderen en mogelijk langdurig nodig zijn, in een ander kader voort te zetten. Tevens wordt de dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden geadviseerd.
7.3.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog ondersteund worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De deskundigen hebben zich onthouden van een uitspraak over de mate van toerekenen omdat de verdachte ontkent dat hij het strafbare feit heeft gepleegd. Het lijkt echter wel aannemelijk dat zijn licht verstandelijke beperking en mogelijk het DiGeorge syndroom een rol hebben gespeeld bij het plegen van het feit. De rechtbank acht de verdachte daarom in verminderde mate toerekeningsvatbaar.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de verminderde mate van toerekening van het feit aan de verdachte. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de verdediging heeft verzocht, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. Hiervoor is het feit te ernstig. Wel zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd nu de rechtbank het van belang acht dat de verdachte op korte termijn verder kan worden onderzocht en er een adequate behandeling kan worden gestart. De rechtbank zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden opleggen.
De rechtbank onderschrijft de conclusie van de deskundigen en de reclassering dat oplegging van de TBS met voorwaarden noodzakelijk is. Dit in verband met de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen.
Vastgesteld wordt dat het bewezen verklaarde feit, ter zake waarvan de TBS met voorwaarden zal worden opgelegd, een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht.
Aan de verdachte zal dan ook de TBS maatregel worden opgelegd, met de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen. De rechtbank zal daarom de dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden bevelen.
Maatregel 38z (langdurig toezicht)
Daarnaast is een GVM als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr noodzakelijk omdat er sprake is van een verhoogd gevaar voor herhaling. De verdachte heeft eerder een TBS met voorwaarden traject afgerond en niet lang daarna heeft hij het onderhavige strafbare feit gepleegd. Om de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen, dient de verdachte langdurig onder toezicht te staan.
Ook aan de overige wettelijke vereisten voor de oplegging van de GVM is voldaan. De verdachte zal namelijk ter beschikking worden gesteld.
Gelet op het voorgaande zal de GVM worden opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregelen passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;
stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:
de ter beschikking gestelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
de ter beschikking gestelde verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of biedt een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan;
de ter beschikking gestelde verleent medewerking aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:- de ter beschikking gestelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dit nodig is;
- de ter beschikking gestelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien;
- de ter beschikking gestelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de ter beschikking gestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
- de ter beschikking gestelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn/haar gezicht herkenbaar is;
- de ter beschikking gestelde werkt mee aan huisbezoeken;
- de ter beschikking gestelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
- de ter beschikking gestelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
- de ter beschikking gestelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de ter beschikking gestelde, als dat van belang is voor het toezicht;
de ter beschikking gestelde zal meewerken aan een time-out. Als de reclassering dat nodig vindt en de ter beschikking gestelde daarmee instemt, kan hij voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de ter beschikking gestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
de ter beschikking gestelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
de ter beschikking gestelde laat zich opnemen in een FPA of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start aansluitend aan detentie. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen en de controle vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de ter beschikking gestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
de ter beschikking gestelde laat zich behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de klinische opname. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen en de controle daarop vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
de ter beschikking gestelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
de ter beschikking gestelde gebruikt geen drugs en alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt hoe en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;
de ter beschikking gestelde spant zich in voor het vinden en behouden van dagbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
de ter beschikking gestelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De ter beschikking gestelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft aan Reclassering Nederland opdracht de terbeschikkinggestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden;
legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Kroon, voorzitter,
en mrs. J.F. Koekebakker en J.C. Oord, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De voorzitter is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 8 september 2024 te RotterdamOpzettelijk brand heeft gesticht in een kamer aan de [adres 2] door open vuur, al danniet in combinatie met een ontbrandbare vloeistof, in aanraking te brengen met eenbed en/of een kledingkast, in elk geval een brandbare stofterwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te wetende wooneenheid en/of omliggende wooneenheden en/of in die wooneenhe(i)d(en)aanwezige goederen en/of- Levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van deomliggende wooneenheden aan [adressen]te duchten was
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht Sr, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)