Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-07
ECLI:NL:RBROT:2025:8524
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,637 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/271773-24
Datum uitspraak: 7 maart 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [gebortedatum] 1975,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres],
raadsman mr. J.J. van 't Hoff, advocaat te Tilburg.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. Kort gezegd wordt hem verweten dat door zijn schuld een aanrijding heeft plaatsgevonden waarbij iemand zwaar gewond is geraakt en dat hij onder invloed heeft gereden. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. S.S.S. Heinerman heeft gevorderd:
- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;
ten aanzien van de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten:
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis;
veroordeling van de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motor-rijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit:
- toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering feit 3
Het onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewijswaardering feiten 1 en 2
Standpunt verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het feit dat de verdachte ter plaatse iets te hard reed niet aan het veroorzaken van het verkeersongeval heeft bijgedragen. Voor dit deel van de tenlastelegging dient daarom vrijspraak te volgen. Het gebruik van de mobiele telefoon en het rijden onder invloed, zij het dat het alcoholgehalte niet hoog was, kan wel bewezen worden. Daarnaast speelde bij het ongeval mee dat de verdachte vlak voor het verkeersongeval verblind werd door de zon. Het voorgaande brengt met zich dat enkel aanmerkelijke schuld kan worden bewezenverklaard. Voorts kan op basis van de inhoud van het dossier, de door [slachtoffer 1] opgelopen breuk van de ellepijp en het spaakbeen niet gekwalificeerd worden als zwaar lichamelijk letsel, maar als zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Standpunt officier van justitie
Beoordeling
Vaststaat dat de verdachte op 1 mei 2024 om 18:02:40 uur in Rotterdam, op de afrit Hoogvliet van de A15, betrokken was bij een verkeersongeval. De verdachte heeft, nadat hij de A15 had verlaten, bij hectometerpaal 49.0c de voor hem op de afrit stilstaande auto’s te laat opgemerkt, waardoor hij, zonder af te remmen, op deze stilstaande file is ingereden. Bij dit verkeersongeval is de verdachte met zijn voertuig, een Volkswagen, in botsing gekomen met een Seat, waarin [slachtoffer 1] reed. De Seat botste vervolgens op de door [slachtoffer 2] bestuurde Mini, die vervolgens in botsing kwam met de Fiat, waarin [slachtoffer 3] reed. Door dit verkeersongeval heeft [slachtoffer 1] een breuk van de ellepijp en het spaakbeen van de linkerarm opgelopen.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte aan deze aanrijding schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte vlak voor en tijdens het verkeersongeval minutenlang bezig was op zijn mobiele telefoon en dat hij ten tijde van het verkeersongeval een chatbericht heeft verstuurd. Dit deed hij terwijl hij de autosnelweg net had verlaten en hij de ter plaatse maximum toegestane snelheid met ongeveer 7 kilometer overschreed. De verdachte heeft daardoor de stilstaande file niet tijdig opgemerkt, en heeft niet geremd of zijn snelheid verminderd. De verdachte heeft dus zijn aandacht niet (voortdurend) op de weg voor hem gehouden en dat met een iets hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan was. Daar komt bij dat de verdachte teveel alcohol had gedronken om nog een auto te mogen besturen. Het is een feit van algemene bekendheid dat ook een beperkte overschrijding van de toegestane hoeveelheid alcohol een negatieve invloed kan hebben op het reactievermogen.
De rechtbank is van oordeel dat met deze combinatie van gedragingen de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Anders dan de verdediging stelt maakt ook de geringe overtreding van de maximum snelheid onderdeel uit van dit rijgedrag dat het verkeersongeval heeft veroorzaakt. Dat de verdachte ook verblind zou zijn geweest door de zon maakt dat niet anders. Gelet op het voorgaande is het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval aan zijn schuld, als bedoeld in artikel 6 WVW, te wijten (feit 1).
Het letsel van de bestuurder van de Seat is een direct gevolg van het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval. De rechtbank merkt dit letsel aan als zwaar lichamelijk letsel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [slachtoffer 1] een operatie en meerdere behandelingen heeft moeten ondergaan en hij een week in het ziekenhuis heeft gelegen.
De rechtbank is verder van oordeel dat de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte eveneens – en tegelijkertijd – gevaar hebben veroorzaakt op de weg in de zin van artikel 5 van de WVW (feit 2).
Conclusie
Het onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde is ook wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
1.
hij op 1 mei 2024 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig
(personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A15, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen, daar, terwijl hij, verdachte, een stilstaande file naderde en het verkeersbord G02 (‘einde autosnelweg’) was gepasseerd,
- met een snelheid van ongeveer 87 km/u heeft gereden en is blijven rijden en
- ( aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
- een mobiele telefoon heeft bediend en zijn blik gericht hield op die mobiele telefoon en (aldus doende) zijn aandacht niet voortdurend op de weg vóór zich heeft gehouden en
- ( aldus) niet (tijdig) heeft gemerkt dat een voor hem rijdend motorrijtuig (personenauto, merk Seat) stilstond en
- ( vervolgens) met een snelheid van 87 km/u tegen die Seat is aangebotst, waardoor die Seat, bestuurd door [slachtoffer 1], werd opgeduwd tegen de vóór die Seat stilstaande personenauto (Mini, bestuurd door [slachtoffer 2]), als gevolg waarvan die Mini tegen een zich daarvoor bevindende personenauto (Fiat, bestuurd door [slachtoffer 3]) werd opgeduwd, waardoor die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten een breuk van de ellepijp en het spaakbeen van de linkerarm) is ontstaan;
zulks terwijl hij, verdachte, dat motorrijtuig heeft bestuurd onder invloed van alcohol;
2.
hij op 1 mei 2024 te Rotterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als
bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het verkeer openstaande weg, de Rijksweg A15, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl hij, verdachte, een stilstaande file naderde en het verkeersbord G02 (‘einde autosnelweg’) was gepasseerd,
- met een snelheid van ongeveer 87 km/u heeft gereden en is blijven rijden en
- ( aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
- een mobiele telefoon heeft bediend en zijn blik gericht hield op die mobiele telefoon en (aldus doende) zijn aandacht niet voortdurend op de weg vóór zich heeft gehouden en
- ( aldus) niet (tijdig) heeft gemerkt dat een voor hem rijdend motorrijtuig (personenauto, merk Seat) stilstond en
- ( vervolgens) met een snelheid van 87 km/u tegen die Seat (bestuurd door [slachtoffer 1]) is aangebotst, die als gevolg daarvan werd opgeduwd tegen een daarvoor stilstaande personenauto (Mini, bestuurd door [slachtoffer 2]), als gevolg waarvan die Mini tegen een zich daarvoor bevindende personenauto (Fiat, bestuurd door [slachtoffer 3]) werd opgeduwd;
3.
hij, op 1 mei 2024 te Rotterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8 tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 275 microgram alcohol per uitgeademde liter lucht bleek te zijn.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
Feiten
de eendaadse samenloop van:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet;
en
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 3:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van
Feiten
De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten 1 en 3, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te gedragen in het verkeer. Hij gebruikte zijn telefoon terwijl hij met aanzienlijke snelheid de snelweg afreed. Daarbij was hij onder invloed van alcohol. Als gevolg hiervan is de verdachte op de achterste auto van een stilstaande file ingereden, waardoor een kettingbotsing ontstond. De bestuurder van de achterste auto heeft door het verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] op zitting blijkt dat het letsel nog niet volledig is hersteld, hij zijn werk alleen in aangepaste vorm kan uitvoeren en onzeker is of hij dit werk kan blijven doen. Dit alles wordt de verdachte aangerekend.
Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 januari 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist. De reden daarvoor is in de eerste plaats dat de rechtbank een lagere mate van schuld bewezen verklaart. Verder heeft de rechtbank nadrukkelijk betrokken dat de verdachte op zitting oprecht spijt heeft betuigd voor het veroorzaken van het ongeval en dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor de uitvoering van zijn werk.
Alles afwegend ziet de rechtbank in een voorwaardelijke gevangenisstraf geen meerwaarde en acht zij een werkstraf van 80 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden passend en geboden.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een afzonderlijke straf voor de overtreding van artikel 5 WVW (feit 2) niet passend is. De verdachte zal daarom wel schuldig worden verklaard, maar er zal geen afzonderlijke straf of maatregel worden opgelegd.
8Vordering benadeelde partij
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 12.500,- aan materiële schade en een vergoeding van € 2.150,- aan immateriële schade.
Beoordeling
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De
vordering is onvoldoende onderbouwd. Er kan wel worden vastgesteld dat
door het onder 2 bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht bij de benadeelde
partij, maar onvoldoende is gebleken dat die schade hoger is dan de reeds door de
verzekeraar vergoede schade. Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering wordt verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57 en 62 Sr en de artikelen 5, 6, 8, 175, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
ten aanzien van de onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uur, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;
ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van
6 (zes) maanden;
bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte gemaakt, tot nu toe aan de zijde van de verdachte begroot op nihil
ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit
bepaalt dat ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit geen straf of maatregel
wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Lange, voorzitter,
en mr. A.M.G. van de Kragt en mr. S.W.H. Bootsma, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 7 maart 2025.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 1 mei 2024 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig
(personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A15,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen, daar,
terwijl hij, verdachte, een stilstaande, althans langzaam rijdende, file naderde en/of het verkeersbord G02 (‘einde autosnelweg’) was gepasseerd,
- met een snelheid van ongeveer 87 km/u, in ieder geval met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, heeft gereden en/of is blijven rijden en/of
- ( aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- een of meer mobiele telefoon(s) heeft bediend en/of zijn blik (continu) gericht hield op die mobiele telefoon(s) en/of (aldus doende) zijn aandacht niet voortdurend op de weg vóór zich heeft gehouden en/of
- ( aldus) niet (tijdig) heeft gemerkt dat een voor hem rijdend motorrijtuig (personenauto, merk Seat) (inmiddels) stilstond en/of langzaam/stapvoets reed en/of
- ( vervolgens) met een snelheid van 87 km/u tegen die Seat is aangebotst of is aangereden, waardoor die Seat, bestuurd door [slachtoffer 1], werd opgeduwd tegen de vóór die Seat stilstaande personenauto (Mini, bestuurd door [slachtoffer 2]), als gevolg waarvan die Mini tegen een zich daarvoor bevindende personenauto (Fiat, bestuurd door [slachtoffer 3]) werd opgeduwd,
waardoor die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten een breuk van de ellepijp en/of het spaakbeen van de linkerarm) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
zulks terwijl hij, verdachte, dat motorrijtuig heeft bestuurd onder invloed van alcohol;
2.
hij op of omstreeks 1 mei 2024 te Rotterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als
bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het verkeer openstaande weg, de Rijksweg A15, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg/wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg/wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
terwijl hij, verdachte, een stilstaande, althans langzaam rijdende, file naderde en/of het verkeersbord G02 (‘einde autosnelweg’) was gepasseerd,
- met een snelheid van ongeveer 87 km/u, in ieder geval met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, heeft gereden en/of is blijven rijden en/of
- ( aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- een of meer mobiele telefoon(s) heeft bediend en/of zijn blik (continu) gericht hield op die mobiele telefoon(s) en/of (aldus doende) zijn aandacht niet voortdurend op de weg vóór zich heeft gehouden en/of
- ( aldus) niet (tijdig) heeft gemerkt dat een voor hem rijdend motorrijtuig (personenauto, merk Seat) (inmiddels) stilstond en/of langzaam/stapvoets reed en/of
- ( vervolgens) met een snelheid van 87 km/u tegen die Seat (bestuurd door [slachtoffer 1]) is aangebotst of is aangereden, die als gevolg daarvan werd opgeduwd tegen een daarvoor stilstaande personenauto (Mini, bestuurd door [slachtoffer 2]), als gevolg waarvan die Mini tegen een zich daarvoor bevindende personenauto (Fiat, bestuurd door [slachtoffer 3]) werd opgeduwd;
3.
hij, op of omstreeks 1 mei 2024 te Rotterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8 tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 275 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per uitgeademde liter lucht bleek te zijn.