Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-18
ECLI:NL:RBROT:2025:8515
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,111 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11490294 CV EXPL 25-941
datum uitspraak: 18 april 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] , die handelt onder de naam [naam bedrijf] ,
vestigingsplaats: Den Haag,
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde 1] ,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
vestigingsplaats: Zevenhuizen,
gedaagde,
die niet is verschenen,
2 [gedaagde 2] , vennoot van gedaagde sub 1,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die niet is verschenen,
3 [gedaagde 3] , vennoot van gedaagde sub 1,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [gemachtigde 2] .
Eiseres wordt hierna ‘ [eiseres] ’ genoemd, gedaagden worden gezamenlijk ‘Gedaagden’ genoemd en worden afzonderlijk ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’ en ‘ [gedaagde 3] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 18 december 2024, met bijlagen;
de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [gemachtigde 2] namens [gedaagde 3] ;
de repliek, met een bijlage.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiseres] heeft in opdracht van [gedaagde 1] reclamewerkzaamheden uitgevoerd in de periode van april 2022 tot en met oktober 2023. Op grond van de tussen partijen bestaande overeenkomst moet [gedaagde 1] betalen voor de door [eiseres] geleverde diensten. Volgens [eiseres] heeft zij daarom meerdere facturen naar [gedaagde 1] gestuurd, voor een totaalbedrag van € 10.341,87, waarop € 3.556,28 in mindering is betaald. [eiseres] eist dat Gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld om het resterende bedrag van € 6.775,59 met rente en kosten te betalen.
2.2.
[gedaagde 3] voert aan dat zij in 2022 op enig moment uit [gedaagde 1] is gestapt. [gedaagde 3] voert bovendien aan dat zij het gedeelte van de vordering dat al is betaald, heeft voldaan en dat het restant van de vordering de verantwoordelijkheid is van de andere gedaagden.
Ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
Verstekverlening tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
2.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet in het geding verschenen. De dagvaarding voldoet aan de wettelijk voorgeschreven formaliteiten. Tegen hen wordt daarom verstek verleend. Omdat [gedaagde 3] wel in de procedure is verschenen, wordt één vonnis gewezen dat als vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (artikel 140 lid 3 Rv). Dit betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in verzet kunnen komen tegen dit vonnis.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hoofdelijk veroordeeld om € 6.775,59 te betalen
2.4.
De kantonrechter wijst de gevorderde hoofdsom toe, omdat die niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hoofdelijk veroordeeld om € 6.775,59 aan [eiseres] te betalen. [gedaagde 2] wordt ook hoofdelijk veroordeeld, omdat hij als vennoot hoofdelijk aansprakelijk is (artikel 18 van het Wetboek van Koophandel).
Ten aanzien van [gedaagde 3]
[gedaagde 3] wordt ook hoofdelijk veroordeeld om € 6.775,59 te betalen
2.5.
[gedaagde 3] wordt hoofdelijk veroordeeld om € 6.775,59 aan [eiseres] te betalen, omdat zij tijdens de contractduur in het handelsregister als vennoot van [gedaagde 1] stond ingeschreven.
2.6.
Elk van de vennoten is hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen die de vennootschap onder firma is aangegaan (artikel 18 van het Wetboek van Koophandel). [gedaagde 3] voert aan dat zij op enig moment in 2022 uit [gedaagde 1] is gestapt en haar deel van de vordering al heeft voldaan. De kantonrechter begrijpt hieruit dat zij meent dat zij daarom niet voor het resterende deel van de vordering hoeft te betalen. [eiseres] betwist dit en overlegt ter onderbouwing een uittreksel van het handelsregister. In dit uittreksel staat dat [gedaagde 3] , in de contractperiode stond ingeschreven als vennoot van [gedaagde 1] . Zelfs als [gedaagde 3] had onderbouwd dat zij op enig moment in 2022 inderdaad geen vennoot van [gedaagde 1] was, kunnen eventuele fouten in het handelsregister niet tegen derden worden tegengeworpen (artikel 25 Handelsregisterwet). Nu [gedaagde 3] als vennoot zelf verantwoordelijk was voor de juistheid van de gegevens over [gedaagde 1] in het handelsregister (artikel 19 Handelsregisterwet), komt de eventuele onjuistheid van het handelsregister voor rekening en risico van [gedaagde 3] . De kantonrechter gaat daarom aan dit verweer voorbij.
2.7.
Dat [gedaagde 3] niets meer aan [gedaagde 1] hoeft te betalen, omdat zij met de betaling van het reeds in mindering voldane bedrag van € 3.556,28 van haar betalingsverplichting zou zijn bevrijd, volgt de kantonrechter niet. Nu [gedaagde 3] tijdens de contractperiode in het handelsregister als vennoot stond ingeschreven, is zij hoofdelijk verbonden om te voldoen aan de gehele betalingsverplichting voor de geleverde diensten van [eiseres] . Niet kan worden gesproken van een gedeelte dat een van de vennoten (in dit geval [gedaagde 3] ) is verschuldigd. De kantonrechter gaat daarom aan dit verweer voorbij.
Ten aanzien van Gedaagden
Gedaagden moeten de incassokosten van € 713,78 betalen
2.8.
De incassokosten van € 713,78 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
Gedaagden moeten rente betalen
2.9.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en Gedaagden dat niet hebben betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat Gedaagden aan [eiseres] moeten betalen de rente van € 1.062,35 die [eiseres] heeft berekend tot en met 17 december 2024. Daarnaast moeten Gedaagden de rente conform artikel 6:119a BW betalen over een bedrag van € 6.775,59 vanaf 18 december 2024 tot de dag dat volledig is betaald.
Gedaagden moeten de proceskosten betalen
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van Gedaagden, omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die Gedaagden aan [eiseres] moeten betalen op € 118,69 aan dagvaardingskosten, € 543,00 aan griffierecht, € 678,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal
€ 1.474,69. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en Gedaagden daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt Gedaagden hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen € 8.551,72 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 6.775,59 vanaf 18 december 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt Gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.474,69;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
64266